27 februari 2007

Het nieuwste

Ik kreeg laatst een brief van een onderzoeksbureau waarin mij medegedeeld dat ik binnenkort per telefoon zal worden lastig gevallen.

Sommige bedrijven, vaak goede doelen, sturen om de haverklap brieven met aangehechte acceptgiro. De Alzheimerstichting is erg fijnzinnig, die sturen elke maand een briefje, erop speculerend dat ik hun vorige briefje vergeten ben en opnieuw mijn volledige spaartegoed stort. Andere bedrijven bellen tot vervelens toe, met name verzekeraars, telecom en leningboeren, en velen van hen proberen een voet tussen de deur te krijgen door voor te spiegelen dat het om een enquete gaat.

En het nieuwste is dus dat ze eerst je deurmat komen vervuilen en vervolgens je TV-moment met bordje op schoot komen verpesten.

Het onderzoek zal gaan over de Bijenkorf. Ik kom nooit in een Bijenkorf, en heb evenmin een verleden van in de Bijenkorf komen. Het doel van het onderzoek is, en ik citeer "Achterhalen wat mensen vinden van de Bijenkorf en de mailings van de Bijenkorf, zodat de communicatie beter kan worden afgestemd op de wensen en interessen van consumenten". De mailing wordt ook even meegestuurd, zodat de oudpapierdoos weer vol is.

Nou, laten we dit onderzoek bij deze maar even afhandelen. Ik vind helemaal niks van de Bijenkorf want in mijn woonplaats is er geen, en als ik naar andere plaatsen ga is dat echt niet om gezellig door de Bijenkorf te wandelen. Mailings van de Bijenkorf wens ik niet te ontvangen.

Mijn interessen zijn niet in de Bijenkorf te koop. Mijn wens is dat u nooit meer schrijft en nooit zult bellen.

Met het grootste plezier heb ik medewerking verleend aan uw onderzoek.

25 februari 2007

Veertig

Hier in het Noorden regent het even onverstoorbaar als ontroostbaar sinds het moment dat ik vanochtend mijn ogen opsloeg. Bovendien heb ik een kater. Ideale omstandigheden voor dit stukje.


Want over drie dagen begint het leven (eindelijk). Volgens het gezegde begint het leven bij veertig en veertig word ik over drie dagen.


Een ander gezegde is dat je nooit te oud bent om te leren. Omdat "veertig" in mijn jonge jaren synoniem was voor oud, wordt het hard tijd om weer eens wat te leren. Dus heb ik "veertig" maar eens gegoogled. En door dit te doen, kwam ik allerlei stof tot nadenken tegen.


Ten eerste, in de engelse taal is het getal forty het enige getal waarbij de letters in alfabetische volgorde staan. Geeft toch een magisch randje aan mijn aanstaande spiksplinternieuwe leeftijd. Alles zal dus crescendo gaan vanaf het moment dat ik veertig ben. Als de letters in oplopende volgorde gaan, dan moet dat ook gelden voor geluk, succes en genot.


En tandbederf.

En vergeetachtigheid.

En libidoverlies.


Ten tweede, de Nederlandse top 40 bestaat dit jaar veertig jaar. Op de dag dat ik begon te blèren in de armen van de vroedvrouw, deed Joost den Draaijer hetzelfde op de radio. Ik stel voor dat ter ere van mijn verjaardag Kom Van Dat Dak Af voor de veertigste keer wordt uitgebracht. En na al die jaren van muziek luisteren weet ik eindelijk wat UB40 betekent. Je moet het gewoon schrijven zoals je het zegt, en dan staat het er: "You Be 40".


Tenslotte zag ik een cadeautip. Wat zou de bedenker van dit cadeau toch voor associatie bij veertig hebben gehad? Werd hij geïnspireerd door de opvliegers van vrouwen, of dacht hij vanaf veertig "zie je ze vliegen", of is het gewoon een voedselbankvariant op het ballonvaartcadeau? Check deze site en vertel het mij…

23 februari 2007

Onsterfelijk worden

Ik ben eigenlijk 60 uur per week schrijver.


Zoals je weet, want je leest het nu, doe ik in mijn vrije tijd aan creatief schrijven. Daarnaast bestaat mijn werk voor een belangrijk deel uit schrijven. Schrijven van een heel ander soort, want ik maak functionele ontwerpen voor IT-toepassingen. Dit betreft zakelijke documenten, waarbij de inhoud belangrijk is, en de vorm van ondergeschikt belang, en bovendien qua hoofdstructuur nog voorgeschreven ook. Dat de beide vormen van schrijven moeilijk te vergelijken zijn, merk ik zelf vaak genoeg. Nu bijvoorbeeld. Gisteren heb ik de hele dag met die ene hersenhelft zitten schrijven, en vandaag lukt het tot en met deze zin niet goed om over te schakelen op de andere hersenhelft.


Een functioneel ontwerp is een verhaal waarin ik voor een gebruiker van een applicatie opschrijf wat het systeem allemaal moet kunnen en welke eisen hij gesteld heeft. De creatieve kant van het schrijven is hierbij niet geheel onbelangrijk, want je moet informatie goed kunnen structuren, je moet dingen accuraat en to the point opschrijven, niks vergeten en er toch geen brij van maken, en het helpt zeker als je in staat bent om vlotte en grammaticaal correcte zinnen te maken.

Daarnaast bevat het document allerlei technische informatie voor mensen die de betreffende applicatie moeten gaan maken. Vorm is voor deze mensen eigenlijk onbelangrijk, maar wat hier dan weer wel belangrijk is dat je dubbelzinnige formuleringen vermijdt en geen losse eindjes in je tekst achterlaat.


Ondanks dat creativiteit niet geheel onbelangrijk is, is een functioneel ontwerp geen document waarin je flodderzinnetjes kwijt kunt, waarin je kunt flierefluiten of spelevaren, of waarin je jezelf aan poëzie kunt bezondigen. Soms heb ik wel de neiging, en in mijn juniortijd slipte er nog wel eens een leutig zinnetje tussendoor. Het probleem is dat zo'n document door allerlei mensen beoordeeld wordt – in goed Nederlands noemen we dat een review – en dat leutige gedoe komt er gewoon niet doorheen. Die reviewrondes zijn trouwens broodnodig om de inhoud van zo'n document helemaal goed te krijgen, en het is alleen maar goed dat men verongelukte zinnen en spelfouten signaleert, maar toch is het wel eens jammer dat reviewers zich in hun ijver ook bemoeien met de tekstuele kant.


Zo heb ik wel eens kort, bondig en goed geschreven alinea moeten verwijderen, en moeten vervangen door een lang, stuurloos en als een darmverstopping geschreven drie alinea's, want dit rottige proza stond namelijk ook al in 10 andere documenten, en men wenste uniformiteit. Zoiets gaat me aan het hart, maar ik doe het dan toch maar, want de klant is koning.


