28 januari 2007

Eine Schöne Schallplatte

Januari is nog niet voorbij, maar ik ben bang dat ik de beste plaat van 2007 al heb gehoord. Of ik moet daar blij mee zijn natuurlijk, want ik kan het hele jaar nog genieten van de beste plaat van 2007.


Ik heb het over de nieuwe plaat van The Shins, Wincing The Night Away. The Shins zijn misschien bekend van de film Garden State, waarin het nummer New Slang zit, en waarin Nathalie Portman bovendien zegt "The Shins will change your life".


Dat is misschien wat overdreven, net als mijn uitroep beste plaat van 2007 misschien wat overdreven is. In ieder geval voorbarig.


The Shins zijn qua sfeer te vergelijken met Belle & Sebastian, Death Cab For Cutie, qua klankkleuren ook Badly Drawn Boy. Misschien kun je ze een moderne Byrds noemen. Ze doen mij ook een beetje denken aan de veel te vroeg opgehouden Nederlandse band The Serenes.


Wat een fijne liedjes komen er langs. De basis is altijd een speelse gitaarloop van Mercer, en daaroverheen wordt met toetsen gevarieerd, en elk nummer gebeurt er weer wat anders. Lekkere pop in Australia of Phantom Limb, een druipsteengrotsfeer in Red Rabbits, pijn en kou in Black Wave en Split Needles, en uiteindelijk een hoopvol einde met A Comet Appears.


Ik heb de plaat nog maar drie keer gedraaid, maar dat was wel alledrie keren vandaag, en het gebeurt bijna nooit dat ik iets nieuws drie keer op een dag draai.


Terwijl ik dit schrijf, heb ik de plaat voor de vierde keer aangezet, en ik begin me af te vragen of Nathalie Portman niet gewoon gelijk heeft.

27 januari 2007

Ramkoers

Ik fietste in een stad die ik nauwelijks kende, op zoek naar het centrum. In eerste instantie was dat goed gegaan. Onder een snelweg en onder een ringweg door, en vervolgens via een brede weg verder de stad in. De bordjes zeiden rechtdoor en de markante kerktorens kwamen dichterbij.


Op een gegeven bereikte ik een eerste oude wijk, en ik besloot "binnendoor" te gaan, aangetrokken door een molen, een gracht en smalle straatjes, en dus minder auto's dan op de weg die ik verliet. Vervolgens ging er toch iets mis, want er was markt op straat – in vreemde steden in de zomer is er altijd markt op de straat waar jij net langs wilt – en omdat ik de weg niet wist, kon ik de juiste omweg niet vinden. Inmiddels reed ik door straten van een woonwijk, duidelijk nog geen centrum of geen centrum meer, en keek ik zoekend rond waar de kerktorens waren, en of er bordjes waren die me de goede richting aanwezen.


Het geruis vanuit een smalle zijstraat werd razendsnel hard. Ik keek rond en remde gealarmeerd af, maar lokaliseerde toen pas de zijstraat, en tegelijk begreep ik in een flits dat afremmen juist de verkeerde reactie was geweest, want ik was recht voor de zijstraat, en de auto die tamelijk hard vanuit de zijstraat aan kwam rijden, kwam nu recht op me af.


Ik twijfelde een onderdeel van een seconde tussen optrekken en wegduiken, maar geen van beide kon me nog redden. Vervolgens was ik het konijn dat in de koplampen staarde. Mentaal was het alsof ik film keek. Ik hoorde de auto afremmen, het geluid echode Dolby 5.1 in de steeg, en zag hem wat scheeftrekken. Hé, de auto ging me toch niet raken. Ik gaf een ruk aan mijn fiets, maar helaas, vlak voor de auto stil kwam te staan, raakte, schampte, de bumper mijn spatbord of bagagedrager of achterwiel.


En toen was het stil op straat. Mijn benen begonnen te trillen.


Terwijl ik afstapte en mijn fiets overeind trok om de schade te inspecteren, stapte een vrouw uit de auto. Ik lette niet op haar, want mijn eerste en nu even enige zorg was de vraag of ik verder kon fietsen zonder bij de fietsenmaker langs te hoeven. Dat zou heel fijn zijn, want ik had namelijk een afspraak op het station, en ik was al aan de late kant.


Ik probeerde de fiets heen en weer rijden, en hoorde geknars en voelde het wiel blokkeren. Ik keek op naar de vrouw en mijn allereerste door de adrenaline ingegeven neiging om eens even kritisch uit te pakken over de manier waarop ze uit dat steegje was komen racen, werd getemperd omdat ze zo bezorgd keek. Het was ook nog een aantrekkelijke vrouw, zo stelde mijn biologische beoordelingscentrum vast, dat ook in tijden van rampspoed en tegenslag onbekommerd bleef functioneren.


Ze wist natuurlijk niet wat ze precies geraakt had. Voor haar was de eerste en nu even enige zorg hoe ik eraan toe was.


"Met mij is alles in orde," zei ik. "Je hebt alleen mijn fiets geraakt."


Nadat ik het spatbord teruggebogen had, zodat het niet meer aanliep, testte ik heen en weer rijdend mijn fiets, en het leek erop alsof het achterwiel nog recht was. Niet of nauwelijks beschadigd, was mijn eindconclusie. Opgelucht wijdden we ons aan de schade die de auto had, maar ook dat viel allemaal wel mee. Een deukje in de bumper en een kras vlak erboven was het litteken dat de auto aan de ontmoeting had overgehouden, maar daar tilde ze niet zwaar aan. Ik zag dat de auto wel meer ontmoetingen had gehad.


Nu de aanrijding geregeld was, eind goed al goed, kreeg ik haast, want ik dacht weer aan mijn afspraak. Ik ging te laat komen. Ik hield al niet van laat komen, en nu had ik een afspraak waarbij te laat komen een wel erg slecht begin was.


"Ik moet even bellen," zei ik tegen de vrouw. "Ik heb namelijk een afspraak, en door dit gedoe…"

Ik begon in mijn fietstas naar mijn telefoon te zoeken, en terwijl ik dat deed, liep de vrouw terug naar de auto, want zij wilde ook bellen, want ze had ook een afspraak.


Ik tikte het nummer van mijn afspraak in. De vrouw kwam terug met haar handtas, en viste haar telefoon daaruit net toen die van mij begon over te gaan. Toen begon haar telefoon te spelen. Für Elise. Ze schrok er zo van dat ze het ding bijna liet vallen.

"Godverdomme," zei ze, en vervolgens keek ze schuldbewust, alsof ze normaal nooit vloekte. "Waarom belt er nou net iemand als ik zelf moet bellen," zei ze geërgerd. Toen keek zij opeens vragend naar mij, terwijl ik ongeduldig naar mijn toestel stond te luisteren, en me afvroeg waarom de vrouw aan de andere kant van de lijn niet opnam.


"Hallo," klonk het vervolgens vlak naast mij op straat en ook in mijn telefoon. Ik begon mijn verhaal. "Ja, ik sta hier in de stad, maar ik heb een ongelukje gehad met de fiets. Een aanrijding. Niks ernstigs hoor, maar ik kom dus wel wat later. Ik hoop dat je dat niet erg vindt."

"Nee hoor, is niks erg," antwoordde een prettige stem door mijn telefoon. Het was de eerste keer dat ik de stem hoorde van de vrouw met wie ik een blind date had. Het was wel gek dat naast me op straat de vrouw in haar telefoon hetzelfde zei, ook al met zo'n prettige stem. Ik keek op en zag haar glimlach, en ik denk dat het nog wel vijf seconden duurde voordat ik het ook door begon te krijgen.


"Dus jij moet ook naar het station," vroeg ik nog stom, nog steeds behoorlijk in verwarring.

"Ja ik moet ook naar het station voor een blind date," zei ze luid in haar telefoon, en ik hoorde haar prettige stem in stereo. "En ik ben ook een beetje laat vanwege een kleine aanrijding."


Toen moesten we allebei flink lachen en was het ijs gebroken.

26 januari 2007

De prullenbak

Ik ben nu een uur of wat aan het klooien geweest met een stukje, maar ik denk niet dat het nog wat wordt. Soms ontbreekt er iets aan het idee. Soms ontbreekt er iets aan de uitvoering. In dit specifieke geval ontbreekt er van alles aan de uitvoering. Tussen wat er vagelijk in mijn hoofd sprong toen ik het idee kreeg, en wat er tot nu toe op papier staat, zit een groot verschil. Een vermoedelijk onoverbrugbaar verschil.


