26 juli 2006

Stilte

Ik kan niet tegen brommertjes.



Het ergste zijn ze als je ’s ochtends door het park fietst en je gedachten dwalen vrij, behalve in het wakkere deel van je brein ook nog een beetje in het slapende deel. Het geluid van een brommertje dat achterop komt, doorbreekt die gedachten. Het is erger dan doorbreken. Het slaat de gedachten aan stukken, dwingt de zintuigen om alleen nog maar bezig te zijn met het verwerken van het geknetter dat langs giert, niet eens op topsnelheid. Als het brommertje voorbij is en het geluid tergend langzaam versterft en opgaat in de achtergrondruis, blijft je hoofd leeg. Gedachten komen pas weer op gang als je op je werk bent, maar dan zijn ze niet meer vrij.


Auto’s zijn anders, want één auto bestaat niet. Auto’s komen en gaan in onafzienbare massa’s. Een constante achtergrondruis als de snelweg ver weg is, een constante dreun met gierende boventonen als de snelweg vlakbij is. Of autoweg, want ook die zijn stuk voor stuk verkeersinfarct geworden. Er zijn in Nederland haast geen plekken waar je geen snelweg hoort. Het Fochtelooërveen, maar daar hoor je vliegtuigen. Nationaal Park de Hoge Veluwe idem dito.


Vaak ben ik dankbaar, want de versmelting van mijn ei- en zaadcel vond toevallig in Europa plaats, en daarom zit ik nu te peinzen over een stukje voor de weblog, terwijl anderen peinzen over hoe ze morgen aan eten komen. Wat heb ik te klagen over die paar auto’s elke dag? Het probleem is dat feit van elke dag. De hele dag, en elke volgende, is er die achtergronddreun als soundtrack van onze beschaving, en ’s ochtends als je nog even de illusie in stand wil houden dat het stil is, komt dat brommertje.


Ik wil een autoloze zondag. Een keer per kwartaal, vier zondagen in lente, zomer, herfst, winter. Er zijn helaas ook een miljoen of 15 mensen die dat niet willen. Spui ze maar die onoverkomelijke bezwaren. Sportbonden beweren dat hun competities onspeelbaar worden, meubelboulevards die zondag open zijn kunnen wel opdoeken, pretparken failliet, Stichtingen Koopzondag lopen te hoop in elke Nederlandse stad. Onbespreekbaar. Onaanvaardbaar. Een economische ramp, want in plaats van 2.5 procent groei maar 2.4. Autorijden moet, 7*24.


Dus gebeurt het niet. Mijn hele leven lang zal het geluid van de verbrandingsmotor mijn gedachtestroom blijven ontregelen. Eraan wennen kan. Ermee leven ook. Maar soms schreeuwt een stem stil in mij en dan verstomt het verkeerslawaai verbaasd. Voor een onderdeel van een seconde.

17 juli 2006

Lijdinggevende

Als het gaat om mailtjes op je werk, is het aantal spelfouten dat in die mailtjes staat, omgekeerd evenredig met de functie van de verzender, met andere woorden, de mailtjes van de portier zijn foutloos en mailtjes van managers barsten van de spelfouten.


In mijn bedrijf geldt deze regel, en natuurlijk zou het kunnen dat mijn bedrijf een uitzondering is, wellicht zet mijn bedrijf expliciet in vacatures voor managers dat correct spellen niet tot aanbeveling strekt, maar ik denk van niet.


Ik heb het niet over af en toe een foutje, ergens een missertje in een grote lap tekst. Ik heb het over mailtjes met drie regels tekst waar vier fouten in staan. Het gaat om een aantal keuzes tussen –d, -t of –dt op een rij, en geen enkele keer is de goede keuze gemaakt. Tikfouten zijn op zich niet zo erg, dat overkomt iedereen (iederene), maar als er zes keer zo’n fout in één zin staat, en dat komt voor, dan gaat dat erg afleiden.


Een concrete spelfout in een mailtje die ik me nog kan herinneren (de inhoud van het mailtje ben ik totaal vergeten) is het woord “nieuwschierig”. Zo’n fout is niet een verkeerde keuze uit moeilijke alternatieven. Nee, je bent of dyslectisch, of je hebt altijd vliegtuigjes zitten vouwen bij het vak Nederlands, want je hebt geen benul van woordsamenstelling en woordontleding. Voor mij doet zo’n fout gewoon zeer; ik zou hem alleen kunnen maken als fouten maken mijn doel is.