De grens is wel bereikt als men opmerkingen gaat maken over mijn tekst, omdat men zelf een alternatief heeft wat "mooier" is. Een voorbeeld. Ik schreef ooit de zin "Als de begindatum in het verleden ligt, wordt een foutmelding gegeven." Even aangenomen dat dit inhoudelijk correct is, lijkt me hier verder wat betreft stijl en spelling niks op aan te merken. Toch was er een reviewer die deze zin niet mooi vond. Hij vond het woordje als niet mooi. "Gaarne als vervangen door indien" was de exacte review-opmerking.


Kijk, en dan word ik een beetje giftig…


Ten eerste is er inhoudelijk geen verschil, en de inhoud telt, terwijl vorm ondergeschikt is. Ten tweede is "als" normale spreek- en schrijftaal, en "indien" is in mijn ogen stadhuistaal. Dat woord hoor je alleen indien je des zondags ter kerke gaat. Als je trouwt hoor je het ook, en je nabestaanden horen het als het moment aangebroken is waarop ze over jou eindelijk niets dan goeds vertellen.

Tenslotte is uit efficiëntie-overwegingen "als" te prefereren, want korter dan "indien". Niemand vindt het leuk om enorme boekwerken te moeten lezen. Het weglaten van allerlei franje en tralala scheelt al gauw een pagina of 6,7 als het document inmiddels 70 pagina's groot is. En er zijn functionele ontwerpen die nog véél meer pagina's hebben.


Na een tamelijk langdurige discussie over dit ene woordje in dit ene zinnetje, kreeg ik schoorvoetend mijn zin en mocht "als" blijven staan. Zucht.


Met een collega die hetzelfde werk doet als ik, hebben we wel eens gefantaseerd over een soort persoonlijke handtekening, een doelbewust frivool foutje dat door alle reviewrondes slipt, en uiteindelijk de eindversie haalt zonder dat je het hebt moeten veranderen. We hebben ook al een goede kandidaat, namelijk het kopje boven de tabel "versiehistorie". Deze tabel wordt wel eens ingekeken, maar altijd vluchtig, en het kopje boven deze tabel is één van de slechtst gelezen stukjes van het functioneel ontwerp.

Wij willen dit kopje wijzigen, en wij denken dat deze wijziging kans maakt om onopgemerkt de eindversie te halen.


Het moet mogelijk zijn om dit werk jarenlang te doen, en de wijziging aan te brengen in elk functioneel ontwerp dat ik maak. Ik durf te wedden dat niemand het ooit ziet. Pas aan het eind van mijn werkzame leven zal ik "Het Geheim" openbaar maken. Mijn collega's in de gang eten gebak en ik sta ongemakkelijk tegenover hen het middelpunt van de belangstelling te wezen. Mijn chef houdt een toespraakje waarin mijn ijver, mijn punctualiteit en zakelijkheid worden geroemd. Vervolgens vraagt hij me wat ik in al die jaren allemaal wel niet gedaan heb.


"Dat is makkelijk," neem ik ongemakkelijk het woord. "Elk document waarin het woord versiehysterie staat in plaats van versiehistorie, is van mij."

20 februari 2007

Neither en Nor opgefrist

In mijn werk ben ik betrokken bij een Europees project, waar een stuk of vijftien landen aan meedoen. De voertaal in dit project is Engels. Het betreft een groep mensen die maar een paar keer per jaar samenkomen, maar tussendoor wordt er aardig wat heen en weer gemaild.


Een leuk ding aan zo'n project is dat blijkt dat wij Nederlanders best een aardig woordje Engels spreken. Okee, ons accent is niet alles, en in een presentatie gooien we er af en toe een wat vreemde frase in ("Please mind the business of authorisation" hoorde ik mijzelf niet zo lang geleden waarschuwend toevoegen aan een zin die toch al niet zo goed af aan het lopen was), maar over het algemeen weten wij ons wel redelijk vlot uit te drukken.


Dat is niet voor iedere Europeaan weggelegd. In dit project zit bijvoorbeeld een Spanjaard die ons veel mails stuurt, die vaak beginnen met een eerste en foutloze zin "My English is very bad so I apologize for any misunderstanding", maar dan komen er drie zinnen achteraan waar je jouw ogen van uitwist. Vervolgens moeten er twee collega's aan te pas komen voordat we ontcijferd hebben wat de goede man vermoedelijk bedoelt.


Ken je van de Engelse les nog de combinatie "Neither… nor…"? Rinkelt vast wel een bel, nietwaar? De grammaticaregels staan me niet meer zo helder voor de geest – dat soort dingen hebben me altijd maar matig geïnteresseerd – maar het is een soort herhalende ontkenning.

Neither whisky nor cognac could mend my broken heart.


Het zijn van die constructies waar je maar liever je vingers niet aan brandt wanneer je redelijk begaafd bent, zonder dat je de taal echt vloeiend spreekt of schrijft. Eén van onze Europese vakbroeders uit het verre Letland dacht daar anders over. Hij mailde ons omdat hij allerlei URL's moest goedzetten, maar dat lukte niet helemaal. Zijn tekst was:

Neither * de ene URL * nor * de andere URL * was not reachable, so it didn't work.

18 februari 2007

Brand

Het suffige straatje waar ik woon, was een paar jaar geleden plotseling vol van leven. In de straat stonden een paar panden die bestemd waren voor de sloop. Het betrof een paar garages en loodsen, maar er was ook één huisje bij. Ondanks dat er een groot hek om het huisje stond, was het gekraakt.


Plotseling passeerden een aantal keren per dag groepjes mensen mijn raam, mensen waar een wat oudere mevrouw uit mijn buurt schande van sprak, want ze waren haveloos gekleed en ze wasten hun lange haren nooit. Die kleren en haren zat ik niet zo mee. Wat wel opviel was, dat het nogal veel mensen voor zo'n klein huisje waren – zeker vijftien verschillende gezichten in twee dagen tijd – en dat deze mensen behoorlijk luidruchtig waren.


Preciezer gezegd, één vrouw uit het gezelschap was luidruchtig. Ze droeg een samenraapsel van kleren, leren jack, trainingsbroek, truttige sjaal, en aan de ene kant zag ze er hard en vrijgevochten uit, maar aan de andere kant leek ze ook tamelijk jong, misschien niet meer de schoolgaande, maar zeker nog wel de studerende leeftijd. Haar woordenvloed was als een dikke rij auto's op een snelweg. Alle auto's samen maken een oorverdovend lawaai, maar het geluid van één individuele auto is nauwelijks te isoleren.


Ik was haar één keer tegengekomen terwijl ze heftig aan het argumenteren was met een vrouw, haar vriendin misschien. Die vriendin probeerde kalm te blijven, maar aangezien ik als passant al onrustig werd van de rauwe woorden en wilde gebaren die ik zag, betwijfel ik of dat lukte. Opgewonden standje.


Toen op vrijdag een groepje van drie mannen, onder andere gehuld in onvermijdelijke Palestinasjaals, mijn raam langs slenterden. De schelle stem van het opgewonden standje kwam hen achterna. Terwijl haar zware zwarte legerlaarzen op een holletje langs mijn raam paradeerden, schreeuwde ze "Wacht nou even, wacht nou even", en met de adem die ze nog over had, maakte ze de kerels op viswijvenvolume uit voor alles wat mooi en vooral lelijk was.