Zo is het met elke weblog. Althans, dat neem ik maar even aan. Dat hoop ik maar.


Weblogs zijn ijsbergen. Je ziet een paar stukjes staan, soms een aardig aantal, soms zelfs enorm veel. Leuke stukjes zijn dat toch. Wat je niet ziet, is de afvalberg eronder. Doelloze opzetjes, niemendalletjes die nergens toe leiden. Ik haat het, die stukjes waar je wel een begin hebt maar geen eind. Een ontzettend spannend begin ook nog, maar om de een of andere reden kun je er toch niks mee.

En de volgende dag is het andersom. Op een raar moment, bijvoorbeeld wanneer je bezig bent je onderbroek aan te trekken, verzin je een geweldige clou, maar later als je achter je PC gedoken bent, lukt het niet om er een mooi begin bij te fantaseren.


Het is niet dat je een raar moment nodig hebt. Gewoon nog een keer je onderbroek aantrekken helpt niet. Deze keer blijft je hoofd helaas leeg, of liever gezegd, wel gevuld met van alles en nog wat, maar niet met dat lampje, dat hebbesgevoel, het gevoel dat me soms een tinteling van opwinding bezorgt. Als ik het zo doe, gaat het lukken, en het gaat ook kloppen.


De prullenbak is de basis van alle mooie dingen.

24 januari 2007

Rondingen

Twee mannen staan voor een raam en vertonen tekenen van opwinding. Dit kan maar twee dingen betekenen. Of er loopt een mooie vrouw langs, of er rijdt een mooie auto langs. In dit geval het laatste. Overigens, het was een mooie auto die voor het gebouw geparkeerd stond, waar de twee mannen, en ik ook, werken.


Een echte praalmobiel was het, tomaatrood, met aërodynamische lijnen, zo gracieus dat de ware autoliefhebber vermoedelijk zou spreken van subtiele rondingen. Zoals een paard benen heeft, heeft een auto rondingen, een echte auto tenminste wel.


Je moet bedenken dat bij het bedrijf waar ik werk, allemaal heel gewone mensen werken, met heel gewone salarissen (toch nog best hoog hoor, je hoort mij er in ieder geval niet over klagen). Geen salarissen waar je sportwagens van koopt, dus heeft iedereen een doodgewone auto, eentje met hoeken en bochten, en geen rondingen. Iedereen? Nee, één iemand heeft een eigen zaak gehad en die leuk verkocht, en die iemand werkt alleen nog voor zijn plezier, en diezelfde iemand is de bezitter van deze spiksplinternieuwe praalmobiel.


De derde man in de kamer (de vierde was ik) zei "Die auto die ernaast staat, is veel mooier." Het bleek al spoedig dat hij dit zei omdat het zijn eigen auto was. Het was een grapje. Een grapje waar een echte man om lacht.


Maar ik ga daar dan serieus over nadenken.


Stel, ik heb de keus tussen een auto waar ik een sleutel van heb, en waar ik dus in kan stappen en mee van A naar B kan rijden, en met een tankstop tussendoor kom ik ook nog wel in C. De andere keus is een of andere praalkar waar ik alleen naar mag kijken.


Natuurlijk kies ik de auto waar ik de sleutel van heb. Wat heb ik aan die praalmobiel? Als ik erin probeer te komen, gaat er een alarm loeien. Het plezier blijft dus beperkt tot kijken, aangapen, wat dies meer zij. Ik zou nog plezier kunnen proberen te beleven door een kras of een deuk te maken, zodat de eigenaar woedend is. Geen beter vermaak dan leedvermaak, zeggen ze, maar een beetje miezerig genoegen is het wel.


Het zou verstandig zijn dezelfde redenering te volgen wat betreft partnerkeuze. Om de een of andere reden lukt dat vaak toch niet helemaal.

23 januari 2007

Pronkjewail


Groningen - Radesingel 21-1-2007

21 januari 2007

En de branding riep...

(Ik dacht weer aan onderstaand verhaal nadat ik een knotsgek verhaal - Sprookje voor pluimvee - had gelezen op dit log van een misschien ook wel knotsgekke Vlaming. Ik moest er nogal om lachen, ondanks het feit dat het verhaal een paar keer tenenkrommend de bocht uit giert. Op de momenten dat dit gebeurt, springt de verteller zelf in het verhaal om vergoelijkend commentaar te geven op het uit de bocht vliegen.

Het verhaal hieronder is een beetje hetzelfde laken een pak. Het is uit ongeveer 1990 (Dirty Dancing was populair zo blijkt), en het bevat tenenkrommende momenten (ontdek vooral zelf wanneer), en het giert bochten uit. Toch ben ik er wel op gesteld.
)

Daar zat Wubbo nu in zijn zinderend hete duinpan. In de ene hand de onvermijdelijke fles whisky, en in de andere de al even onvermijdelijke joint. Waar hij ook keek, hij zag verdord helmgras, zand, en pollen hei, grotendeels vertrapt door kinderrijke Nederlandse en Duitse gezinnen. Hij luisterde, en hoorde krijsende meeuwen "Grüss Gott" roepende Duitsers overstemmen. De branding hoorde hij niet. Het enige wat ruiste in de verte waren drie straaljagers, op weg naar hun broedkolonie, om eieren te deponeren die nooit zouden uitkomen.

"So much for de vrije natuur", dacht Wubbo bitter. "Er rest niets dan naar het strand te gaan, roodbruin te verbranden, en bestookt te worden met volleyballen, slecht in het zand verankerde windschermen, en speels bijtende honden. Of hier blijven natuurlijk, en hopen dat ook de mieren en steekmuggen uitgestorven zijn."

Wubbo gromde en vleide zich ruggelings neer in de hobbelige smeltkroes van zand en afgestorven wortels. Om als door een wesp gestoken weer overeind te schieten, want hij was gestoken door een wesp. Hij vloekte hardop, en begon zenuwachtig de rode vlek vlak boven zijn elleboog te masseren. Het verdreef de smeltkroes van pijn en jeuk niet. Moedeloos keek hij naar zijn whisky. Er was te weinig over om nog dronken te kunnen worden. En van de joint merkte hij ook al niet veel. Verachtelijk snuivend keek Wubbo om zich heen, op zoek naar iets interessants, iets wat vooral niet plantaardig of siliciumhoudend was. Het enige wat in zijn blikveld aan die kwalificaties voldeed, was een half verscheurde plastic zak, die schuw haar reclameboodschap verborg achter een bosje wapperende duindoorns.

(Van der Meijden's stokpaardje: De allesoverheersende, allesverslindende roep der commercie, altijd weer door de natuur zelve , de enige rechtmatige moeder van onze existentie, tot de orde geroepen, aan banden gelegd - De Volkskrant)

Wubbo ging, na geverifieerd te hebben dat de grond thans insectenvrij was, opnieuw liggen, wendde zijn hoofd opzij, en liet de felle zomermiddagzon zijn bleke, bepukkelde linkerwang beschijnen. Hij wilde slapen, had hij zojuist besloten. Dan vloog die vakantie tenminste voor de komende uurtjes razendsnel om.
Hij werd wreed gewekt uit zijn eerste sluimering door het oorverdovende gebrul van een 750 cc off-the-road motor, die een regen van zand en organisch materiaal op zijn linkerwang liet neerdalen. Op de motor ontwaarde hij in het tegenlicht van de zon een vuurrood gehelmde, struise blondine, wier witte bloesje schrijnend ontoereikend was om de inhoud ervan op een enigszins discrete wijze voor Wubbo's ogen verborgen te houden. Haar scharlakenrood belipstickte mond glimlachte hemelsbreed, terwijl Wubbo ongelovig de slaap uit zijn ogen begon te wissen. Hij droomde niet, want hij voelde zand achter zijn oogleden prikken.
Het meisje wees naar de duo-seat, achter haar in stone-washed jeans gehulde achterwerk, waar nog plaats was voor minstens twee Wubbo's. Boven het lawaai van de nijdig pruttelende motor klonk haar schelle stem: "Ga je mee kanjer, een ritje maken?"

