30 maart 2007

Achteraf

De deur viel achter hem dicht en in plaats van hitte sloeg kou hem tegemoet. De wilde Ierse muziek was gedempt tot een terloopse vlaag geluid die door de nacht zweefde. Hij bleef meeneuriën, ook nadat zijn oren de muziek echt niet meer konden horen. De straat was leeg, vol van mist, een klein beetje nat. Hij danste even heen en weer, waande zich in Brendan Beehan's footsteps, maar plotseling struikelde hij over trapjes die hij helemaal niet gezien had, en stond hij waggelend voor een fontein. Hij moest zich schrap zetten om niet voorover in het water te vallen.

"And we raised a glass to JFK and a dozen more besides," mompelde hij toen hij weer op de been was, weer liep, zich ervan vergewist had dat hij ook liep in de richting van zijn huis.

"When I got back to my empty room I suppose…"


Hij stuiterde de hoek om en schrok van de tegenliggers. "Hé," zei ze eerst geschrokken, maar vervolgens zei ze "hoi". Het klonk blij verrast. Hij was ook verrast. Hoe was het mogelijk haar in de stad te treffen op dit uur?

Hij zei haar gedag en probeerde blij te klinken, en was dat ergens ook wel, maar veel zin in een beleefd gesprek had hij niet, en veel hoop dat het gesprek anders dan beleefd zou verlopen, had hij zeker niet.

"Hoe gaat het?" vroeg ze en hij zei goed. "Dronken," zei hij ook, en zij knikte, een beetje gelaten, alsof hij godverdomme ook altijd al dronken was geweest toen hij met haar was.


Pas nu ontdekte hij de jongen die naast haar stond. Haar blik verhelderde en ze wees op hem. "Dit is Gerald," zei ze, en na een korte aarzeling zei ze erbij. "Mijn nieuwe vriend."


Jaloezie voelde hij niet echt. Spijt ook niet. Toch vond hij Gerald onmiddellijk een lul, en hij wist dat hij dit niet voelde omdat het ook zo was, maar omdat het haar nieuwe vriend was. Echt mooi is ie ook niet, dacht hij, toen hij zijn hand schudde. Hij zag er nogal alledaags uit. Zij ook. De gedachte dat hij vroeger naast haar er misschien wel net zo saai uitzag, drukte hij weg. Op de automatische piloot namen ze hun en zijn avond door. Ze knikte toen hij zei dat hij uit de Ierse pub kwam. Het leek er niet op alsof ze zich herinnerde dat ze elkaar daar ontmoet had.


Ze hadden gedanst, wist hij nog. Heel laat en heel druk, zij in een T-shirt, haar lijf overal nat en warm. Toen kwamen hun hoofden vlak bij elkaar en had hij zijn lippen tegen de hare geduwd. Eerst geen weerstand. Vervolgens alle medewerking.


Ongelooflijk dat hij haar toen zo graag wilde zoenen. De gedachte dat hij het nu zou doen, kwam hem zelfs een tikje weerzinwekkend voor. Onwerkelijk vooral. En dat niet alleen omdat die Gerald naast haar stond.


Die dooie diender naast haar had waarschijnlijk kort geleden ook zo iets gedaan. Hij kon het zich niet voorstellen. Hij kon zich haar überhaupt niet meer voorstellen in een situatie dat ze hartstochtelijk was, vurig, geil. Hij wist dat het gebeurd was, heel vaak zelfs, maar het leek alsof de tijd en de drank elke herinnering had uitgewist. Hij keek naar haar en zag iemand naar wie hij niet verlangde. Desondanks misgunde hij dat joch dat naast haar stond die gelukkige grijns op zijn bek. Goeie vriendjes waren ze gebleven. Plotseling voelde hij wel hoe gesteld hij op haar was. Hij voelde iets dat hij miste.


"Nou, ik moet maar eens verder," zei hij, voordat Gerald ongeduldig zou worden en zij zou zeggen "Wij moeten maar eens verder."

"Ja," zei ze. "Slaap lekker."

"Slaap lekker," zei hij, en hij ging verder door de nacht.