Zaterdag kwam zij als eerste langsparaderen, en dit keer schreeuwde ze haar tirade achterom. Even later kwamen diezelfde drie kerels als gisteren langs sjokken, en één van hen riep iets naar haar, volgens mij "Hou nou eens je kop trut".


Nou, daar kon ik het wel mee eens zijn.


Op zondag stond plots één van de mannen aan mijn deur, met een kopje. Ze waren samen aan het koken. Ze kregen zin om een grote pan nasi te maken, maar toen bleek dat ze vergeten waren om olie te kopen. Er kwam nog een heel omstandig verhaal achteraan waarom ze dit nou vergeten waren, en dat het echt niet de bedoeling was om mij op kosten te jagen, en dat zij dus de nieuwe buren waren, en dat ze…

"Van mij krijg je olie," zei ik, wat "ontzettend tof" van me was. Ik vroeg nog of ze niet weg moesten uit hun net nieuwe huis, want ik had begrepen dat het slopen aankomende maand zou beginnen. Er volgde een omstandig verhaal dat er op neerkwam dat ze in onderhandeling met de gemeente waren, en dat ze misschien wel zouden mogen blijven. Ik knikte vaag en misschien welwillend, maar wenste hem geen succes, want vanwege al dat geschreeuw op straat was ik nog niet zo blij met mijn nieuwe buren.


Een paar nachten later droomde ik iets dat met zwemmen, duiken en vissen te maken had, maar er slopen geluiden mijn droom binnen die niet te rijmen waren met mijn verblijf onderwater. Ik sloeg mijn ogen op en de vissen waren weg, maar de geluiden die ik niet kon thuisbrengen, niet.

"Jezus, wat een lawaai," dacht ik. Werd er vuurwerk afgestoken? Nee. Werd er hout gesprokkeld? Belachelijk, hoe kan dat nou middenin de stad.


Plotseling schoot ik behoorlijk wakker mijn bed uit, want ik wist dat ik hout hoorde knappen, en voor het geknetter dat het knappen begeleidde, had ik een verklaring bedacht.


Ik haalde het gordijn voor één van mijn dakraampjes vandaan, en ik zag meteen een fikse rookpluim uit het gekraakte huisje komen. Binnenin het huisje, achter het gat in het dak, zag ik iets gloeien. Inmiddels rook ik het ook.


Brand.


Mijn biologisch bepaalde eeuwenoude overlevingsinstincten legden mijn versufte verlangen om terug in bed te kruipen het zwijgen op. Ik werd helder en alert. Drie snelle conclusies:

1. Ik blijf niet binnen, want als een vonk op het dak valt, ben ik liever buiten.

2. Dus warme kleren aantrekken.

3. Wat moet ik meenemen voor het geval dat…


Ik zag af van iets mee te nemen. Het huisje dat in de fik stond, was vlakbij, maar de wind voerde de vonken naar de andere slooppanden, en niet naar mijn dak. Tenminste, dat hoopte ik.


Een voertuig met zware dieselmotor kwam mijn straatje inrijden. Dit moest wel de brandweer zijn.


Toen ik beneden was, werd het zicht op de buitenwereld via mijn ramen volledig geblokkeerd door de grote, rode brandweerwagen. Er werd op mijn deur gebonkt. Ik moest er uit van de brandweer, en ik ging, want ik had zelf immers ook geconcludeerd dat ik er uit moest. Buiten stond een persfotograaf met mijn overbuurvrouw te onderhandelen of hij vanaf haar bovenramen mocht fotograferen, want haar pand was verreweg het hoogste pand van de hele straat.


Buurtgenoten stonden net als ik wat versuft, wat ongerust en een klein beetje lacherig naar de fik te kijken.


Even later werd ik met al mijn straatgenoten, vijftien of twintig man, naar de ingang van het straatje gedirigeerd. Op dat moment sloegen de vlammen door het dak van het huisje heen. Dit was ook het moment dat de persfotograaf afdrukte.

Het leek heel wat op de foto, maar zodra de spuit er op werd gezet, was het vuur in een paar minuten bedwongen. Inmiddels verschenen een aantal bewoners van het eerst gekraakte en nu affikkende huisje bij de ingang van de straat. De vriendin van opgewonden standje huilde dat ze gewond was, en er was inderdaad iets met haar been. Ze werd meegenomen door de politie naar het ziekenhuis. Een paar mannen en het opgewonden standje werden door politieagenten samengebracht. Ze moesten mee in een auto naar het bureau voor verhoor. Het opgewonden standje begon opgewonden een verhaal, maar werd tamelijk hardhandig als eerste naar de auto begeleid.


Een politieman kwam ons melden dat de brand meester was, maar dat we nog niet terug mochten naar huis, want men ging eerst onderzoeken of vanwege de brand gevaarlijke stoffen vrijgekomen waren. De afloop van het onderzoek mochten we afwachten op het bureau.


In het holst van een doordeweekse nacht reed ik naast een politieman door een lege straten van de stad. De agent zag wat betreft snelheidslimieten respecteren overigens geen voorbeeldfunctie voor zichzelf weggelegd.


Op wachtkamerstoelen op het politiebureau - voorzien van koffie die aan de smaak te oordelen nog nooit aan een onderzoek onderworpen was of er geen gevaarlijke stoffen in zaten - wachtten mijn buurtgenoten en ik tot we terug mochten. Ik hoorde allerlei verhalen over allerlei overlast die de krakers annex junks veroorzaakt hadden, waarvan ik alleen het schreeuwen op straat meegekregen had. De algemene mening was dat men zelf de boel in de fik gestoken had, want men had namelijk van de autoriteiten te horen gekregen dat men niet mocht blijven.


Later heb ik nooit meer gehoord of dit ook uit het onderzoek van de brandweer bleek. Later heb ik wel gehoord dat opgewonden standje een strafblad had. Verstoring van de openbare orde zeker? Huisvredebreuk? Belediging van een ambtenaar in functie?


Nee, ze had haar man vermoord. Haar (inmiddels dus ex-)man greep nogal graag naar de fles. Na een ruzie over geld die een beetje uit de hand liep, greep zij naar een mes.

17 februari 2007

Fryslân in Februari


Haskerdijken 17-2-2007

16 februari 2007

De dag ervoor

Er zijn dagen dat je achteraf nog precies wist wat je deed, en achteraf wordt daar nog naar gevraagd ook. De nacht dat de eerste Golfoorlog begon, staat me nog helder voor de geest. Na een avond bridgen eindigden we in de kroeg, overigens het normale scenario in die dagen. Met een groepje bespraken we de toenemende dreiging, en dat werd een verhitte discussie over wat er zou gebeuren, hoe snel het zou gaan, hoe veel doden er zouden vallen, en of het hele Midden Oosten en misschien wel de halve wereld in oorlog zou raken.