(De verworvenheden van vijfentwintig jaar feminisme zijn kennelijk nog altijd niet in het zieke brein van deze hersenloze macho doorgedrongen - Opzij)

Links was de zee, die onvermoeibaar bulderend tevergeefs bleef proberen het strand schuimend golvend te overweldigen. Rechts was het strand, verlaten en uitgestrekt. Voor Wubbo's ogen deinde weelderig menselijk vlees op en neer in het nijdige ritme van pogoënde schokbrekers. Wubbo hield het meisje krampachtig vast, om angstig in haar te knijpen als ze nog meer gaf gas, zodat de suizende wind zijn trommelvliezen naar adem deed happen.
Ze had al niets gemerkt van Wubbo's nederige poging tot conversatie aan het begin van de rit, toen het nog beschaafd rustig ging. Nu merkte ze niets van zijn gebaren die haar smeekten om wat langzamer te rijden, want zijn almaar wanhopiger geschreeuw waaide al weg met de tegenwind voordat de motor het kon overstemmen. Ze merkte niets van het bleker en bleker worden van zijn gezicht. De gevolgen van een kwart fles whisky, twee joints, honderddertig kilometer per uur en een navenant portie doodsangst deden zich gelden voorbij paal 27. Wubbo tikte als een wildeman op haar rug, maar ze verhief zich van de buddyseat, rechtop in de stijgbeugels, om een jubelend "Hiha" over het motorgeluid heen te laten krijsen. Vervolgens draaide Wubbo's maag zich driemaal om, waarna het zijn inhoud prijsgaf aan zwart leer en stone-washed katoen. Nu toch eindelijk gealarmeerd remde de blondine in vier seconden af van 130 tot 0, waarna ze zich verhief, om zich half om te draaien, en parelwit grijnzend in Wubbo's groenige gelaat te staren.
"Ze doen het allemaal", fluisterde ze verrukt, om vervolgens zijn futiel protesterende hand te grijpen. "Kom, zwemmen", brulde ze, en ze begon hem richting vloedlijn te trekken.

(Zuchtend legde ik het papier terzijde. Neerslachtig vroeg ik me af waarom Van der Meijden nooit heeft overwogen, om toch maar bij zijn vader in de zaak te gaan - De Telegraaf)

"Kanjer, kanjertje van me", klonk het lieflijk vanaf een verre, door nevels omsluierde planeet. "Mijn lief klein kanjertje, word wakker", klonk het hard door golven ruis. Wubbo sloeg zijn ogen op, en zag de blauwe lucht, van waaruit hemelsblauwe ogen hem bezorgd aanstaarden, terwijl een vuurrode helm in het ritme van een slijpplaat zachtjes op zijn hoofd bonkte. "Je bent gered", lispelde ze verrukt, "Ik heb een drenkeling gered. Ik krijg misschien wel een medaille". Haar rozegelakte nagels enterden zijn wangen. Haar armen omhelsden zijn loom tegenstribbelende kletsnatte lichaam, en trokken het langs de motor omhoog. Ze drukte een zoen vol op zijn verbaasd naar adem happende mond.
"Nu kunnen we een spelletje gaan doen", zei ze, en ze greep hem stevig vast.

(Na een wat traag begin spat deze meesterlijke novelle uiteen in een adembenemend vuurwerk - Playboy Nederland)

"Je hebt niet naar me gezocht," pruilde de blondine.
"Ik had geen zin meer. Ik voelde me doodmoe en ziek," antwoordde Wubbo schouderophalend, met een toch wat schuldbewuste blik.
"Je hebt niet naar me gezocht," herhaalde ze, koppig en huilerig, en haar blote voeten stampten venijnig in het natte zand.
"Ik heb wel naar je gezocht, heus wel hoor. Alleen geloofde ik op een gegeven moment niet meer, dat ik je nog zou vinden. Ik had al die verdomde duinpannen al gehad."
"Je bent geen kanjer. Je bent een miezer", zei ze, en ze stak haar tong naar hem uit. "Miezer", herhaalde ze op een pesterig toontje.
"Ja, ik ben een miezer", zei Wubbo gelaten. "En wil je me nu terugbrengen naar mijn camping? Ik heb schoon genoeg van dit verlaten strand."

(Leuk, best wel aardig, helemaal niet slecht. Maar gebeurt er ook nog wat in je verhaal? - De uitgever)

"Jazeker," stamelde Esmeralda.
"En het oliepeil, heb je dat gecontroleerd?"
"Jazeker," stamelde Esmeralda.
"Dan moet het kreng het toch doen. Probeer het nog eens."
Esmeralda zuchtte en trapte op de starter. Wubbo hoorde een nijdige grom, een plof, en nog een grom. Daarna hoorde hij niets anders dan de zee, die nu vlakbij in kabbelende golfjes ophield de zee te zijn.
"We zitten hier vast! Vast bij paal 28. Tien kilometer van de eerste duinovergang naar iets wat tenminste nog de schijn heeft van de bewoonde wereld, tenminste in een noodsituatie als deze."
"Noodsituatie?", zei Esmeralda vragend. Wubbo keek haar aan, en zag een ondeugend lichtje in haar plotseling smachtende ogen. Toen begreep hij alles. Hij begreep waarom hij weg was uit de bewoonde wereld, enkel vergezeld van een niet te krenterig geproportioneerde blondine. Hij begreep waarom ze een motor had, die zo hard kon rijden, en hij begreep waarom het een motor was die het nu plotseling, terwijl de benzine en olie niet op waren, het niet meer deed. Hij begreep alles nu.

(Voor de kijkers die wat later hebben ingeschakeld: U heeft nog niets gemist - Maartje van Weegen)

Voorzichtig speurden Wubbo's handen onder Esmeralda's bloesje naar meer, zachter, nog weelderiger vlees. Ze verzette zich niet. Integendeel, ze bewoog zich nog dichter naar hem toe, omhelsde zijn rug nog steviger, zocht zijn mond nog vuriger om hem nog een keertje nog langer te kussen. In plaats van haar tong naar buiten te brengen gaf ze een gil. Met ogen vol van plotselinge ontzetting liet ze Wubbo los, om twee, drie angstige stappen terug te doen. Ze staarde, voorbij Wubbo, in de richting van de zee. Wubbo draaide zich, nog hevig verhit, om, en verkilde. Want bovenop een strandpaal, een veertigtal meters verderop oprijzend uit de golven, zat een meisje van een jaar of achttien, met vuurrood wapperende haren, en een rank, delicaat geschapen torso, haar borsten discreet verborgen achter zeewier. Haar gouden schubben schitterden fel in de zon.
"Een zeemeermin," fluisterde Esmeralda ontzet.

(Tolstoi, Proust, Sartre en M. G. Schmidt, zij allen draaiden zich tegelijkertijd spontaan om in hun graf - Vrij Nederland)

"Ja zeg! Die Van der Meijden kan me wat! Die denkt zeker dat ik een triootje ga doen met een stuk klapkauwgom en een kleuter die naar zeewier ruikt."
"Ben ik een stuk klapkauwgom?", vroeg Esmeralda gevaarlijk achter zijn rug.
"Ik ben al zeventien hoor," zei de zeemeermin, die gracieus op de hoogste golf kwam aanspoelen, om zich aan de vloedlijn op haar zij in het zand te vleien, om zich eens even flink in haar neus te peuteren.
Wubbo zweeg verbluft. Zijn ogen vlogen heen en weer, van verontwaardigde blauwe ogen, naar onverschillig rondblikkende diepbruine vijvers.
"Hoe heet je?", vroeg hij tenslotte aan het zeemeerminnetje, die er boven de gordel zo adembenemend uitzag, dat zijn aanvankelijke woede inmiddels danig bekoeld was.
"Annie," zei het meisje, en kwispelde verleidelijk met haar vin.
Esmeralda barstte uit in hoongelach. "Wat een boerse naam voor zo'n jong godinnetje," voer ze uit, haar stem gedrenkt in dreigende jaloezie.
Wubbo keek naar Annie, en wenste plotseling, dat hij met haar de zee kon instappen, om onder te duiken, en samen te zoeken naar zeesterren en een romantisch, niet al te verrot en kwallen- en haaienvrij piratenschip, al eeuwen vergeten rustend op de bodem. Hij zette een stap in haar richting en herinnerde zich voor de tweede keer deze dag, dat hij niet kon zwemmen.
"Verdomme," zei Wubbo. "Geef me dan ook een elfje, of desnoods een zachtaardig trolletje."
"Een heksje, mag dat ook?", fluisterde Esmeralda in zijn oor, onplezierig hard.