Hij hoorde geen muziek meer, kon ook geen muziek meer in zijn hoofd oproepen. Hij liep nu snel, alsof hij voor iets of iemand vluchtte.

27 maart 2007

Burgerlijke ongehoorzaamheid

Hij schraapte zijn keel, plaatste zijn handen bedachtzaam op het katheder, boog zich voorover, bedacht zich. Hij pakte het glas water dat voor hem klaargezet was, nam een grote slok en stond rechtop voor zijn gehoor, dat een eerste geroezemoes als een eerste teken van ongeduld liet horen.


"De wind ruist reusachtig door de oude dus machtig hoge bomen," zei hij, en hij keek de zaal in, de hoofden voor hem donker, de lichten achterin de zaal relatief fel.

"Voorbode van een storm en golven en alsmaar meer rumoer," vervolgde hij. Tijdens zijn stilte kon je in de zaal een speld horen vallen, tot een piepje van een mobieltje dat een SMS'je kreeg, diverse mensen liet schrikken, en de bezitter van de mobiel haastig en dus luidruchtig naar zijn zak greep. Een begin van overal gekuch kondigde zich aan.


"De zomer was er maar is er niet meer, nu is er de herfst, zijn er bladeren die vallen, takken die knakken, het water in heftige beroering gebracht."

Zijn stem won aan snelheid en volume.

"Het water stijgt, dringt zich op, vlijt zich tegen dijken aan, beklimt hen, bestijgt hen, infiltreert en penetreert het talud.."

Inmiddels galmde zijn stem. Gezichten keken hem strak aan, ogen konden of durfden niet meer weg te kijken.


"Het lage land achter de dijk wacht in zompige gelatenheid op de eerste plas, en vervolgens de overstroming. De lucht wordt zo mogelijk nog grijzer terwijl de wind een vlaag van regen nijdig neersmijt, in het gezicht van hij die gaat en nog heel wat te gaan heeft voor hij thuis is."

Hij slikte zijn zin in met een ademtocht. De voorste rijen keken naar hem op, en in sommige ogen was ontsteltenis te lezen. In de achterste rijen werd het kuchen hervat.

"Zal hij het halen?"


Zelfs de mobieltjes die niet uit waren gezet, hielden hun adem in.


"Zal hij…." zei hij en hij keek weg van zijn gehoor naar het donkere plafond en het verre licht. Er kwam fascinatie in zijn ogen, maar een schaduw kwam erachteraan.


"Ik denk van niet," zei hij, en hij schudde zijn hoofd en bleef dat doen. "Ik denk van niet," herhaalde hij, "Echt niet."

Zijn handen maakten zich los van het katheder. Met een droeve glimlach trad hij terug. Hij maakte een wat hopeloos, ietwat verontschuldigend gebaar.

"Sorry," zei hij. "Maar ik heb er geen vertrouwen in. Ik zie er brood noch gat in. Lelijke zin trouwens."


Hij lachte tegen het aanzwellende geroezemoes dat nog verder aanzwol toen hij van het spreekgestoelte afstapte. Hij herhaalde zijn verontschuldigende gebaar.

"Hij haalt het gewoon niet," riep hij luid. "Ik kan het niet beter maken dan het is. Ik kan het niet leuker maken en ook niet makkelijker. Hij haalt het simpelweg niet."

Toen het geroezemoes bozig was geworden, en de eerste mensen begonnen te roepen, maakte hij een wegwerpgebaar. Boos beende hij weg van zijn nog bozere gehoor.

25 maart 2007

Nummer 10

Jeffrey herinnerde zich de manier waarop zijn vader "Hè toe" had gezegd. Daarom was hij gezwicht. Daarom stond hij nu in de kamer in zijn Ajax-shirt en Ajax-broek, een trotse nummer 10 op zijn rug, het shirt door zijn vader netjes in de broek geduwd, want dat was volgens de regels.

Ome Ko en Tante Gretske stonden hem maar wat trots te bekijken, en daarom voelde Jeffrey zich maar wat opgelaten.