Op een gegeven moment is iedereen dergelijke discussies ook weer even zat, en er werd nog een rondje gehaald, en vervolgens ging het gesprek weer over de gebruikelijke dingen, dingen die je meer dan 15 jaar later echt niet meer weet. Er gingen mensen naar huis, en ons groepje versplinterde. Met de vrouw op wie ik al tijden verliefd was, terwijl ik ook al tijden wist dat ik haar nooit zou krijgen, hing ik nog even aan de bar om ons laatste biertje op te drinken, maar het rode licht was nog niet gedoofd dus misschien kwam er nog wel een laatste biertje.


En toen ging de televisie aan, en die kraakte onder het geluid dat precies leek op het geluid van ons vuurwerk op oudejaarsnacht. En Peter Arnett zei "The skies are illuminating over Baghdad". En er was licht. Lichtflitsen tegen een donkere hemel, grote vuurballen die langzaam zakten, en kleine spikkeltjes die omhoog schoten.


11 september 2001 is ook zo'n dag. En de dag dat Theo van Gogh vermoord werd, hoewel ik eerlijk gezegd even kwijt ben op welke datum dit ook al weer gebeurde.


Ik wil het hebben over de dag ervoor. Het leuke is dat je dan nog van niks weet. Vandaag bijvoorbeeld lijkt tot nu toe erg alledaags. Opgestaan, krant gelezen, computer aan, mail checken – hé 3 nieuwe comments, leuk – en stukje doen. Maar stel je voor dat er morgen nou eens een grote terroristische aanslag is, of Balkenende wordt neergeschoten…


Of in mijn persoonlijke omgeving gebeurt iets wat mijn leven verandert. Morgen kom ik misschien de vrouw tegen van wie ik de rest van mijn leven zal houden. Dat plaatst vandaag in een heel ander daglicht, want dan is vandaag de laatste dag van mijn oude vertrouwde, niet slechte, maar wel een beetje eenzame leven.

En als er morgen iets vreselijks gebeurt, kan ik maar beter proberen van vandaag nog iets te maken.


Misschien gebeurt er morgen niks. Misschien is morgen net zo'n dag als vandaag, een dag die me over 15 jaar niet meer bijstaat. Maar het is wel leuker om te denken dat er morgen wat zal gaan gebeuren. Vandaag wordt er zelfs al leuker van.

13 februari 2007

Passanten

Eindelijk een fietspad het bos in en weg van de snelweg. Na een paar minuten slingeren door het bos was het geraas van auto's een verre achtergrondruis geworden. Eindelijk rust. Ik stopte even om te luisteren naar de stilte. Vogels hoorde ik. Wat een hoop vogels als je even de tijd nam om er naar te luisteren.


Het ongestoorde luisterplezier duurde niet lang. Het was een geluid dat ik in eerste instantie niet thuis kon brengen. Het was een soort tingel-tingel-tingel. Vervolgens bleek het tingel-tingel-tingel het intro te zijn van een liedje. Een bekend liedje ook nog. Maar welk liedje was het ook al weer?


De bron van de tamelijk luide muziek kwam in het zicht. Het was een invalidenwagen, voorzien van chauffeur en zo te horen best een flinke installatie. De chauffeur had z'n zomerjekkie open, een sjekkie in de mond, en hij toerde rechtop zittend, genietend rondkijkend met z'n muziekie door het bos.


"Een eigen huis, een plek onder de zon," dat was het liedje.


Hij passeerde terwijl het refrein begonnen was, stak vrolijk z'n hand op en het sjekkie in zijn mond bewoog mee met het bewegen van zijn lippen, die de vorm aannamen alsof hij een (tandeloze) luchtzoen gaf, maar waarschijnlijk zei hij gewoon "hallo" of "hoi" of "heu" of eigenlijk wist ik niet precies hoe ze groeten in Salland.


Inmiddels had ik meer oog voor zijn bijrijder, ook zijn vrouw vermoedelijk. Zij bereed een fiets en kwam een paar dozijn meter achter hem aan. Het ging een beetje vals plat omhoog, en ze moest nu echt vol op de pedalen om niet verder achterop het elektrisch voortgestuwde invalidenwagentje te raken. Er kon geen groet vanaf toen ze langskwam. Hoe het met haar verstand gesteld was, wist ik niet, maar de blik was duidelijk op oneindig.


"Leen," riep ze luid, direct voorbij een slinger in het fietspad die haar achter een grote struik deed verdwijnen.


Ik luisterde, maar hoorde haar niet opnieuw roepen. René Froger stierf langzaam in de verte weg, en met zijn verscheiden keerde het gefluit van vogels terug.

10 februari 2007

Heavy Stuff

Ik moet het hier nog een keer over hebben. Ik heb er een tijdje tegenaan gehikt en ik heb het een tijdje uitgesteld. Nu moet het toch maar, hoewel dit helemaal geen lekker leesvoer gaat worden. Ik doe het voor mezelf, en misschien doe ik het omdat één van de tweehonderd tieners die nu een flinke joint zit te bouwen, hetzelfde gaat meemaken als ik.


Uniek is het niet, een "drug induced psychosis", maar er zijn niet veel mensen die het van hasj krijgen. Op de meeste Nederlandse sites staat vergoelijkend dat hasj niet gevaarlijk is, en voor heel veel mensen is dat waarschijnlijk ook zo. Voor mij niet.


Het verschijnsel kun je op Internet gewoon terugvinden. Het plaatje van mijn hallucinatie, een "lattice hallucination caused by marihuana" staat bijvoorbeeld hier, Figuur 42, linker plaatje.

Wat me overkwam was gewoon een grapje van de visuele cortex als deze heel lekkere snoepjes krijgt. Angstig was het wel. Ik was voor het gebeuren nog nooit zo bang geweest, en daarna ook niet.


Het was een halve gram in één sigaret. Ik weet eigenlijk niet eens of het vrij veel of heel veel is. Eventueel is het misschien zelfs niet eens zo gek veel. Vóór deze sigaret was ik een keer of drie stoned geweest van een paar trekjes. Gewoon stoned, waarmee ik bedoel stoned met de verschijnselen die andere mensen ook hebben.


Dat het heftiger was dan voorheen bleek al snel, ik zat ervan te trillen. Een normale sigaret draaien wilde nauwelijks. Het voor mij destijds doodnormale roken voelde ook al vreemd. De geluiden waren zo dichtbij, de muziek die opstond zo ver weg. En toen sloot mijn gezichtsveld zich om mij heen. Grappig, een kaleidoscoop, dacht ik eventjes, maar vervolgens werd ik door mijn eigen gezichtsveld plat op mijn rug op mijn bed gedrukt, en die kaleidoscoop bedekte me als een gezichtsmasker. Het licht vervormde. Het werd grimmig. Donker.


Ik liet het even toe. Even was ik gehoorzaam.