(Ik distantieer me volkomen van dit verhaal - allebei de gebroeders Grimm)

Wubbo schopte achteruit, maar raakte niets dan lucht. Hij hief zijn handen ten hemel, alsof hij daar de adem verwachtte die hem door tien rozegelakte vingers uit alle macht benomen werd. Esmeralda siste in zijn oren boze woorden van oudste rechten, dijen of schubben, en ontrouw, en trok hem nog feller door het zand, in de richting van de bewoonde wereld. Annie was nergens meer te zien, niet in de zee, en ook niet op het strand.

(Dat geweld hebben we nu wel weer gezien. Hoe zit dat met de seks, Van der Meijden? - de uitgever)

"Lekker, lekker," stamelde Wubbo. "Oh, harder. Genees mij, meesteres."

(Oh... - de uitgever)





(Wat zit je daar nou suf te staren, Van der Meijden. Krijgen ze elkaar nu, of hoe zit dat? - de fronsende uitgever)

(Het was eigenlijk mijn bedoeling, nou ja, dat het dus zo'n beetje afgelopen was, nu - Maurice van der Meijden)

(I BEG YOUR PARDON? - de langzaam rood aanlopende uitgever)

(Nou ja, eerst was er dus die zucht naar het kosmische, het zuivere, platonische en etherische. De zon, de blauwe hemel, de duinen met heidestruiken, de vrije natuur, weet u nog? Nou, en toen dat dus onbereikbaar bleek, kwam, als in een droom die ook de werkelijkheid had kunnen zijn, of vice versa, dat is juist het intrigerende, het zinnelijke, de tweede drift. En toen werd het helemaal avantgardistisch, want toen ontmoetten de gedroomde werkelijkheid en de werkelijke fantasie, Esmeralda en Annie dus, elkaar in dezelfde dimensie. Nou, en toen dreigde de hoofdfiguur dus helemaal verstikt te raken in zijn nieuwe werkelijkheid, omdat hij dus niet meer kon uitmaken wat waarheid was of waan. Nou, en toen accepteerde hij zijn nieuwe realiteitsbesef, plotseling, zonder slag of stoot, wat niet minder is dan het opstaan uit een catharsis. Nou, en toen...)

(Toen ging jij achter je bureau zitten, en verzon een fatsoenlijk eind met rozengeur en maneschijn - de uitgever)


(Ja, meneer - Maurice van der Meijden)

Achter donkergrijze stapelwolken maakte de zon aanstalten om het daglicht vaarwel te zeggen. De zee ruiste gezapig, als een kinderlokker, bezig met het geruisloos schaken van argeloos jong wild. Het strand strekte zich uit in kilometers vredige eenzaamheid. In die eenzaamheid sjokten twee nietige gestalten, bij wie de kortstondige euforie, bij het ronden van paal 23, inmiddels weer was afgezakt.
"Sorry dat ik je zo paars heb laten worden daarstraks," zei Esmeralda, met een schuldbewuste blik opzij.
"Sorry dat ik je een stuk klapkauwgom heb genoemd," zei Wubbo, en keek haar nederig aan.
"Zand erover," zei Esmeralda verzoenend, om bevreemd op te kijken van Wubbo's proestende lach.
"Zand erover! Er is hier genoeg zand om alle conflicten voor altijd te smoren."
Esmeralda lachte samen met Wubbo een klaterende lach, die galmde in de luwende avondwind.
"Ik vraag me af waar Annie gebleven is."
Esmeralda's klaterende lach bestierf op haar lippen. "Annie? Die is allang teruggedoken naar haar Patrick Swayze in schubbenuitvoering."
"Je bent jaloers."
"Nee hoor. Met zo'n vin valt er toch niks te dirty dancen."
"Dat bedoel ik niet," zei Wubbo, en zweeg.
"Wat bedoel je dan goddomme wel?" krijste Esmeralda
"Je bent jaloers omdat zij vuurrode krullen heeft en jij Albert-Heyn-kleurspoelingblond bent," gooide Wubbo eruit. "Je bent jaloers omdat zij met peilloos diepbruine vijvers onschuldig de wereld inblikt, terwijl jij loenst met je lenzen van de kermis. Je bent jaloers omdat zij een slank en recht vinnetje heeft, en jij kromme bokkepoten. Maar toch houd ik van jou en niet van haar. Ha ha ha!"

(Het karakter van de tegenspeelster, luisterend naar het verrukkelijke Esmeralda, wordt eerst tegen het eind van het verhaal voldoende uitgespit om niet in een karikatuur te verzanden - Bzzletin)

"Net alsof jij een ridder op een wit paard bent," repliceerde Esmeralda fel. "Ongewassen sluik haar, pukkels overal, ingevallen wangen, ingevallen schouders, een bierbuik. En qua bokkepoten hoef jij de ketel al helemaal niet te verwijten dat hij zwart ziet."
"Okee," zei Wubbo, met een bezwerend handgebaar. "We zijn alletwee ongeschikt om hoofdrolspelers te zijn in een Bruna-boeken-top 10-roman. Het is niet anders. Ik had het kunnen weten, voordat ik eraan begon."
"Zullen we dan maar gewoon die Van der Meijden zijn zin geven, en een beetje romantisch gaan doen?", vroeg Esmeralda.
"Tja, dan zijn we tenminste van hem af. Maar die lippenstift van jou is hopelijk wel grondig op konijnen getest?"
"En die roos van jou ruikt toch hopelijk wel naar verse uien?"
Zowel Wubbo als Esmeralda veroorloofden zich een grom en een starende blik in het zand, dat almaar pijnlijker werd aan hun blote voeten.
"We moeten wat doen. Anders blijft die gek maar doorzeuren," mompelde Wubbo.
"Okee," zei Esmeralda, niet al te enthousiast. Wubbo greep haar wat onhandig vast bij haar schouders. Hij staarde in haar grote blauwe smachtende ogen en trok haar opzij, totdat hun beider blikveld evenwijdig was aan de zee. Een laatste straal fel zonlicht bescheen hun schemerige gestalten.
"Vanaf die duintop daar is dit wel een mooi shot," zei Wubbo.
Hun hoofden naderden elkaar in plotseling ontvlammende hartstocht. Hun eerste zoen smolt de onrust in beider harten. De weg was vrij voor pure, onbezoedelde, ontembare passie, in langzaam guller teugen aangevoerd door een zwoel opstekende avondwind. Een wind, die als vanzelf de vier kostbaarste woorden ontlokte aan in honingzoete romantiek versmolten lippen.
"Ik wil naar huis," fluisterden ze gelijktijdig.

(Hieraan verkwanselen wij nu ons regenwoud - Literair Weekblad)

20 januari 2007

Keuzevrijheid

Gijs keek op deze regenachtige en winderige zaterdagochtend uit het raam. Althans, zijn ogen keken in de richting van de straat. Of hij echt zag wat daar beneden gebeurde, was onduidelijk, want zijn gezichtsvermogen ging achteruit de laatste tijd. Zag hij de vrouw met kinderwagen? Kon hij zien dat ze blond was? Zag hij dat het rood van haar jas anders rood was dan het rood van haar sjaaltje? En zag hij dat haar jas een regenjas was? Kon hij haar gezicht goed genoeg zien om haar leeftijd te kunnen schatten?

Er was nu niemand bij Gijs om het aan hem te vragen. Er was meestal niemand bij Gijs.


Viereneenhalf jaar geleden overleed zijn vrouw. Zijn zoon kwam met zijn gezin nadien wat vaker, maar de laatste jaren was het meestal druk-druk-druk met de zaak. Met zijn dochter had Gijs geen contact meer. Dat was niet goed, maar het was niet anders. Het zou wel niet anders meer worden, want Gijs zou niet weten hoe hij de bestaande situatie moest veranderen. En zij had haar eigen leven, een leven waar Gijs te weinig van wist om er zich een goede voorstelling van te kunnen maken.