Ik zit vijf schalen lager dan deze manager. Het is ook geen buitenlander. En ik heb 12 jaar Nederlands gehad, dus ik denk hij ook.


De oplossing voor mensen zonder taalgevoel is simpel, gewoon even de spellchecker eroverheen. Ik hoor meteen het bezwaar uit de zaal dat dit lastig en omslachtig is, want dat bezig zijn met mail kost sowieso al veel te veel tijd, met name voor managers.


Okee, als je in mailwisselingen af en toe een klein foutje maakt, dan laat je wat mij betreft de spellingcontrole achterwege, want af en toe een foutje leidt niet af. Maar als je niet weet of het kut, kud of kudt is, dan vind ik spelling controleren verplicht. Want jij wil toch dat wij ondergeschikten nadenken over de inhoud van jouw mail in plaats van over de vorm?

Dat stond niet in de folder

“H… het hiernamaals?” stotterde ik beteuterd.


Wat ik me nog kon herinneren was een val van de fiets, een beetje lullige val wel, zeker voor iemand die zo vaak fietst als ik. Ik was op een smal betonnen pad dat met een scherpe rand overging in een heideveld, en mij kwam een vrouw tegemoet, wel een leuke vrouw om te zien, leuk genoeg om naar om te kijken. Nadat ik weer voor me keek, zag ik inderdaad mijn band angstig dicht bij die scherpe rand en de daaropvolgende schrikbeweging maakte het erger in plaats van beter. Ik kwam inderdaad in dat heideveld terecht en inderdaad viel ik toen. Maar zo hard?


“Leven na de dood, Gene zijde, Paranibbana,” somde de man aan de andere kant van het bureau verveeld op. Het was een man met een korte grijze baard en voorzover hij nog haar op z’n hoofd had, waren ze wild en grijs. Hij had een opengeslagen laptop voor zich waar hij daarnet op had zitten tikken.


“Betekent dit dat ik dus nu in de hemel ben?”


“Dat staat nog te bezien,” antwoordde de man. “Misschien kun je om te beginnen even je personalia opgeven, en in het kort de omstandigheden schetsen die tot je dood hebben geleid.…”

Ik vertelde hoe ik op Aarde heette, hoe oud ik was, waar ik gewoond had en wat ik wist van de val van mijn fiets. De man knikte bij alles wat ik zei, en zei toen ik uitgepraat was tevreden dat er geen verwarring mogeijk was, overduidelijk zaaknummer 242.133.AC.449.B-148.3.

“Eh..”

“Let er niet op, administratief nummer. Ook in de gene zijde beginnen we niks meer zonder computers, dus hebben we nummers nodig. Nou, jij bent dus Ernie, en ik ben dus Bert. Op Aarde beter bekend als God.”

De man begon luid te lachen op mijn beduusde gezicht. “Grapje,” riep hij uit. “Flauw, maar een grapje helpt vaak om het ijs wat te breken.”


“Oh God was een grapje,” lachte ik opgelucht.

“Nee Bert en Ernie was het grapje, natuurlijk,” zei God. “In de hemel heb ik een naam die voor een aardling niet uit te spreken is. We spreken namelijk een klanksymfonie op mentale energiestromen, maar met details daarover zal ik je nog niet vermoeien. Er is wel één voordeel aan tot de hel veroordeeld worden, de Duivel personifieert zichzelf tot een donkere spiegel van jouw ziel, en spreekt vervolgens gewoon jouw taal.”

Van dat tot de hel veroordeeld worden ging ik niet vrolijker kijken. Betekende dit soms dat…

“Ja,” zei God vrolijk. “Je bent hier om geoordeeld te worden. Er zijn twee oordelen mogelijk: Hemel of Hel. Het vagevuur bestaat helaas niet, dat is een raar verzinsel van katholieken. Vroeger had ik hier mensen die een aflaat kwamen laten zien en dan dachten dat ze mochten doorlopen.”


Terwijl de man die zich God noemde luid lachte, en daarbij wild op zijn stoel heen en weer wipte, voelde ik aan de ene kant de opwinding, omdat alles dus waar was, de leer van het Christendom, datgene wat in de Bijbel stond. Aan de andere kant voelde ik me als vroeger op school bij onaangekondigd proefwerk terwijl ik niks geleerd had. Sinds mijn vijftiende had ik mij om God noch gebod bekommerd.