Maar toen wilde ik niet meer. Dit wilde ik niet. Ik vocht mezelf overeind. Goddomme zeg, ik wilde gewoon een paar uurtjes naar muziek luisteren met stonede oren en daarbij een beetje levendig fantaseren. Ik had niet gevraagd om dit soort heavy beeldmateriaal. Ik ging zitten en zat te trillen als een riet. Ik voelde mijn hart in mijn keel bonken alsof ik drie straten doorgerend was. Vervolgens kwam de eerste golf van angst uit mijn buik, en mijn hersencellen onder invloed verzonnen daar braaf fantasierijk het overgeven van ingewanden bij. Ik volhardde in dit soort beelden, een heuse horrorfilm met bloed en andere rotzooi. Ik wist te vluchten uit deze ellende door het donker om me heen te maken.


Vervolgens zag ik de terugweg naar het licht niet meer. Ik doolde op de tast, maar alles was zwart.


Ergens op goed geluk kwam ik terug in het licht, en in mijn kamer, en bij de muziek. Zo, dacht ik opgelucht, het ergste hebben we gehad. Mijn teruggekeerde tijdsbesef sloeg aan het rekenen en schatte de tot nu toe verstreken tijd op hooguit een paar minuten. De angst was meteen weer terug, maar zakte ook langzaam weer weg toen ditmaal de akelig levensechte verzinsels uitbleven. Ik draaide een sigaret, besloot om rustiger te ademen, en besloot om naar de muziek te luisteren en daar in op te gaan.


Joy Division – Day Of The Lords. Ik luisterde en hoorde de muziek vervormen zoals ik wilde. Ja, dit was lekker. Ik begon van de muziek te genieten, nog onkundig van het feit dat ik dit nummer na deze avond 5 jaar lang niet durfde draaien.


Op de golven van de muziek ontvouwde zich een kleurrijk spel van licht en spiralen. Kijk, dit waren het soort voorstellingen waarvoor ik die halve gram had geïnhaleerd. Maar plotseling donderde het hele bouwwerk van licht en spiralen in elkaar. Ik werd bedolven onder puin. Het licht was weg. De muziek was weg. Ik was alleen in een lege pikzwarte ruimte.


Eén voor één kwamen beelden, een soort portretfoto's, langs van dingen die me dwarszaten. Ik weet ze niet allemaal meer, maar in ieder geval was er een onbeantwoorde liefde, het gevoel dat het leven in het algemeen en mijn leven in het bijzonder zinloos was, een practicum, fantasieën van enge ziektes, inactiviteit, mijn gebrek aan initiatief.


Het grapje van de visuele cortex, de "lattice hallunication caused by marihuana", wervelde overal voor en boven me rond, en de dingen die me dwarszaten versperden me de weg naar het licht. Ik begon te vechten om uit de spiraal te komen. De gedachtekronkels in mijn hoofd lieten me ontsnappen uit de dingen die me dwarszaten, maar dan beet de gedachte zich in zijn eigen staart en ontstond een nieuwe spiraal van dingen die me dwarszaten. De spiralen die ik zag gingen steeds sneller draaien terwijl de gedachtestroom in mijn hoofd dezelfde spiraalvorm had aangenomen. Een keer of wat wist ik op steeds nieuwe manieren te ontsnappen uit de spiraal, maar het was als Lord Of The Rings, er kwam een tentakel uit de diepte en die greep mijn been en sleurde me terug naar de spiraal van dingen die me dwarszaten.


Het begon me te dagen dat er geen uitweg was. De spiraal werd een duidelijke tunnel en in mijn hoofd klonk een uitnodiging om te springen. Die tunnel was de weg naar de dood. De enige uitweg was de dood.


Nee. Dat niet. Alles, maar dat niet.


Het kolkte nu om me heen. De witte randjes rondom de zwarte plaatjes losten op in het zwart en alles was donker behalve aan het eind van die tunnel. Ik kon dus terug naar het licht, maar moest daar wel een prijs voor betalen, namelijk de dood. Ach. De angst van zonet voor die constatering werd al wat minder. Zelfs vluchten naar de dood leek beter dan in dit kolkende zwart te moeten blijven. Toch verzette ik me nog even, maar het tolde alleen maar steeds harder en steeds zwarter. En dus nam ik de enige weg die openstond. De duik naar de dood. Ik sprong en liet het zwart achter.


Ik sloeg mijn ogen op en was verbaasd om mijn kamer te zien. Ik zag licht. Ik voelde warmte. Ik voelde me loom en rustig. Het was fijn om hier te liggen, maar wel een beetje gek want ik bevond me op de grond. Gewond was ik geloof ik niet, maar wat deed ik hier nou eigenlijk? Vervolgens herinnerde ik me vaag dat ik vanaf mijn bed met medeneming van mijn dekbed in een tunnel gesprongen was. Een tunnel waarvan ik rotsvast overtuigd was geweest dat die naar de dood leidde.


Het was best een fijn gevoel om niet dood te zijn. Het was echt fantastisch om niet dood te zijn.


Mijn teruggekeerde tijdsbesef begon weer te rekenen. Ik zocht de wekker, maar kon me niet herinneren op welke tijd deze stond toen ik de vorige keer aan het rekenen was. Maar ik wist nog wel bij benadering wanneer ik was begonnen met de joint te roken. Dat was nog geen uur geleden. Het roken had een minuut of twintig in beslag genomen en er was nog een kwartiertje overheen gegaan voordat mijn lijf aan het trillen was geslagen. Ik kon nauwelijks geloven dat al die gekkigheid van daarnet in mijn hoofd amper een half uur geduurd had. Ik zag het licht weer op een stonede manier en realiseerde me dat ik nog minstens twee uur stoned zou blijven.


Ik werd weer onrustig, heel snel heel erg. Ik stond op en werd weer bang. Heen en weer lopen en kalmerende mantra's hielpen geen zier. In een oogwenk stond ik te trillen. In nog weer een oogwenk had ik mezelf wijsgemaakt dat ik deze trip weliswaar zou overleven, maar ik zou wel krankzinnig blijven. Er ging een krankzinnige gedachte door mijn kop terwijl ik deze constatering aanvocht, en toen wist ik zeker dat ik gelijk had. En weer begonnen mijn gedachten een spiraalpatroon te ontwikkelen…


Ik ben vervolgens mijn kamer uit gevlucht, de gang van mijn studentenflat op, in de hoop dat ik iemand zou vinden die zou weten wat te doen om me rustig te krijgen. Dat bleek een nogal ijdele hoop.


Maar daar heb ik het misschien later nog wel eens over.


Mijn hoofd voelt druk en een beetje instabiel vanwege het oprakelen van deze herinnering. En ik voel wat stress, een klein beetje van de angst van toen, ondanks dat ik al een hele tijd niet meer bang ben dat ik in normale omstandigheden, zonder een joint te roken, ook een psychose kan krijgen.


Ik ga een lekkere borrel nemen.

09 februari 2007

-igie +ativeren

De aanleiding voor dit stukje is tamelijk onbenullig. Na vriendelijk aandringen van één van mijn trouwe lezers heb ik mij aangemeld voor een account op Hyves. Zo'n account behelst onder andere het invullen van een profieltje. Het zesde item van dit profieltje is "Religie". Mijn leeftijd is belangrijker, maar mijn woonsituatie is onbelangrijker. Mijn geloofsovertuiging wordt eerder gelezen dan mijn passies, en datgene wat ik lees, luister en kijk.