Gijs liep nu zo slecht. Hij was zenuwachtig aan het worden, want het zou best kunnen dat hij zodadelijk naar de WC moest. Een crime was dat geworden, naar de WC gaan. Zwaar leunend op de stok uit de stoel zien te komen. Om de tafel heen, langs de bank voor de visite. Tot een jaar geleden ergerde Gijs zich af en toe omdat zijn woonkamer zo klein was, maar nu was dat stukje van de bank naar de deur een Grote Oversteek. En dan nog die donkere hal, waar hij onderhand niks meer zag, en omdat zijn evenwichtsgevoel hem soms in de steek liet, botste zijn schouder met van alles. Er zat soms kalk van de muur aan zijn slip-over, en soms schreeuwde hij het uit als zijn schouder met een scherpe metalen punt van de kapstok botste.


Laatst botste Gijs zijn bril kapot tegen de muur. Toen moest hij aan zijn buurvrouw – de vrouw die zo nu en dan aanbelde om te vragen of hij zin had in een kopje koffie om even bij te kletsen – uitleggen hoe dat kwam. "Tja, hij viel zo maar van zijn neus af en toen trapte ik er ook nog op." Gijs twijfelde of ze het wel geloofde, maar ze zei niks en ze vroeg niet verder. Zij is voor hem naar de opticien geweest om de bril te laten repareren. Zij is lief.


Gijs wist, voelde, dat hij onderhand niet meer zelfstandig kon wonen. Een dezer dagen zou hij vallen, op de gang of in het toilet, en dan zou hij daar hulpeloos liggen. Gijs stelde zich voor hoe zijn hoofd met een harde bons op tegeltjes valt. Een bons die hard genoeg was om…


"Ik wil dood," dacht Gijs.

Het was geen losse, terloopse gedachte. Het was al een tijdje Gijs grootste, liefste wens. Zijn enige wens.


Want Gijs wist dondersgoed wat het leven hem nog te bieden had. Verdere aftakeling. Een verhuizing naar een verzorgingshuis waar een vreemd iemand hem zou komen wassen, en een ander vreemd iemand zou komen om zijn vlees te snijden, en nog een derde vreemd iemand zou zijn bed opmaken. En allemaal zouden ze plichtmatig een praatje maken, en op het moment dat het Gijs ging interesseren, zouden ze zeggen dat ze nu weg moesten. Tijd voor de volgende.


Bij de gedachte aan een nieuwe omgeving voelde hij pijn in zijn buikstreek. De gedachte aan nieuwe mensen om hem heen die hij niet zou kennen. Nieuwe omgeving, dezelfde eenzaamheid. De oude eenzaamheid die nooit wende, en die Gijs helemaal zat was.

"Heb ik nog niet genoeg geleden?" dacht Gijs, om zich vervolgens een beetje te schamen, want hij had nergens pijn. Hij at en hij dronk. Hij kon televisie kijken, hoewel het tegenwoordig meer televisie luisteren was. Zijn oren waren trouwens nog prima…


"Ik wil geen televisie kijken," dacht Gijs. "Ik wil dood."


Hij heeft het ter sprake gebracht bij de dokter, wat voor iemand als Gijs een hele stap was. Hij heeft zijn wens geuit. Maar de dokter legde hem beleefd doch beslist uit, dat het assisteren bij het vervullen van een doodswens alleen te overwegen viel als er sprake was van ondraaglijk en uitzichtsloos lijden.

"U bent nog zeer redelijk in conditie," zei de dokter. "Met de rollator kunt u nog prima naar buiten, u eet als een paard, u lust uw borreltje nog…"

Nogmaals probeerde Gijs de dokter uit te leggen dat hij geen zin meer had om met de rollator naar buiten te gaan, en dat de smaak van zijn eten en van zijn borreltje niet meer dan een schrale troost was voor het knagende gevoel dat hij alleen nog maar zinloos moest wachten-wachten-wachten totdat het dan eindelijk genoeg geweest zou zijn.

"Ik ben strafbaar als ik u help," zei de dokter vervolgens een paar keer, en Gijs had door dat hiermee de zaak afgedaan was.


Als hij zijn zoon zou vragen om hem te helpen, zou zijn zoon strafbaar zijn. En als hij zijn buurvrouw zou vragen, idem dito. Gijs wilde hen niet opzadelen met die last. Gijs wilde niemand tot last zijn. Gijs wilde gewoon een potje met grote witte pil thuisbezorgd krijgen, die innemen met een beetje water en op bed gaan liggen. En dan zouden zijn ogen dichtvallen en was hij er van af.


"Waarom mag dat niet?" dacht Gijs, terwijl zijn ogen in de richting van de straat keken. Het bruiste er van leven en van beweging. De ogen van Gijs volgden niks van al die beweging.

16 januari 2007

Vraagje tussendoor

Als je vanuit je zichtlocatie neerkijkt op stilstaande auto's, is dat dan een kijkfile?

14 januari 2007

Oh wat bocht

Dit is Bartlehiem, 14 januari 2007. Het was er rustig vandaag, zoals het er bijna altijd erg rustig is. Deze foto is genomen vanaf een brug die op 21 februari 1985 "De Brug" werd. Die dag was het verre van rustig in Bartlehiem.

Daar waar de harde wind nu golfjes maakt, stond ik ook ergens. Ergens links naast de foto, in de bocht tussen de Dokkumer Ee (dat is het water dat van rechts naar links loopt) en de Oudkerkster vaart (dat is het water rechtdoor). Ik stond niet op de Brug, die stond al lang tjokvol toen ik in Bartlehiem arriveerde - dat was overigens per schaats, want ik woonde toen maar een kilometer of zeven bij Bartlehiem vandaan. Per schaats was de afstand toen het kortst, want het fietspad waarover ik vandaag Bartlehiem bereikte, was er toen nog niet.

In 1985 was het maar liefst 22 jaar geleden dat er voor het laatst een Tocht geweest was. Ik stond te bedenken hoe lang 22 jaar is, en realiseerde me toen dat het op een maand na 22 jaar geleden is dat ik daar beneden stond.

Wat me het meest bijstaat, was de vreugde van al die schaatsers. Niet gek, want als je onder de Brug doorgaat, dan heb je een godvergeten takke-eind door niemandsland gehad (wind tegen en slecht ijs), zeker toen het al donker was, en voor heel velen werd het dat in al die kilometers tussen Franeker en hier.

En dan opeens staan massa's mensen op een Brug je toe te juichen, en je krabbelt een bocht door en daar staan ook massa's mensen. Dan wil je wel even lachen en je handen de lucht in steken. En dan vergeet je even dat je nog naar Dokkum en weer terug moet, wat ook nog een takke-eind is.

Als je terug bent uit Dokkum, moet je bij Bartlehiem weer de bocht om, naar de Oudkerkster vaart. Maar als je de tweede keer Bartlehiem gehaald hebt, en je bent nog in staat om te schaatsen, dan haal je dat laatste stukje ook wel, want het is echt niet ver meer nu.

Ik herinner me ook nog dat er veel water op het ijs stond. En dat het niet erg koud was - het dooide dus - maar op een gegeven moment kregen mijn vriend en ik het toch koud, maar toen was er een reddende engel met Beerenburg. Alhoewel, reddende engel. Van Beerenburg krijg je het even lekker warm, maar als het uitgewerkt is, heb je het daarna dubbel koud.

Hoeveel mensen waren er eigenlijk? Toen ik vandaag neerkeek vanaf "De Brug" leek het erop dat het vol zou zijn als je als je een paar honderd mensen verspreidt op de Brug en op het ijs. Maar volgens mij waren er in 1985 veel meer mensen. Ik denk dat er duizenden waren.

Na 1985 was het nog twee keer druk in Bartlehiem, en daarna niet meer. Er hoeft geen rayonhoofd aan de pas te komen om vast te stellen dat het op korte termijn rustig zal blijven.

Wordt het ooit weer eens druk in Bartlehiem?

12 januari 2007

Uitgelaten worden

Ik ga een stukje over honden schrijven.


Voor wie mij niet kent, zal deze mededeling nogal overbodig lijken. Misschien denk je: "Begin nou maar gewoon, en dan zullen mijn interpretatieve hersendelen weldra concluderen dat dit stukje over honden gaat".

Ter verduidelijking vertel ik even dat ik niet zo veel op heb met deze beesten.


Zwak uitgedrukt. Vroeger was ik traumatisch bang voor deze beesten. Er was een tijd dat als ik op het trottoir links langs de weg liep, en een baas met een niet aangelijnde hond kwam mij tegemoet, dan was de neiging om over te steken naar de rechterkant van de weg, op een afstand van vijftig meter niet meer te bedwingen. Als het een aangelijnde hond betrof, was het stukken beter. Dan was de neiging op een afstand van tien meter niet meer te bedwingen.