“Ik ben op mijn manier met geloof bezig geweest, met spiritualiteit. Ik weet wat goed en kwaad is, sterker nog, ik heb nooit een serieus misdrijf begaan. Ik heb nooit andere mensen moedwillig pijn gedaan. Ik heb altijd geprobeerd me in anderen te verplaatsen, hun gevoelens niet te kwetsen….”

“Ach hou toch op,” zei God korzelig. “Ik heb hier al zoveel miljoenen gelovigen gehad die dachten dat ze beter geloofd hadden dan anderen, en dus recht hadden op een plek. Jehovagetuigen zijn nog wel het ergst. Hun eigen geloof zegt dat ik maar 144.000 plaatsen zou hebben, maar ik zou toch nog steeds almachtig zijn???, maar omdat ze hun hele leven andere mensen hebben lastig gevallen vinden ze dat ze recht hebben op zo’n schaarse plek en of ik ook alvast voor hun vrouw en kinderen wil reserveren?”


Schoorvoetend gaf ik aan God toe dat als het op geloven in mijn vorige leven aan kwam, ik niet echt een goed verhaal had. Maar de bijbelse beschrijvingen over hoe het in de Hel toeging, waren nou niet direct aanlokkelijk.

“Gelukkig voor jou komt het ook niet op geloven aan,” antwoordde God.

“Waarop komt het dan aan?” vroeg ik nogal voorzichtig, want misschien was elk woord wat ik zei wel verkeerd.

“Neem de persoon in gedachten die je daar beneden kende, en die je straks als eerste persoon zult missen. Vertel aan mij waarom deze persoon naar de Hemel zou moeten. Als ik dat een mooi betoog vindt, mag jij naar de Hemel en hij of zij later ook. Anders heb jij pech, en jouw persoon zal later zelf een mooi verhaal moeten houden.”


Jeetje. Ik dacht na en begon te stotteren, maar hield weer op. Vervolgens beklaagde ik me bij God over deze opdracht die toch wel erg moeilijk was.


“Daar zit wat in,” antwoordde God. “Okee, ik maakte maar een grapje. Noem een getal onder de 10. Als dat het getal is dat ik in gedachten heb, mag je naar de Hemel en anders moet je naar de Hel.”

Ik protesteerde weer, want nu was de kans om in de Hemel te komen heel klein en volkomen willekeurig. God lachte weer luid, maar deze keer wel wat vreugdeloos.

“Dat ik van meritocratie hou, is jouw aanname,” zei God. “Jouw generatie denkt dat wel vaker, maar een paar handvol millennia daarvoor dachten ze daar heel anders over.”

Ik knikte begrijpend en stond wat bedremmeld voor het bureau van God. Dat oordelen over Hemel en Hel was helemaal niet zo leuk.


“Ga nog maar even terug naar de wachtkamer,” zei God toen zacht en voor het eerst gleed er een lach over zijn rimpelige gezicht. “Zowel Hemel als Hel zijn eeuwig, dus het is helemaal niet erg om even na te denken. Als je uitgedacht bent, kom je terug en praten we verder.”

Ik bedankte God en maakte rechtsomkeert, terug naar de kamer waar ik zojuist wakker schrok uit wat een hazenslaapje had geleken. Er was iets lichts in mijn stap, iets wat me het gevoel gaf dat het zodadelijk tussen God en mij wel goed zou gaan komen.

16 juli 2006

Luchtballon

Juli en Augustus zijn de maanden van de luchtballon. Drie, vier stippen ver weg in de blauwe lucht, op een zwoele, heldere avond nadat de wind is weggevallen. Soms zijn ze dichterbij. Ze drijven te snel op de wind om ze bij te kunnen houden, afgezien van het feit dat ze het weiland nemen in plaats van de weg, en slootjes en kanalen zijn voor hen geen barrière.

In stilte trekken ze over je heen. Tot ze de vlam aanzetten, want dat maakt best herrie.

Als ze over een dorp trekken, zijn ze een bezienswaardigheid. Met handen boven ogen wordt de ballon nagekeken. Ze zijn een onverwacht verzetje in een bestaan dat van wieg tot graf gepland is.