Als je het niet gelooft, bekijk dan zelf mijn profielpagina.


Ik ben gelovig opgevoed, en vroeger was ik een gelovig jongetje. Dat was gewoon een voldongen feit. Twijfels erover had ik niet, bedenkingen daarbij ook niet. Het was net als Sinterklaas, die bestond ook gewoon. Het was doodgewoon dat er een vriendelijke man was met een rode jurk en een grote witte baard die op school cadeautjes uitdeelde. De bezwaren kwamen pas later, en pas nadat jongetjes die ouder waren dan ik, begonnen te twijfelen. Waarom was die jurk bij de ene verschijning van Sint lichtrood en bij de andere verschijning donkerrood, en waarom waren zijn lippen de ene keer zichtbaar tussen zijn baard en de volgende keer niet, en vanwaar die elastiekjes, en valt zo'n paard bij sneeuw niet van het dak, en hoe doet Piet dat met centrale verwarming?


Geloven was zelfs een warm gevoel soms, het gevoel ergens bij te horen.


Dat gevoel verdween vanzelf. Op een gegeven moment was ik ongeveer tien, en daar zat ik dan hoor. Terwijl buiten achter hoge verre ramen de zon jubelde, bevond ik me in een koude, donkere hoge ruimte, op een keiharde houten bank, temidden van chagrijnige, ernstige en zwijgende koppen, monden die langzaam kauwden op een pepermuntje. Ver weg en hoog op een preekstoel in de schemer stond een man in een zwarte toga van papier een verhaaltje over passie en liefde voor te lezen, en daarbij mislukte pogingen te doen om in zijn ingestudeerde stemverheffingen enige passie en enige liefde te leggen. En ik moest blijven zitten tot die man "amen" zou hebben gezegd, en dan deden we nog zingen-staan-bidden-zitten-zingen, en dan pas mocht ik weer naar buiten.


Ik was in mijn hart al ongelovig voordat de vragen überhaupt opkwamen.


De standaardvraag van de ongelovige is natuurlijk waarom God Saddam Hussein, zelfmoordterrorisme en de Holocaust mogelijk maakt, en waarom God niks doet aan aardbevingen, tsunami's, en dusdanig hevige motsneeuw in Nederland dat een weeralarm moet worden afgekondigd? Volgens mij is het antwoord simpel dat God zo verstandig is geweest de mens een vrije keuze toe te staan.

De mens is creatief, maar of hij die creativiteit gebruikt om een schitterend doek van 4 bij 4 te schilderen of een waterstofbom uit te vinden, bepaalt hij zelf. En zo is het ook met ons gedweep. God heeft ons het vermogen gegeven om te aanbidden, maar wij kiezen voor wie wij dit vermogen inzetten. We kunnen God aanbidden, maar ook Marco Borsato of Ghandi. Of de Bhagwan, of Jomanda, Sonja Bakker, mensen die zeggen wat ze denken en doen wat ze zeggen. Wij adoreren, tot en met nazi's, mensenetende dictators en mensen die oproepen tot Jihad.


Het gekke is dat God ons een vrije keus geeft, maar wij gebruiken deze keus om religies te verzinnen, instituten die onze keuzevrijheid inperken, door op basis van een heilig boek een aantal (klein) keuzes te bestempelen als goed en een ander aantal (groot) keuzes als slecht. Daarnaast geldt dat in de statuten staat dat de leden van de club alles moeten doen om zieltjes te winnen voor de club. Hoewel moderne christenen er vaak omheen lullen, volgt uit dit statuut dat het niet kan bestaan dat er mensen zijn die anders denken dan dat de club denkt, want je ziet die mensen per definitie als mensen die (nog) niet de juiste weg naar het licht hebben gevonden. Een discussie met een christen is dan ook niet mogelijk. Met een gelijk waar niet aan te tornen valt, is er weinig te discussiëren.


Tenslotte is het frappant dat gevoel voor humor omgekeerd evenredig is met geloofsfanatisme.


Een ware geloofsfanaat had de aanleiding tot dit stukje beschouwd als een teken van God, in plaats van iets onbenulligs.


Behalve een vrije keus, heeft God ons ook het vermogen gegeven om onze keuzes te relativeren. Bittere noodzaak, want we doen natuurlijk gewoon maar wat. Onderzoeken tonen aan dat we wasmiddelen kopen omdat de reclame ons ergert, een auto om de kleur en een huis vanwege de geur van appeltaart.

Religie verstikt het vermogen tot. Relativeren. Religie en. Relativeren gaat gewoon niet in één zin.


Het vermogen tot relativeren is ons enige medicijn tegen blinde aanbidding voor slechteriken, tegen het blind volgen van de verkeerde leerstelling, tegen het vervallen in staatsterreur, moordpartijen en burgeroorlogen die zo veel jaren duren dat niemand nog weet waarom het moorden nou eigenlijk begon.

Alleen als we relativeren, kunnen we deze aaneenschakeling van onbenulligheden en toeval dat wij leven noemen, blijven volhouden. Als we het te ernstig nemen, zullen wij onszelf te gronde richten door de planeet op te blazen of onherstelbaar te beschadigen. En vermoedelijk zullen we dit doen "uit naam van God".


Volgens mij staat in jullie boek dat God de mens geschapen heeft naar Zijn beeld. Als wij kunnen relativeren, kan Hij het dus ook. En dus kan ook Hij in de spiegel kijken en om zichzelf lachen.

07 februari 2007

Opgelost

Hij dacht na.


Hij piekerde en redeneerde, delibereerde. Hij pakte een vel papier en tekende een schema, maakte een grafiek. Hij verdeelde het papier in hokjes en plaatste vierkantjes en rondjes en sterretjes in verschillende kleuren.


Hij hield het papier verder bij zijn ogen vandaan en probeerde het patroon te zien.


Hij zuchtte en hij legde het papier terzijde. Hij veerde weer op, liet zijn hoofd op zijn handen rusten en dacht na tot hij scheel keek. Hij zuchtte nog dieper. Hij zakte onderuit, diep weg in de kussens van de bank. Hij dacht nog steeds, maar zijn gedachten waren inmiddels afgedwaald. Naar lekkere dingen. Een lekker ding. Meer van dergelijke gedachten.


Hij ging aan het eind van de avond naar bed en toen hij lekker en warm lag, piekerde hij nog even door. Het lichaam bleek vermoeid en de geest had geen zin meer. Dus draaide hij zich op zijn zij en sliep in.


Ergens om een uur of vier werd hij wakker. Ergens tussen het staartje van zijn droom en het begin terug in de realiteit was in zijn gedachten het juiste beeld verschenen, gekoppeld aan de juiste woorden, gekoppeld aan de juiste mengeling van gevoelens.


En nu wist hij het.