"Dennis Bergkamp," zei zijn vader vol ontzag, "en Jari Litmanen natuurlijk".

"En Wesley Sneijder ook," zei ome Ko.

"En Wesley Sneijder ook," herhaalde Jeffrey's vader, niet al te enthousiast.

"Wanneer is de proefwedstrijd nou eigenlijk?"


Jeffrey zei niks terwijl zijn vader aan ome Ko en tante Gretske uitlegde dat het volgende week donderdag begon, en dat het niet alleen ging om één proefwedstrijd, maar ook om drie dagen trainen, met een echte Ajax-trainer. Nee, niet Ten Cate, een jeugdtrainer natuurlijk. En als Jeffrey niet meteen een contract kreeg, dan zou hij best een vervolguitnodiging kunnen krijgen, voor nog eens drie dagen trainen en een proefwedstrijd.

"Jeffrey is toch heel goed, die bokst het toch best voor elkaar om zo'n contract te krijgen…"

"Natuurlijk is Jeffrey heel goed," hoorde Jeffrey zijn vader zeggen, "Jeffrey is echt ongelooflijk goed. Maar we hebben het hier wel over Ajax hè, geen NEC of Vitesse, of Feyenoord…" Dat laatste woord sprak hij uit alsof hij iets heel erg vies zag.

Ome Ko knikte.

"Jeffrey heeft een gouden dribbel, een nette pass en een prima trap, en hij is nagenoeg tweebenig hè, dat is goud hoor… Maar ja, hij is niet één van de grootsten, dus fysiek moet hij nog wat groeien…"


Jeffrey slikte het weeë, zurige gevoel in zijn maag weg. Dat gevoel had hij de laatste paar nachten ook al steeds, sowieso voor het slapengaan, maar middenin de nacht werd hij ook geregeld wakker, wat niks voor hem was.

"Ach, misschien schopt hij er gewoon twee in en dan is het dik voor de bakker met dat contract."

Jeffrey herinnerde zich het moment waarop hij "waarom niet Utrecht" had gezegd, toen de uitnodigingen van FC Utrecht en van Ajax binnengekomen waren, en zijn vader en hij besproken hadden wat te doen. Boos was zijn vader niet geweest. Wel teleurgesteld. Jeffrey wilde zijn vader niet teleurstellen. Jeffrey wilde vreselijk graag zijn vader trots zien.


Terwijl zijn vader en ome Ko nog wat doorbabbelden over de gouden jaren van Ajax en de geweldige spelers, hoorde Jeffrey buiten op het trapveldje bij de Brink het gejoel van de spelende jeugd. Hij wist bijna zeker dat hij Tom had gehoord, en Karel was er vast ook bij, en Dirk. Tot voor kort was Jeffrey er ook heel vaak bij geweest, soms tot in de avond, totdat het zo donker was geworden dat de bal een donkere schim was geworden in het koud geworden gras. Nu wilde zijn vader niet dat hij daar ging voetballen, want stel je voor dat hij een schop kreeg en geblesseerd zou raken.


"Ik doe het shirt weer uit hoor," zei Jeffrey achterom, en zijn vader knikte zonder zijn gesprek met ome Ko te onderbreken. Jeffrey pakte traag het mooie shirt vast en trok het over zijn hoofd. Was het maar het shirt van Utrecht, dacht hij, en hij schaamde zich, want hij droeg het shirt van de mooiste club van heel Nederland, de club waar hij diverse plakboeken van had, en waarvan hij op Internet allerlei feiten en cijfermateriaal verzamelde. Van FC Utrecht verzamelde hij niks.


Misschien zou hij in een Utrecht-shirt niet zo'n buikpijn hebben.

24 maart 2007

De Profeet

Er zijn landen waar je heel goed liftend doorheen kunt trekken, en er zijn landen waar dat niet of nauwelijks gaat. Portugal is een voorbeeld van de eerste soort, Spanje van de tweede. In Spanje wordt je als lifter aangestaard tot en met - als je blond bent en 1.92 meter lang tenminste wel - maar voor de Spanjaard is zijn coche tevens een templo, en in een templo laat je geen half geschoren en matig gewassen buitenlanders binnen.