Hoewel, er is geen tegenstelling tussen ballonvaren en het bestaan, er is analogie. Hoe ontnuchterend voorspelbaar is de weg die een ballon gaat, want het is exact dezelfde weg als die van de wind. Alleen weet je nooit hoe zodadelijk die wind waait. En daarnaast zit je nog met het moment van neerkomen, wat nogal ongewis is, en neerkomen komt altijd slecht uit, maar als je net boven een meer, een snelweg of een mestvaalt zit, komt het nog wat slechter dan slecht uit.

Wat ik nooit begrijp, is waarom honden zo opgewonden raken van een ballon. Als gekken blaffen ze zo’n ding na. Waarom doen die beesten dat, want voor andere dingen die in de lucht voorbij komen hebben ze toch helemaal geen belangstelling? Is dat omdat de mensen de ballon nakijken, of is het vanwege het geluid van de vlam, of is het wat anders.

Misschien kun je zo’n vraag wel stellen in zo’n hondenprogramma van Martin Gaus. Dan moet je schrijven. Hoewel, tegenwoordig moet je waarschijnlijk SMS’en naar 0900-DIERENVRIEND.

Nep de zoekmachine

Ze at haar mango redelijk zonder druipen, en terloops moest ze ervan aan seks denken. Dat gebeurde wel eens vaker als ze in het park liep. Haar walkman speelde Britney Spears en er liep een meisje langs dat op haar leek. Een man liet z’n hondjes uit. De walm van het frietkraam, een miezerige puntzak voor 2,50, verpestte de geur van de bomen die bovendien gratis was. Via gratis dwaalden haar gedachten naar de dikke bekeuring die ze laatst had gekregen voor foutparkeren. Een meisje kwam hijgend langs, haar tieten op het ritme van haar zware pas voortdurend fout geparkeerd.

Wees toch niet zo seksueel bezig, vermaande het haar trutje in haar. De naakte waarheid was natuurlijk dat ze geen vriendje meer had. Vroeger was ze minnares en stewardess, nu alleen nog dat laatste. Free your mind, schetterde het op haar hoofd, en ze bewoog mee tot ze schrok want de muziek viel even weg met een luide tik. De MP3 was niet goed. Misschien stoppen met downloaden en weer gaan kopen. Veel te duur. En zonde, want ze snapte het programma nu. Bij het oversteken van de weg liet ze een jogger voor. Eigenlijk was er helemaal niks aan, maar ja die knoppenangst. Het verkeerslawaai overstemde nu de muziek. Veel te drukke straat. Maar als je aan deze straat wilde wonen, betaalde je wel 1300 inclusief. Ze kwam langs het trappenhuis en zag de serie bellen en nummers. Af en toe een zonder naambordje.

Was ik maar zo rijk dat ik hier kon wonen, dacht ze, en vervolgens dacht ze doe anders maar een nieuw vriendje.

15 juli 2006

Nordic Walking

Je ziet het vaak de laatste tijd, vaak genoeg om van een trend te spreken. De grijze, van vroegpensioen genietende medemens in de weer in de natuur, wandelend met langlaufstokken waar hij of zij mee zwaait in het ritme van de pas. Was deze medemens tijdens zijn werkzame leven met geen stok de deur uit te krijgen, nu met twee stokken is het dan toch gelukt.


De ultieme hobby van de babyboomer. Als je zwemt in het geld is het zo crisisjaren om een hobby te hebben die geen geld kost. Maar als we aan dat wandelen van vroeger nu eens een langlaufdimensie toevoegen dan klinkt het al interessant, en doe er een lesprogramma bij en dat vervelende kostenaspect is ondervangen. Die les wordt steevast gegeven door een ultraslanke blondine, behalve op voorgevelhoogte, want daar is uit de catalogus van de plastisch chirurg deze winter met succes type “Twin Peaks” aangebracht. Zij loopt voorop, borsten vooruit mooi te zwaaien met die stokken en op mooie dingen te wijzen in de natuur, terwijl de meute met bij hun SUV passende lijven, hijgend met open mond, dronkemansslingerend met die stokken erachteraan paradeert.


Rita Verdonk, moeder aller babyboomers, schijnt het leuk te vinden. Doordeweeks terug naar het land van herkomst en in het weekend terug naar de natuur. Ik zie een patroon.