03 februari 2007

Dreadlock Drente

Deze meningsuiting kwam ik tegen op een viaduct op het platteland, dus niet in of vlakbij een stad. Ik neem aan dat dit gedaan is door jongens die in de buurt wonen. Het viaduct is in de buurt van Tynaarlo, dus deze teksten zijn vermoedelijk gespoten door jongens of jonge mannen uit Tynaarlo.


Ik moet eerlijk zeggen dat de problemen van Tynaarlo mij niet bekend zijn. Wellicht is het zo dat dit Drentse dorpje overspoeld wordt door allochtonen, zodat de autochtone jongeren geen banen en geen huizen in hun eigen omgeving meer kunnen vinden. Maar ik geloof er eigenlijk niks van. Toen ik na het passeren van deze viaduct een paar kilometer verder door Tynaarlo reed, was het er erg rustig. Ik zag maar drie mensen, dus geen representatieve steekproef, maar deze drie mensen waren allemaal wit, en ze zagen er net zo Nederlands uit als ik, en dat is heel Nederlands.


Ik sluit uit dat de witte man uit Tynaarlo werkelijk in zijn voortbestaan wordt bedreigd, dus de leus is geen hartenkreet. Hij die bedreigd wordt, verliest zijn kansen en keuzes, maar ik denk dat de racistische leus te maken heeft met precies het omgekeerde van geen kansen en geen keuzes hebben. De jongen uit Tynaarlo, ook al is hij niet intelligent en niet handig, zal tientallen kansen krijgen en honderden keuzes kunnen maken. Moeten maken.


Iedereen denkt of droomt wel eens dat het bedje gespreid is. Alles is geregeld. Dat moeilijke en vermoeiende gedoe dat alles grijs is, moet ook maar eens over zijn. Het is wel zo fijn dat zwart zwart is en wit wit. Met je kameraden omgaan wordt ook veel gemakkelijker. Een flater slaan door iets te beweren of te vinden waar je kameraden het helemaal niet mee eens zijn, kan bijna niet. Vanwege twee simpele regels.


De eerste regel is dat alle misdaden gepleegd worden door niet witte mensen, misstanden de schuld zijn van de onredelijkheid van niet-witte mensen, en mislukkingen van jou of van andere witte mensen, worden veroorzaakt omdat de niet-witte mensen zonodig weer wat in de schoot geworpen moeten krijgen.


De tweede regel is FC Groningen Forever.


Bij FC Groningen ben je zo vanuit Tynaarlo. Je stapt met z'n vieren in de tweedehands felrode Opel Astra van Geurt, die niet meer op school zit en nu een baan heeft in de bouw. Cool karretje hoor. Verlaagd chassis en opgepimpt met sierstrips, spoilers en lampen in diverse kleuren. Je pakt de snelweg en amper een kwartier later sta je voor de stoplichten bij afslag Euroborg, waar de auto boenka-boenka-boenka doet op al weer oude gabber. Maar in Tynaarlo gebeurt alles wat later, dus dat geeft niet.


Na afloop van de wedstrijd ga je de stad in. Geen uitgaansavond is compleet zonder met vier tegen één een Marokkaan uit te schelden of bang te maken, zeker als FC Groningen verloren heeft. Ach, het lijkt misschien agressief, maar het is gewoon een spelletje. Een beetje keten met jongens onder elkaar moet toch kunnen?


Je bent jong en er gebeurt wel eens wat. Ach, nou ja, ze hebben ook een keer een Marokkaan in elkaar geslagen, maar dat weet niemand want die Marokkaan bloedde gelukkig niet dood en durfde gelukkig geen aangifte te doen. Dat ging inderdaad wel ietsje te ver. Daarna was het ook niet zo leuk meer, trouwens.


Gelukkig kwam daarna snel de vaste baan, en kort daarna de vrouw en het kind. De kale kop verdween en maakte plaats voor niet-wilde haren. De jongeman was een braaf en oppassende burger, net als zijn witte buren en witte vrienden. Als hij zijn kameraden nog eens terugzag, wat gaandeweg steeds minder gebeurde, haalden ze herinneringen op aan de voetbalavonturen, en als op feestjes bij het eerste biertje te veel de "Ik ben niet racistisch, maar…" gesprekken begonnen waren, wisselden ze wel eens een blik van verstandhouding.


Was dat van vroeger een spelletje, een baldadigheid, iets wat zij niet zo serieus namen en ik dus ook niet zo serieus hoef te nemen?


Ik zie die jongeman voor me als hij geen jongeman meer is. Hij was een stuk ouder geworden en een heel stuk dikker. Hij bewoonde een vrijstaand huis net buiten Tynaarlo ("Waarom zou je weg gaan als je het hier goed hebt") en met zijn motormaaier bereed hij zijn gazon. Zijn huis en erf waren ruim, maar gelukkig was hij niet. Misschien was hij zijn baan kwijt geraakt. Of zijn vrouw. Of hij kende zijn kinderen niet meer.


FC Groningen zat vijf jaar geleden nog in de Champions League, maar toen bleek die nieuwe Russische eigenaar de belasting op te lichten, en sindsdien heeft FC Groningen torenhoge schulden en bungelt onderaan de Jupiler league.


Terwijl hij nijdig een bocht maakte en het linkerwiel van de maaier eventjes de greppel pakte, zodat hij even scheeftrok en vastzat en zijn machteloosheid voelde, dacht hij met enige weemoed terug aan de Grote Afrekening, waar hij en z'n kameraden vroeger wel eens van droomden. Toen was het een beetje een romantisch idee, gewoon jongens onder elkaar. Biertje erbij, een beetje rondlopen, beetje lawaai maken.


Nu borrelde al zijn frustratie over al zijn mislukkingen omhoog en hoopte hij dat het morgen eindelijk zo ver zou zijn.

02 februari 2007

Gezellig dat u belt

Wij bellen met de directeur van "Perfect Finance" naar aanleiding van het persbericht dat hij gisteren stuurde aan alle grote dagbladen, nu.nl en twee commerciële televisiestations.


"U stelt in uw persbericht dat uw bedrijf een probleem heeft. Wat, meneer Rinkel, is precies uw probleem?"

"Het probleem zijn mijn telefoonmensen. Ze kunnen er niet meer tegen. Ze trekken het niet meer. Mijn jongens en meisjes zijn helemaal op, meneer…"

"U bent toch zelf degene die belt, meneer Rinkel?"

"Ja natuurlijk ben ik degene die belt. De producten die wij aanbieden, zijn het waard om voor te bellen. Meer dan waard. De voordelen die wij de klant bieden, daar kan geen financier tegenop. De laagste rente, meneer. ZES KOMMA ACHT procent, waar vind je dat nog? Wij betalen u het verschil terugbetalen als u ergens anders een lagere rente tegenkomt, en dan doen we er nog een prachtige laptoptas bij ook."