Tegenwoordig is het trauma wat minder erg. Over is het niet. De fantasie dat een hond langs mijn benen zou draaien en met zijn snuit zou snuffelen, voert mijn hartslag op met een slag of 10. Bij de fantasie dat een hond tegen me op zou springen, voel ik adrenaline, en het idee dat het beest me ook nog gaat likken, bezorgt me een naar gevoel.


Misschien dat de werkelijke reden voor dit stukje - de diepe reden - een poging tot therapie is.


De aanleiding was een wandeling door de stad aan het eind van vanochtend, in de paar uurtjes dat het even lekker buiten was, even een beetje zon. Er was dagenlang geen zon geweest, en het zou bovendien maar eventjes duren (inmiddels waait het weer volop en regent het een beetje).

Momenten als deze, dat het weer voor het eerst stukken beter is dan het weer daarvoor, zijn altijd wat uitgelaten. Om het plat te zeggen een beetje hitsig. Ik had oog voor de mooie vrouwen die mijn pad kruisten, en sommige van de mooie vrouwen hadden oog voor mij.


Behalve hier en daar mooie vrouwen en massa's mensen, waren er ook massa's honden. En die honden hadden ook dagenlang geen zon op hun vacht gevoeld, dus die waren ook hitsig.


In scène 1 passeerde een grijs hondje, type absorberende keukendweil, in gezelschap van twee oude vrouwen een schip, en op dat schip kwam een gespierde lichtbruine herder met wilde bewegingen uit de kajuit zetten. Het beest sprong enthousiast van het schip op de wal, en rende achter die lekkere grijze dweil aan. De baas van het beest, een ongeschoren vent die nonchalant stond te roken en verder bezig was met wakker worden, riep zijn viervoeter verveeld tot orde. De herder wierp zijn baas een smekende blik toe, maar maakte wel prompt rechtsomkeert, terug naar zijn schip, en het teefloze interieur.


In scène 2, in het park, liep links van de weg een statig bruin hondje, type om mee te pronken, in gezelschap van een statige mevrouw, en aan de rechterkant snuffelde een onbestemd merk, groot en lobbesachtig, uit voor een vent met matje, type testosteronfabriek. Edwin de Roy van Zuidewijn kreeg Margarita in de gaten en zette onmiddellijk koers naar de overkant, maar zijn baas gooide zijn vette hoofd in zijn net zo vette nek en brulde "hier", op een toon waarmee hij ook naar zijn dochter schreeuwde als de muziek te hard stond, naar zijn zoon als die op het voetbalveld een kans verprutste, en naar zijn vrouw als hij een biertje wilde hebben.


Edwin luisterde in het geheel niet, rende recht naar Margarita toe, en vrolijk blaffend begon hij om haar heen te springen, op zoek naar lekkere plekjes om aan te snuffelen. Margarita speelde hard to get, maar leek wel bekoord te zijn door de aandacht. Edwins baas bleef "hier komen" schreeuwen, maar daar luisterde niemand naar. De bazin van Margarita lukte het na enige tijd om Margarita van Edwin weg te trekken en zichzelf hen beide te plaatsen. Ze leek totaal niet op Beatrix, maar desalniettemin droop Edwin toch af, terug naar zijn eigen baas, die met de riem klaar stond om daarmee zijn gezag te herstellen.


Vermakelijke taferelen, die bovendien een gratis minicursus Natuurlijk Leiderschap zijn.


Hond 3 in scène 3 was aandoenlijk. Een forse zwarte hond was het, die gedwee en de dagen zat, twee passen achter zijn baas voortsjokte. Maar plotseling ging die grote zwarte kop de lucht in, vertraagde zijn pas, en keken zijn ogen vol interesse. Ik volgde die ogen, en jawel, achter een raam zat een klein zwartwit hondje met sterk verhoogde waakzaamheid naar buiten te loeren.


De alarmtoestand duurde maar heel even, want de baas liep stug door, en dus trok de riem, en dus liet de zwarte hond berustend zijn kop en flaporen zakken, en met de ogen weer flets en weer gericht naar de grond zette het zware lijf zich weer in beweging.


Ik had met het arme beest te doen.


En die emotie zette me aan het denken. Vroeger was ik niet in staat om te doen hebben met een hond, vertederd te zijn door een hond, of geamuseerd te zijn door een hond. Vroeger kreeg ik van het zien van een hond een verhoogde adrenalinespiegel, en zodra de hond in mijn richting keek kreeg ik een adrenaline-aanval, en dus was een hond voor mij niets anders dan een object dat dingen met mij wilde doen die de baas "Hij wil alleen maar spelen" noemt, maar die voor mij "Hij wil alleen maar aanvallen" leken.


Nee, de hond is nog lang niet mijn beste vriend. Maar misschien zijn we een stukje op weg.

Effe checke

Eva stond voor het raam, keek naar buiten en zei: "Het is droog".

Eva keek naar de straat en zag fietsers nog steeds slalommend plassen ontwijken en een oud vrouwtje met zware boodschappentas liep gevaarlijk dicht langs een plas op de weg, terwijl er op de weg net een vrachtwagen aankwam. Flatsj. Het vrouwtje schrok, maar het was net mis.

Eva keek naar de lucht en het was minder grijs en het was lichter. Er was één plek in de lucht waar de zon had kunnen doorbreken als de zon op die plek zou hebben gestaan.

Ze keek om en zag Rutger achter de computer staan, ongeduldig wachtend totdat de computer opgestart was.
"Wat doe je?"
"Kijken op de buienradar," zei Rutger. "Kijken of je gelijk hebt."

09 januari 2007

CD van 2006

Ik heb de CD van 2006 gebrand, en dit staat er op:


  1. Spinvis – Ik Wil Alleen Maar Zwemmen (Dagen Van Gras, Dagen Van Stro)
  2. Infadels – Love Like Semtex (We Are Not The Infadels)
  3. Alamo Race Track – Black Cat John Brown (Black Cat John Brown)
  4. The Veils – Calliope! (Nux Vomica)
  5. Snow Patrol – Chasing Cars (Eyes Open)
  6. Belle & Sebastian – Another Sunny Day (The Life Pursuit)
  7. Gogol Bordello – Immigrant Punk (Gypsy Punks: Underdog World Strike)
  8. Gem – The Subterranean Parade (Escapades)
  9. Sonic Youth – Do You Believe In Rapture? (Rather Ripped)
  10. Cat Power – The Greatest (The Greatest)
  11. Gnarls Barkley – Crazy (St. Elsewhere)
  12. Dirty Pretty Things – Bang Bang You're Dead (Waterloo To Anywhere)
  13. Placebo – Song To Say Goodbye (Meds)
  14. Tanya Donelly – Kundalini Slide (This Hungry Life)
  15. Gabriel Rios – Broad Daylight (Ghostboy)
  16. The Flaming Lips – The Yeah Yeah Yeah Song (At War With The Mystics)
  17. Arctic Monkeys – I Bet You Look Good On The Dance Floor (Whatever People Say I Am, I Am Not)
  18. Johan – Oceans (Thx Jhn)
  19. Tom Waits – Long Way Home (Orphans: Brawlers, Bawlers and Bastards)


Zo, en nu maar weer met 2007 verder.

08 januari 2007

Braaf

Van mijn werk naar huis fiets ik door het Stadspark, en meestal kom ik op het stukje door het bos één jogger tegen. Soms twee joggers die samen lopen.


Vandaag kwam ik acht joggers tegen. Twee stelletjes en vier singles.


Blij dat iedereen zo trouw zijn goede voornemens effectueert. Er moet me van het hart dat nog niet elke looppas soepel oogde, maar een paar weekjes trainen en dan zijn de eerste kilo's eraf en ren je als een gazelle door dat bos heen. Misschien zelfs als een dartele gazelle.


In het donker kon ik de gezichten van de brave zwoegers niet zo goed zien, maar het moet toch haast wel dat ze er gelukkig uitzagen.