Maar behalve de vraag waarom je geen luisteraars op feestjes trekt als je wandelt maar wel als je aan Nordic Walking doet, geen kritiek hoor. Voor de volksgezondheid is het beter dat de categorie er-moet-minstens-30-kilo-af met stokken gaat wandelen in plaats van hardlopen of fitnessen, want dat trekt dat aderverkalkte hart niet. Hopelijk maken de Nordic Walking beoefenaars in de toekomst minder aanspraken op zorg, want dan gaat de premie omlaag.


Ik zie een win-win situatie (bingo!).


Ik betaal minder premie en zij die een bos tot nu toe alleen vanachter de autoruit kenden, kunnen ontdekken dat het er lekker ruikt en dat je de wind en zon voelt.

13 juli 2006

Woordgrap

De Nederlandse voetbalwereld wilde Kalou naturaliseren. Ik snap niet dat de Duitsers geen poging hebben gewaagd met Wiltord.

Wiltord? Dat is toch helemaal geen bijzondere speler, leuk voor op de reservebank, en af en toe een kwartiertje speeltijd.

Spreek z'n naam maar eens uit op z'n Duits, dan snap je misschien waarom hij die Mannschaft wereldkampioen had kunnen maken.

Nader tot u

Ik slenterde naar het eind van de gang met de glimmende vloer die desondanks donker was. De muffe geur van een of ander narcosemiddel, en wat vager een algemene geur van verval en bederf, was nergens helemaal weg. Bij het passeren van een open deur werd de geur onpasselijk sterk, maar het geluid van de televisie (goh, wordt er gevoetbald vanmiddag?) overstemde andere zintuigen. Oh nee, het was het de commentator bij de wedstrijd èn een oud mannetje in de kamer zelf, die met krakende stem zijn kameraad de les las over een of ander ding des levens. Een zuster stond erbij en keek er naar, en ze zag eruit alsof ze op een onbewaakte moment de platspuitende spuit erin zou gaan zetten.


Het werd weer stil, en achter de open of halfopen deuren lag of zat hier en daar iemand in bed. Best leken ze er niet aan toe, maar ze zagen er stuk voor stuk beter uit dan mijn vader. Deze mensen bleven nog wel even leven.


Nu liep ik weer terug, automatisch schoorvoetend, want in de kamer waar mijn vader naar zijn allerlaatste adem lag te snakken, wilde ik eigenlijk niet terug. Maar ik moest. Het idee hier in deze leegte te wachten tot mijn zus me kwam vertellen dat hij eindelijk gegaan was, was ook niet te verdragen.



Eindelijk? Drie dagen geleden riep hij nog rond, luisterde hij nog radio, en praatte hij nog met ons, betere gesprekken dan ooit.


Mijn zus kwam naar buiten, twee meter voor ik weer naar binnen wandelde. Ik breidde mijn armen uit en ze drukte zich tegen me aan. Ze was overal keihard van spanning. Niet omdat mijn vader al dood was. Mijn zus zei dat we naar de zuster moesten gaan om te vragen of ze niet nog wat meer morfine kon geven, en dan bedoelde ze iets te veel morfine.


Regelen, dacht ik, moet je alles dan regelen tot de laatste snik? Rationeel hield ik de mogelijkheid open dat we hier nog een paar dagen zouden kunnen rondlopen, luisterend naar het snakken naar adem van mijn vader. Gevoelsmatig wist ik dat we naar het einde holden. Ergens voelde ik dat mijn vader al naar die tunnel holde, je weet wel die met het licht aan het eind.


Een kwartier later gaf de zuster nog een morfine-injectie, min of meer opgejaagd door mijn zus. Nog weer een kwartier later kwam ze ontsteld om de hoek kijken, want het was afgelopen.


Zou zij later last hebben gehouden van de gedachte dat ze mijn vader met haar spuit de dood heeft ingejaagd?


Verwijt jezelf niks, meid. Hij was niet meer te stoppen. Nadat het zo lang had geduurd voor pa de goede weg vond, had hij haast gekregen en zette er flink de sokken in.

11 juli 2006

Kick off

Anderhalf, twee uur lang waren we bezig geweest. Een klus die zowat een jaar was blijven liggen wegens te weinig prioriteit, te vaag en te lastig, stond opeens in de steigers, en leek nu binnen een maand of twee af te kunnen zijn. We leunden tevreden achterover, en spraken allebei in onze eigen woorden de hoop uit dat we de klus vanaf hier tot een goed eind konden brengen.