"Het is me toch niet duidelijk waarom u allerlei kranten belt. Als ik het goed begrijp, belt u mensen op om hen een lening aan te bieden…"

"Wij bellen mensen op om hen financieel met raad en daad terzijde te staan, meneer. Wij geven objectief advies om de situatie van de mensen te verbeteren. Wij zijn er voor de gewone man. De man die met hard werken een eerlijke boterham verdient, en die een fijn huis heeft en een mooie auto, maar zo af en toe wil je toch een extraatje. Wie drooomt er niet van een nieuwe keuken en een nieuwe badkamer, of een LCD..."

"Sorry dat ik u onderbreek, u biedt mensen een lening aan…"

"Wij bieden mensen aan om hun dromen te verwezenlijken. Geheel vrijblijvend advies, meneer. U hoeft helemaal niks te doen, enkel vier eenvoudige vragen beantwoorden, en vervolgens kan de installateur langskomen en is er volgende maand een spiksplinternieuwe droomkeuken…"

"U vindt het dus een probleem dat veel van de mensen die u belt, niet geïnteresseerd zijn in uw aanbieding, advies zoals u het noemt…"

"Het probleem is dat zovele mensen niet goed luisteren. Ze krijgen de aanbieding van hun leven en ze zeggen nee. Of ze gooien de hoorn erop zonder dat ze hebben geluisterd naar ons objectieve advies. Het komt zelfs voor dat onze jongens en meisjes uitgescholden worden."

"En daar kunnen ze niet tegen?"

"Daar kunnen ze niet tegen, nee. Zou u ertegen kunnen als ik u ging uitschelden? Kijk u belt mij met een aantal vragen. Ik ben een fatsoenlijk man, dus ik geef antwoord. Zo hoort dat. Zo moeten we met elkaar omgaan. Ik ga niet zeuren dat u ongelegen belt, dat ik net zit te eten, dat het nu niet schikt… Er is nou nooit eens iemand die zegt: Wat gezellig dat u belt".

"Eh, zou het kunnen dat mensen geen prijs stellen op uw advies, dat naar wij begrijpen ongevraagd is, en dat u blijft doorzeuren en dat men daarom onaardig doet?"

"Dat is nou precies het probleem, meneer. Mensen gooien de hoorn op de haak zonder dat wij mogen uitpraten, en dus horen ze niet dat wij een verdraaid mooi financieel product verkopen, met de allerlaagste…"

"Ja, de laagste rente. Dat is mij onderhand duidelijk. Nu is het zo, dat u in uw oproep maatregelen voorstelt om uw telefoonmensen zoals u zelf zegt bescherming en garanties te bieden, en instrumenten om hen hun werk beter te laten doen."

"Ze kunnen er niet meer tegen, meneer, ze zijn op. Sommigen heb ik huilend vanachter de desk moeten weghalen…"

"Kunt u aangeven wat voor maatregelen u voorstelt, meneer Rinkel?"

"Nou wij constateren dat er een lose-lose situatie is. De klant die wij benaderen, gooit de hoorn op de haak en weet niet dat hij zojuist een geweldige aanbieding mis is gelopen, en onze telefoonmensen worden depressief, roken en drinken bij de vleet en laatst was er zelfs één die het telefoonkoord om zijn hals deed en…"

"Welke maatregelen, meneer Rinkel?"

"Die lose-lose situatie kan met een simpele maatregel een win-win situatie worden. Kijk het moet afgelopen zijn met die hoorn op de haak. Zo gaan we niet met elkaar om. Fatsoen moet je doen, meneer, en daarom willen wij dus een wetswijziging. Als mensen nou gewoon naar ons blijven luisteren, dan kunnen we rustig de financiën doornemen, en de problemen van de mensen oplossen, en dan heeft de klant aan het eind van het gesprek zijn dromen verwezenlijkt, en onze telefoonman of –vrouw kan neerleggen met het gevoel dat weer iemand van zijn euro een daalder heeft gemaakt, want dat is de waar voor het geld dat wij bieden… Maar onze aanbieding is en blijft geheel vrijblijvend, als u toch niet wilt blijven luisteren, en toch niet het eind van het gesprek afwacht, en de verbinding verbreekt, dan betekent dit dat uw automatisch hebt ingetekend op ons basisproduct, "Perfect Credit", een doorlopend krediet tegen de ongelooflijke maandrente van ZES KOMMA ACHT procent. Vraagt u zich niet af waar wij dat van doen? We geven het geld zo goed als weg, meneer…."

"Dus dat is uw maatregel? Degene die u belt is verplicht om ..."
"Geheel vrijblijvend, meneer van de krant, geheel vrijblijvend financieel advies."

"Vindt u dit niet bezopen, meneer Rinkel. De consument zijn keuzevrijheid ontnemen?"

"Keuzevrijheid ontnemen? Natuurlijk heeft de consument keuzevrijheid. Hij kan "Perfect Credit" kiezen, met de laagste maandlasten, maar ook "Credit Plus" een product waarbij je met één telefoontje kosteloos tot 10000 Euro kunt lenen. Staat u bij de Mediamarkt voor de plasmatelevisies en hup je pakt de mobiel en die televisie is van u.. en dan hebben we nog "Credit Premium" waarbij…."

"Volgens mij zijn we uitgepraat, meneer Rinkel. Ik ga u neerleggen."

"Ho even niet ophangen, dat doen we niet meer hè? Fatsoen moet je doen. Kijk, behalve dat je gratis een prachtige laptoptas met vier zijvakjes krijgt, biedt Credit Premium…"


Tuut tuut tuut.

01 februari 2007

Adempauze

Toen ik er voor het eerst van hoorde, via een mailtje, dacht ik dat ik er niet aan mee zou gaan doen. Ik ben wel bezorgd, maar een actievoerder ben ik niet.

Ik heb het over de oproep van L'Alliance pour la Planète om hedenavond 19.55 uur 5 minuten de licht uit te doen, om op symbolische wijze de planeet even rust te gunnen. Een adempauze.

Vandaag hoorde ik dat Tennet gewaarschuwd heeft dat er een stroomstoring kan ontstaan als massa's mensen mee gaan doen aan deze actie.

En ik dacht: Wat een bullshit! Als er weer eens een Idols-verkiezing is, en 8 miljoen Nederlanders gaan SMS'en op de winnaar, dan verdienen telefoonmaatschappijen geld als water, maar verder gebeurt er helemaal niets. En dan zal zeker de stroom uitvallen als 10 of 100.000 mensen een paar lampen uit doen... Zelfs al hebben er miljoenen mensen in het donker gezeten, en dat was vast niet zo, was er niets gebeurd.

Tennet, je bent gewoon bang dat de actie te veel aandacht krijgt, en dat er een paar procentjes van de miljardenwinsten van energiemaatschappijen zullen verdampen omdat meer dan een handjevol bezorgde Nederlanders over de streep getrokken wordt, en men echt iets aan energiebesparing gaat doen.

En dus, Tennet, heb ik meegedaan. Ik heb vijf minuten lang voor het raam naar de volle maan staan kijken, en het was een mooi gezicht. Ik had je gegund dat de stroom echt uitgevallen was, maar helaas, dat gebeurde natuurlijk niet.

Clicky

Clicky Web Analytics