07 januari 2007

Sirene

Ergens in mijn achterhoofd had ik al een paar keer gedacht dat ik wat hoorde, maar nu wist ik zeker dat ik wat hoorde. Hoewel, toen ik stilstond en luisterde, hoorde ik toch weer niks. Althans, ik hoorde buiten de vogels fluiten. Maar dat was niet het geluid dat ik daarnet hoorde, het geluid dat me genoeg intrigeerde om op te houden met vegen. Als juffrouw Ter Steeghe, het hoofd van de staf, het zag, was ik misschien wel mijn baan kwijt. Ze leek tot nu toe niet overdreven tevreden met mij.


De vogels begonnen me te irriteren, want hun geluid leek oorverdovend nu mijn oren gespitst waren, en gespitst op iets anders dan dat gefluit, iets dat door het gekwinkeleer van buiten overstemd werd. Ik stond op het punt om linksaf te gaan, de zuidelijke woonkamer door te lopen en de tuindeuren te sluiten (en een enorme kans te lopen dat juffrouw Ter Steeghe me bezig zag of hoorde).


Maar toen hoorde ik het weer. Erg ver weg, maar onmiskenbaar nadat mijn oren het geluid opgepikt hadden, en het spoor van klanken begonnen te volgen. Mijn benen konden niet achterblijven. Ik zette een, twee stappen, maar het geluid van mijn voetzolen overstemde het geluid waarnaar ik zocht. Ik dook ineen en sloop als een kat verder, maar al snel was ik al bij de dubbele deuren die toegang gaven tot de privévleugel. Ik bleef staan voor de deuren en mijn hoofd bewoog mee op het hoger en lager worden van het geluid. De deuren waren niet afgesloten, dat wist ik al, van daarnet, toen dit feit me in het geheel niet interesseerde. Bij het vegen in de hoek achter de grote bloembak was mijn schouder even tegen de deuren gekomen en die waren toen een stukje opengegaan.


Wie waren daarbinnen? Mary vermoedelijk, maar dat was een schaap. Als ik haar tegenkwam, zou ik me daar met mijn babbel wel uit redden. Het zou erger zijn als ik mevrouw Breidel tegen het lijf liep. Ik kon een kletsverhaal ophangen, maar dan nog zou ze zich genoodzaakt voelen om aan juffrouw Ter Steeghe te rapporteren dat ik mij had opgehouden in de privévleugel. Dienstklopper.


Misschien vanwege minachting voor de dienstkloppers, of de jaknikkers, die deze huishouding bevolkten, duwde ik toch de deuren open. De pianoklanken klonken onmiddellijk veel luider. Pas nu hoorde ik dat ze van boven kwamen. Ze galmden vanuit een vertrek ergens bovenaan de trap, ergens daarachter, een plek waar ik nog nooit geweest was.


Onderaan de houten trap schudde ik voorzichtig mijn schoenen van mijn voeten, en op kousenvoeten waagde ik de tocht naar boven. De pianoklanken hadden me betoverd. De ban van de betovering had me ongevoelig gemaakt voor gevaar. Ik speculeerde erop het gevaar simpelweg niet tegen te komen.


Ik bereikte een gang met een donkere houten vloer die mat glom in het schemerlicht. De glans was het sterkst op de plek waar een deur half openstond, de enige van de vele deuren ter weerszijden van de gang, op onregelmatige afstanden van elkaar, die niet dicht was. Het leed inmiddels geen twijfel meer dat vanachter die halfopen deur ook de pianoklanken vandaan kwamen.


Daarnet op de trap was de muziek wild en hartstochtelijk geweest, nu waren de klanken zachter. Een verstilde passage, een moment van rust. Op kousenvoeten sloop ik door de gang. Net toen ik bij de brede kier van de deuropening kwam, om fel licht te zien, een stuk raam en wapperende witte vitrage, versnelde de muziek weer, en won opnieuw aan volume. De levenslustige, ondernemende klanten nodigden mij uit. Althans, zo voelde ik het. Zo zou het kunnen zijn. Zo moest het toch zijn?


Ik gaf de deur een duw en stapte de kamer binnen. Ik ontdekte de piano aan de linkerkant van de kamer, tussen de open haard en het halfopen raam waarachter de vitrage wapperde. De bespeelster droeg een witte jurk. Haar smalle, bleke handen bleven de toetsen beroeren, harder, sneller en vingervlugger, totdat de deur, die tot dan toe geluidloos verder openzwaaide, abrupt stokte en met knarsende scharnieren tot stilstand kwam. Abrupt stokte ook het snelstromende riviertje van klanken. Het meisje keek om, en ze gaf een gilletje. Ze sloeg geschrokken haar hand voor haar mond.


"Mijn excuses, jonkvrouw, eh, freule. Het was geenszins mijn bedoeling u te laten schrikken."


Op mijn kousenvoeten zette ik twee, drie stappen in de richting van het meisje. Tegen haar verschrikte ogen verduidelijkte ik dat ik haar had hoorde spelen. Alsof dit afdoende verklaring was voor mijn aanwezigheid.


"Wat doet u hier? Hoe komt u hier? Wat wilt u…. Wat bent u…?"


Ik begon me te realiseren dat het meisje heel andere motieven vermoedde voor mijn aanwezigheid dan haar pianospel. Ik schonk haar mijn meest ontwapenende glimlach, maar dit sorteerde weinig effect. Ik was niet van haar stand. Zij wist überhaupt niet wist wie ik was. Ik was een indringer, en wie neemt bij voorbaat aan dat een indringer zuivere motieven heeft?


"Ik hoorde u spelen," zei ik. "U speelt zo mooi. Ik werd aangetrokken door het geluid. Als een magneet."

Ik zag haar naar me kijken. Ik zag hoe ze draaide op het krukje, zodat haar beide voeten vlakbij de vloer waren en ze de benen kon nemen zodra ik nog een beweging in haar richting zou maken. Ze droeg muiltjes, schoeisel waarmee het vast onhandig rennen was. Ik zag hoe ze terloops met haar ene voet het muiltje van haar andere voet afschoof. Het viel met een tik op de vloer.

"Het was puur het pianospel dat me daar deze kamer dreef," zei ik. "Wist ik veel wie er speelde? Het had een oude, lelijke man kunnen zijn…"


Het meisje begon te giechelen. "Maar het is een jonge, mooie vrouw," zei ze. "Boft u even."

Ze giechelde opnieuw. Ze lachte me een beetje uit, kreeg ik het gevoel.

"U mag hier helemaal niet wezen," zei ze. "Als het hoofd van de staf hiervan hoort, dan vliegt u er uit op staande voet."

"Daar heb ik niet aan gedacht," zei ik. "Ik kon alleen maar denken aan die klanken. Ik wilde dichterbij zijn. Het geluid beter horen."

"Speelt u zelf?"

Ik keek haar aan.

"Oh ja,"zei ze. "Alleen wij rijke mensen hebben piano's natuurlijk."


Er viel een korte stilte.

"Ik heet Anna," zei ze. "En hoe heet u? Jij?"

"Ik heet Gerrit," zei ik. Opeens voelde ik me verlegen, zo dichtbij dit meisje, zo dichtbij haar frisse geur die ergens uit haar donkere haren in een knoet kwam.

"Wat wil je, Gerrit," zei ze zacht, en niet langer bang.

"Ik zou willen dat je speelt, Anna," zei ik.


Anna glimlachte en draaide op haar krukje, zodat ze kaarsrecht zat en recht voor de piano. Haar smalle vingers tastten langs een paar zwarte en witte toetsen en vonden de juiste positie.

"Okee," zei ze, en ze zette in zo krachtig als ze kon.

04 januari 2007

Roofdier zoekt prooi

"Meneejjjr, mag u misschien iets vragen?"


De strijdkreet van de jongen of het meisje in windjack met felle kleuren schalt over de winkelstraat. Dat het regent maakt niet uit. Dat mijn gezicht er uitziet als het lagedrukgebied dat al die regen veroorzaakt, ook niet. Dat haar windjack het enige streepje kleur op deze mistroostige avond is, zelfs ook niet.


"Meneejjr, mag ik misschien een luttel minuutje van uw tijd?"


Deze keer is het de Kankerbestrijding, althans dat staat op dat windjack, want mijn pas ingehouden heb ik niet, laat staan geluisterd. Want het winkelgebied waarover ik het heb is 200 meter van mijn voordeur. Ik kom er dus regelmatig, en altijd als de winkels open zijn staan er van dit soort jongens en meisjes. Ik heb het onderhand echt wel afgeleerd om nog te stoppen en te luisteren voor welk nobel karretje men mij wenst te spannen.