We keken tegelijk door het kleine raam de grote zaal en zagen daar niemand meer. “Else is er nog wel,” zei jij, “En misschien Dirk of Bram.”

Toen keek je mij aan en zei je “Maar hier zullen ze niet komen.”

“Er komt hier niemand meer?”

“Om deze tijd komt hier niemand meer,” antwoordde je, en jouw been kwam vanonder de tafel naar mijn been en jouw knie, verpakt in een artistieke lichtgebleekte spijkerbroek, met op de kontzakken lijnmotieven in precies de bruine kleur van je haar, raakte me even aan. Terwijl ik je rook, het lekkere van jou rook, maar ook je zweet, straalde de warmte van de kamer naar mijn wangen, althans, zo kon je het uitleggen. Ik keek in je wat zwaar opgemaakte gezicht en zag die volle lippen van je, en ik zag jouw grijsgroene ogen heel even attent en intens naar mij kijken, en die lippen van jou die smachtten.

Althans, zo leek dat heel even, en natuurlijk was dat maar een verdwaalde gedachte of een momentje van zwakte van jou geweest, en was het helemaal niet de bedoeling dat… En toen zoende ik je, en ik deed alvast mijn ogen dicht, om het verstrakken van je gezicht niet te hoeven zien. Sla me maar, dacht ik brutaal, sla me maar bij jou vandaan. En zet maar een keel op als een viswijf.

Maar je beantwoordde de aanraking van mijn lippen met de jouwe met een verschrikte, maar hete ademtocht, en haastig beantwoordde je mijn kus. Hijgend van schrik of van opwinding of van allebei gleed mijn tong langs die van jou, en we zoenden als gekken, terwijl jouw handen langs mijn benen gleden en mijn handen als antwoord jou omhelsden, langs jouw veelkleurige bloes trippelden, zodat jouw gebruinde middel tot en met navel bloot kwam.

Van weeromstuit stond je half op en je stoel viel met een luide bons opzij. Samen keken we verschrikt door dat raam om samen in een nerveuze lach te schieten toen daar niemand opdook. We stonden tegenover elkaar en onze ogen verslonden elkaar als roofdieren, maar ik denk dat ook jij in een vlaag van gevoelsverbijstering dacht dat het misschien niet verstandig was om…

“Dit is wel een beetje vreemd,” zei je, en ik zag de twijfel in je plotseling wat donkere, ietwat gefrustreerde ogen.

“Dit is verdomde lekker,” antwoordde ik, en het klonk even brutaal als gemeend. Je stond stil toen ik me wat voorover boog, en je bleef stilstaan toen ik een paar stapjes zette en vlakbij jou kwam.

“Ja, dat is het,” zei je, en jouw lippen en tong vielen de mijne aan, terwijl ik jouw lichaam opving en met mijn handen gulzig jouw heerlijke kont greep.

10 juli 2006

Hoornseplas

Nooit gesnapt waarom de patatttent op het naakstrand staat. Ik krijg echt niet meer zin een frikandel speciaal te bestellen wanneer er zo’n zongebruind type vol zwembanden voor je staat, en zijn frikandel – verre van speciaal – bungelt alvast boven de currysaus.

Zidane

Van zelfs een groot voetballer, zeer ervaren bovendien, kan kennelijk niet verlangd worden dat hij zich te allen tijde beheerst. Zo vreselijk zijn dus de teksten die je naar je hoofd krijgt, en/of zo gemeen word je genippleswitcht of anderszins betast. Zo’n Materazzi is een onderontwikkelde rabauw (hoewel hij ook kan voetballen), en dat weet iedereen, dus ik zou zeggen, concentreer je op de wereldtitel die je wilt en neem je voor dat je tot 10 telt als zo’n figuur domme teksten roept over je moeder of je afkomst of allebei.

Dat deed Zidane ook, tot 10 tellen. En daarna deelde hij die kopstoot uit. En over één of twee of twintig jaar, als het over deze finale gaat, dan zal het begeleidende beeld die kopstoot zijn.

07 juli 2006

Kennismaken

Je schrok van me.

