Werk dat af moet
In de kamer was het stil geworden. Alleen de novemberregen tikte als een buitengesloten gast tegen de hoge ramen. Het fotolijstje vloeide over van een jongetje met scheve voortanden naar een meisje met een scheve neus. Dat de bloedplas naast de staande boekenkast steeds groter werd, ging geluidloos. Opnieuw klonk gebonk van rechtsboven. Het was mevrouw Hazelhorst, zojuist gestoord bij haar tweede ochtendkoffie, die ze stipt om elf uur uit de Senseo haalde. Ze moest gedacht hebben "Zo vroeg en dan al een oorlogsfilm?". Ze had het niet zo op haar linksonderburen. Niet dat het moslims waren of zo, maar wel nogal aangepast, kinderen die altijd zo schreeuwden in het trappenhuis en die moeder die er altijd zo onverzorgd uitzag. Geblondeerde haren op halfzeven. Spijkerbroeken met gaten. Topjes waar haar tieten zo ongeveer uitvielen. Alleen die man, die was eigenlijk wel aardig. Keurige man ook. Op het vlierinkje was de regen een doffe melodieloze roffel op het dak pal erboven. Remco's vingers peuterden in een doosje, alsmaar onhandiger naarmate het langer duurde. "Goddomme," vloekte hij. Hij rammelde aan het doosje terwijl hij voelde hoe zijn vingers en zijn hele lichaam trilden. Hij kon het niet onder stress. Weer iets wat hij niet kon. Was er ooit iets geweest wat hij wel kon? "Godallejezus", vloekte Remco en vervolgens spuugde hij een hele serie vloeken uit, zo luid hij kon. Het kon niet meer schelen wie hem door de dunne wandjes heen kon horen. Die kinderen van beneden van de vrijgemaakte kerk moesten maar goed luisteren want die konden er nog wat van leren. En dat mens van Hazelhorst kon helemaal de tyfus krijgen. Op het moment dat het gebonk van haar staf tegen de radiator weer begon, ging het vloeken van Remco over in snikken. "De trekker overhalen," dacht hij. "Dat is me anders prima gelukt." Hij besefte dat hij op het moment dat hij dat deed hoegenaamd niks voelde. Enkel vastbeslotenheid, plichtsbesef alsof het zijn werk betrof wat af moest. Er was altijd weer van alles wat af moest en dan waren er nog steeds duizend dingen niet geregeld. Remco verborg zijn hoofd in zijn handen en huilde zijn longen en de laatste resten van zijn ziel eruit. Het geruis van de regen ging over in gedrup. Ook beneden bij de overloop klonk gedrup. "Bloed dat in het trapgat valt," dacht Remco werktuiglijk, maar de beelden die bij hem opkwamen, drukte hij weg. Hij had als taak om nieuwe kogels uit het doosje te halen. Hij had niet als taak om aan Mirjam terug te denken hoe ze keek toen ze het pistool in zijn hand zag. Of hoe ze keek als ze bijdehanter of grappiger was dan hij. Of hoe ze helemaal straalde als hij zei dat hij van haar hield, wat hij al met al toch vast wel een keer of drie gedaan had. In achttien jaar tijd. En nee, het was zeker niet het moment om nu aan Titia en Lubbert terug te denken. Remco snoof heftig door zijn neus. Hij herhaalde zijn vloek "godallejezus," als een mantra, tot zijn vingers metaal te pakken hadden. Deze keer lieten zijn vingers niet meer los. Mevrouw Hazelhorst zette haar kopje neer en bekeek tussen twee geraniums door haar vaste hoekje straat. Ze zuchtte behaaglijk, blij dat al dat lawaai op de vroege ochtend voorbij was. Ze keek naar haar breiwerk, maar besloot dat ze nog even mocht ontspannen. Vervolgens schrok ze zich een hoedje van een doffe knal.