"Hè toe nou meneejjr, eventjes maajjr".


Het zijn altijd zogenaamde Goede Doelen. Kankerbestrijding dus, maar soms ook CliniClowns, en soms Amnesty International, en soms (vaak) let ik niet op wat voor organisatie er nu weer zieltjes staat te winnen.


"Moet het nu echt zo?"


Als ik in een winkelgebied ben, dan wil ik of iets kopen in een van de winkels die er in dat betreffende gebied gevestigd zijn, of ik ben op doorreis. In beide gevallen hoef ik niet staande gehouden te worden. Door wie dan ook, om van wat dan ook lid te worden, of aan wat dan ook geld te geven. En nee, ik heb ook geen minuutje van mijn kostbare tijd over om even een paar vragen beantwoorden. Dat al helemaal niet.


Vroeger stuurden ze foldertjes of brochures. Of er kwam iemand met een collectebus aan de deur, en vaak was dat nog van te voren aangekondigd ook.


Tegenwoordig word ik op elke plek waar samenscholingen zijn van meer dan een half dozijn mensen, onmiddellijk aangeklampt door hele hordes horzels die mij lastig willen vallen. "Heel eventjes maar". Nou, allemaal bij elkaar is het echt geen heel eventjes. Het is een constante terreur.


Wat moet ik denken van dat gestalk van al die Goede Doelen? Tot voor kort dacht ik dat de zaken waarvoor men stond, nobel waren. Je kunt niet overal aan geven, maar geven aan een paar instellingen die je na aan het hart gaan, is een goede zaak. Nou, zo onderhand is dat geloof in de goede zaak behoorlijk ondermijnd. Zo onderhand heb ik geen zin meer om nog te geven aan al die organisaties die hordes mensen de straat opsturen om mij en de rest van Nederland proberen de pas af te snijden met het doel mij geld uit de zak te kloppen.


"Rot * erg lelijk woord * allemaal eens een keer op!" dat is om precies te zijn zo langzamerhand wat ik denk van al die zich Goede Doelen noemende organisaties.


Want wat is er gebeurd met het recht om in mijn eigen tijd, op mijn zelfgekozen moment, wanneer het mij uitkomt, te bepalen of ik geef, hoeveel ik geef, en aan wie geef?


Dat recht bestaat niet meer. Want Goede Doelen zijn big business, en in de eenentwintigste eeuw betekent dit dat je de consument achtervolgt, opjaagt en in hinderlagen lokt totdat hij capituleert en bloedend als een rund de verlangde bijdrage afstaat. En terwijl hij nog in shock is, laat je hem iets tekenen waardoor hij voor de rest van zijn leven een geheel vrijblijvende overeenkomst aangaat om te blijven doneren.


Ik wil blijven geven aan Goede Doelen, want mensen die een bijdrage nodig hebben, mogen niet de dupe worden van mijn aversie tegen al die Willibrord Frequins die mij hun dialogen achterna roepen.


Is er iemand die een ideële organisatie weet die zich niet van straatterreur bedient? Dan ga ik daaraan geven, en als ze zich vervolgens netjes gedragen, ga ik er aardig wat aan geven ook.

01 januari 2007

Goed begin

Op nieuwjaarsdag maken mensen in de trein meestal geen wakkere indruk, mijzelf meegerekend. Mensen hangen in hun stoel, tegen het raam, of tegen hun vriendje. Vriendje zelf staart nu al vijf minuten met bloeddoorlopen ogen naar één punt in de verte. De man naast me staart ook voor zich uit, maar zijn ogen staan opvallend helder. Hij ziet er wat sjofel uit, maar wel aardig schoon. Misschien is hij zo gewend aan drank aan slaaptekort dat je niks aan hem merkt.


Het meisje tegenover mij, student met mobieltje, zit ook vol leven, want ze is inmiddels toe aan haar derde gesprek, en we zijn net het station uit. Na afloop van dat gesprek stopt ze haar mobieltje weg, en even later zit ze hartverscheurend te gapen. Doodmoe ziet ze er opeens uit. Haar haren zijn niet gewassen en haar gympen en onderkant van haar broekspijpen zijn bemodderd. Kennelijk zo vanuit de kroeg de trein ingerold.


In eerste instantie dacht ik dat die man naast me zat te staren naar het meisje, dat na vijf minuten met dichte ogen voor dood te hebben gezeten, haar mobieltje voelt trillen. Een SMS'je brengt voor even weer het leven terug in haar. Ze lacht een tijdje geamuseerd, verliefd zelfs misschien, naar het scherm. Ze tikt wat, en stopt na het verzenden opnieuw haar mobieltje weg. En opnieuw gaapt ze haar longen uit haar lijf.


Mijn iPod begrijpt me niet, hij kwam al met Wire aan shuffelen, maar vandaag hoef ik geen energie kwijt te raken, ik heb tekort. Nu schotelt hij me Lou Reed - Perfect Day voor, dat is echt katertje pesten.


Nee, het kan haast niet zijn dat hij naar haar kijkt. Hij kijkt voortdurend in dezelfde richting, en als dat rechtstreeks naar dat meisje zou zijn, zou ze onderhand vast wel zenuwachtig of kwaad geworden zijn. Of geïnteresseerd in hem natuurlijk, maar hij is stukken ouder. Ik denk dat de man ouder is dan ik, en ik zou als ik er vroeg bij geweest was, het meisje netaan als dochter kunnen hebben.


Bovendien ziet het meisje er alleen vandaag als een zwerver uit. Hij ziet er morgen nog steeds als een zwerver uit.


De conducteur komt hartstikke vrolijk de coupé in. Wat ziet die man er wakker uit. Men laat kaartjes knippen of men wappert met OV-kaarten, wat voor sommigen al een hele inspanning is. Tegen de man naast me zegt de conducteur "Ik kom zo bij je". Hij maakt de hele coupé af, en komt dan terug.


Hij steekt zijn hand uit en zegt joviaal tegen de man "Mag ik jou even heel speciaal een gelukkig nieuwjaar wensen". De behandeling die de man ten deel valt, en waardoor hij wat overdonderd lijkt, trekt natuurlijk de aandacht.

"Ja, je treinverbod is voorbij," zegt de conducteur even vrolijk als keihard. "Sinds 27 december, nietwaar? Je mag nu inderdaad weer rijden. En laat me nu maar eens zien wat je voor mij in je zak hebt zitten…"

De man begint allervriendelijkst te grijnzen, en tast bereidwillig in zijn binnenzak. Maar de conducteur, en ik, en iedereen die verder is gaan meeluisteren, zelfs de jongen die stoer een boek zit te lezen, maar nog maar twee keer een bladzijde heeft omgedraaid, hebben het door. De man produceert een of andere plastic kaart. Ik kan niet zien wat voor kaart, maar de conducteur kijkt ernaar alsof het een AH-bonuskaart is.


"Daar kan ik natuurlijk niks mee," begint hij te hoofdschudden. Nadat gebleken is dat de man naast me geen geld op zak heeft, zegt de conducteur, op een toon van een teleurgestelde vader "Met jou kan ik dus echt helemaal niks." Het leek hem te spijten. De trouwe hondenogen van de conducteur zagen eruit alsof hij het echt met deze man had geprobeerd. Maar helaas, de man moest in Leeuwarden mee met de conducteur, en daar zou hij een nieuw treinverbod krijgen.


We moeten nog even tot Leeuwarden. De man zit nog steeds naast me, en kijkt weer precies zo voor zich uit als voor zijn nieuwe treinverbod. Geen emotie te zien.


Ik weet niet hoe vaak je moet zwartrijden om een treinverbod te krijgen, maar vast vaak. Ik had hem eigenlijk wel willen vragen wat hoe hij erbij kwam om zo kort na afloop van zijn treinverbod – misschien wel de eerste gelegenheid - in de trein te gaan zitten zonder kaartje en zonder geld. De man zal hoogstwaarschijnlijk niet helemaal toerekeningsvatbaar zijn, maar zelfs een simpele ziel kan begrijpen dat dit geen vragen is om problemen, maar schreeuwen om problemen.


Bij nader inzien leek het me beter om lodderig voor me uit te staren.

Clicky

Clicky Web Analytics