Je schrok je zelfs wezenloos, en gek was dat niet, want het was zowat nacht en ik droeg een vies T-shirt, had me twee dagen niet geschoren en ik rook naar de warme lange dag. Niet bepaald gekleed op een kennismaking. Misschien juist daarom dat het kennismaken moeiteloos overging in een beetje flirten, want omdat ik er als een vogelverschrikker uit zag, maakte ik geen schijn van kans en dus durfde ik grappig en onderhoudend te zijn.

En dus belandde ik bij je op de bank, vol met kattenharen, dus vijf minuten later zaten mijn ogen vol tranen en klonk mijn stem stipverkouden. Je zat maar te giechelen. Allejezusnogaantoe, wat was dit een aanfluiting, dacht ik en ik zei het zelfs. We maakten de wijn op, en ik had nog een fles en die heb ik ook nog opgehaald. We dronken en lachten, allebei steeds harder. Op een gegeven moment zat ik stil – dacht ik tenminste – en ik zag jou voor mijn ogen heen en weer golven, een erg mooie vrouw, een grappige meid gewoon, en ik dacht als ik je probeer te zoenen dan werkt dat als een olifant met een grote snuit die het hele verhaaltje uitblaast. Je scheldt me gewoon verrot als ik het doe.

Later bij de deur, toen je inmiddels op veilige afstand van je bleef, zei ik tegen je dat ik het zou kunnen doen, jou zoenen, en jij lachte, maar nu was het niet uitbundig en ongegenereerd, maar gereserveerd en beleefd, zoals een keurig net meisje hoort te doen als er tegen haar gepraat wordt.

“We moeten nog maar eens afspreken,” zei je uiteindelijk, en ik zei da’s goed en ik lachte jou weemoedig welterusten want ik wist net zo goed als jij dat we nooit meer zouden afspreken.

Een nieuwe niesbui vanwege die rotkatten maakte een definitief eind aan onze ontmoeting. Van die dag af zeiden we elkaar beleefd maar zonder enthousiasme gedag, en altijd liepen we daarna door.

De humor ligt op straat

Ik krabbel weer overeind en stof mijn kleren af. Waar was ik ook al weer? Ik herken de straat, natuurlijk want ik woon hier al jaren, maar waarom ben ik er, en waarom ben ik er nu? Ben ik ergens naartoe op weg of kom ik ergens vandaan?

Je stem klinkt achter me, een toon een timbre waardoor ik me naar je omdraai. Ik heb verstaan dat je om geld vroeg, en nu ik je aankijk, vragend of onderzoekend of wantrouwig, ik weet het niet, verklaar je me waarom, een hele geschiedenis met pech en slechte vrienden, nog meer pech.

Het kijken naar jou is slecht te verdragen, want ik vind je mooi, blond haar in warrige halfnatte slierten rond een bleek gezicht. Een ingevallen gezicht dat ook, vol vieze vegen, en ook verder ben je vies, inclusief je kleren die je verraden dat je een maand of wat nog wel geld had, of misschien belazerden die vrienden je toen nog niet.

Goed beschouwd ben je behoorlijk vergane glorie, is mijn harde conclusie, die ik natuurlijk niet hardop uitspreek.

Ik zou naar je willen blijven kijken, maar ik durf niet. Ik kijk in mijn portemonnee, me ervan bewust dat je dichtbij me staat en dichterbij me komt, zodat ik mijn portemonnee nog wat steviger vast hou. Ik vertrouw je voor geen cent, maar ga je 2 Euro geven.

“Als je er nou nog een Euro bij doet dan ben ik klaar voor vanavond…”

Geef ze een vinger, denk ik, maar dan zie ik je blauwe ogen flets naar me kijken, proberen om er sympathiek en betrouwbaar uit te zien. Je maakt me onrustig, dat behaagzieke in je ogen, iets wat oprecht in me geïnteresseerd lijkt, maar dat iets duurt precies totdat ik je het geld gegeven heb.

Ik zou je kunnen vragen met me mee naar huis te gaan, eerst onder de douche en dan onder mij, en aan die droge gesprongen lippen ontsnapt een wezenloze kreun terwijl die ogen niets meer zien en ik jouw en mijn lichaam gloeiend heet voel worden en voel sidderen van opwinding… Voor hoe veel zou je meegaan en doen alsof?

Nee, het is beter zo. Ik kijk je nog even na als je met 3 Euro in je vuist geklemd de weg over rent, de hoek om op weg naar het slaaphuis, of de drugsdealer, maar wat maakt het eigenlijk uit?

Het geld dat ik je gaf, had ik sowieso niet nodig. En jij had het sowieso tekort.

Balkenende 3

Eindelijk, eindelijk, eindelijk zijn we van Balkenende 2 af. Lang verwacht, stil gezwegen, nooit gedacht en toch gekregen, de ondergang van het kabinet. Eindelijk, eindelijk, eindelijk. We mogen weer stemmen!

Maar nee hoor, dat mogen we helemaal niet. In plaats van dat we mogen stemmen, krijgen we Balkenende 3. Het is maar voor eventjes hoor, alleen even begrotinkje maken en een belastingplan, want het is vreselijk belangrijk dat wij dat doen en niemand anders, want dan kunnen we snel nog wat cadeautjes uitdelen aan de achterban. Mensen die wat hebben, die geven we er nog wat bij, en we hebben nog vier maanden om de mensen die niks hebben weer met calvinistisch enthousiasme daarvoor te veroordelen.

En als niemand kijkt, zorgen we dat de A6-A9 erdoor komt, je weet wel die file-opstelstrook onder het Naardermeer door. Misschien lukt het om in het kader van terrorismebestrijding nog een wetje te maken dat de persoonlijke vrijheid indamt (voorstel: iedereen die er een blog op na houdt met links gezwam, wordt preventief geregistreerd). Als het echt meezit, kunnen we het homohuwelijk of abortus nog afgeschaft krijgen, en is hasj roken weer illegaal, zodat al dat blauw op straat ook wat te doen heeft.

Niet dat ik vreselijk veel verwacht van die verkiezingen of dat nieuwe kabinet. Het is zonneklaar dat 51% van Nederland op z’n geld wil gaan zitten, en vervolgens met behoud van al dat geld lelijk, zuur, intolerant, en bovenal stokoud wil worden, en de 49% die zou willen dat Nederland zich blijft ontwikkelen heeft het nakijken. Maar die ene kans om te zeggen dat ik het niet eens ben met de prioriteiten die gesteld worden, wil ik onderhand wel weer eens hebben.

Gelukkig beginnen de babyboomers over een jaar of 10 met doodgaan, en als ze nog eens 10 jaar later een ruime minderheid zijn, gaan we eindelijk, eindelijk, eindelijk eens iets doen aan wat ons werkelijk bedreigt, namelijk dat ons land onderloopt en onze lucht niet meer in te ademen is. Misschien is het dan nog net niet te laat.

Maar de komende vier maanden is het beste wat we mogen hopen dat de tijd stil staat, maar ik denk dat we de wijzers van de klok hard richting jaren 50 zullen zien gaan.

01 juli 2006

Eenzaamheid

Het is een gevoel dat zeker niet prettig is, maar puur onplezierig is het ook weer niet. Het is iets wat bij je is, en wat je mee moet dragen, nu zo onderhand al wel wat te lang. Het is ’s avonds thuis en klaarwakker, maar niemand kunnen bellen. Het is 0 comments bij een post. Het is wandelen of fietsen, en de kleine dingen zien, maar ze met niemand kunnen delen. Het is niemand die je kent, die van je weet, die waardering heeft of aanstoot neemt aan wat je doet.

Is het willen of kunnen? Niets met iemand kunnen delen of niets met iemand willen delen? Nee, natuurlijk niet. Natuurlijk wil ik delen. Er zijn uren per dag waarop ik graag zou willen delen… maar je moet het niet overdrijven. Het gevoel dat ze me op de lip zitten, ontstaat bij mij eerder dan bij anderen. En van alleen zijn word ik niet bang. Alleen maar van te lang alleen zijn. Het is de kunst om niet te lang en te vaak alleen te zijn.

Maar uiteindelijk staan we er alleen voor. Nee, ik sta er alleen voor. En wat de rest doet, is alleen interessant als ze in mijn vaarwater komen, en op z’n minst lijkt het, wek ik de schijn, dat niets in mijn vaarwater mag komen, ook de leuke verrassingen niet. Dus ligt eenzaamheid op de loer. Het is altijd dichtbij, en soms te.

Kwam jij maar eens te dichtbij.

Clicky

Clicky Web Analytics