Toen we van Spanje naar Portugal probeerden te geraken, ondervonden we dat liften in Spanje hopeloos was, dus toen we vanuit Portugal weer wat dichter bij huis wilden geraken, besloten we om de trein van Salamanca naar San Sebastian te pakken, dwars door Spanje heen. Dan konden we aan zee nog een laatste dag vakantie houden, voordat we terug zouden proberen te komen naar Nederland.


Er zaten eigenlijk alleen toeristen in de trein (in Spanje heb je ofwel een templo, ofwel je kunt behalve de templo ook de trein niet betalen). Het was een reguliere trein, dus geen nachttrein met mooie slaapcoupés, maar nacht was het wel. Nadat de conducteur langs gekomen was, spreidden we onze matjes uit op de keiharde, stotende, schokkende en vibrererende treinvloer. Toen ik lag dacht ik dat ik geen oog dicht zou doen en overal pijn zou krijgen. Toen ik wakker schrok, stonden we even stil, en dat bleek in Madrid te zijn. Toen ik weer wakker werd, stonden we weer stil. Toen begon mijn vriend tegen mijn schouder aan te bonken.

"We moeten eruit," schreeuwde hij.


In de volgende 7 en een halve seconde graaide ik matje, slaap- en rugzak bijeen, en in de daaropvolgende 7 en een halve seconde wankelde ik slaapdronken door een treincoupé, op zoek naar de uitgang. Er klonk een fluit, maar wij waren nog niet bij de deur. Ik zag hem al wel.


Ik gaf het mentaal onmiddellijk op, en probeerde me inmiddels te herinneren waar die trein na San Sebastian ook alweer zou stoppen. Ergens in Frankrijk, bij de grens, een plek die vele malen meer rangeerterrein was dan vakantie-oord.

Maar mijn vriend gaf zich niet gewonnen. Hij sprintte naar de deur, die net bezig was dicht te gaan, duwde hem weer open, en sprong met een schreeuw naar buiten, waarbij hij zijn matje als zachte landing gebruikte. Ik verwachtte dat de trein nu alsnog zou gaan rijden, maar het bleek dat ik doodgemoedereerd kon uitstappen. Bij de voorste deur van de trein stonden een paar conducteurs half geschrokken en half boos naar ons te roepen. Wij zwaaiden wat verontschuldigend en wij bleven gewoon staan, 100 meter bij die conducteurs vandaan. Die riepen nog iets wat erg onvriendelijk klonk maar wat we lekker toch niet verstonden, en vervolgens reed de trein geërgerd weg maar waren wij waar we wezen wilden.


Nadat ik aldus wakker geworden was, voelde ik me als niet helemaal thuis op deze wereld, en dat bleef nog een tijdje zo. Wassen en scheren in een toiletruimte van een treinstation om zeven uur zaterdagochtend was ook een primeur. En zelfs een toeristenstad hartje zomer blijkt op zaterdagochtend uitgestorven.

Toch was de timing perfect. Zodra we echt in de binnenstad kwamen, brak de zon door de ochtendbewolking heen, en ging een eerste broodjeszaak voor vroege vogels open.


Om half negen liepen we geheel gevoed en gelaafd het strand op. Er waren wandelaars, de meesten met hond, sommige zonder. Wij waren de eersten die gingen zitten, en het was ietsje koel, maar verder heerlijk. Dus spreidden we onze handdoekjes maar uit, en concludeerden we dat we nu dus officieel op het strand lagen. We besloten lekker te blijven.

Die ochtend was mijn lekkerste strandervaring ooit. Normaal gesproken staat strand gelijk aan een legbatterijgevoel, blèrende of krijsende kinderen, vlakbij jouw handdoek urinerende honden die vervolgens willen met je willen spelen, en je suf smeren met stinkende factor 40 maar alsnog verbranden.

Nu was er wat ruimte om ons heen, zodat de kinderen en honden op afstand bleven, en de zon scheen door wat sluierbewolking heen zodat je niet geroosterd werd, en het was aangenaam warm. Zo moet strand ooit bedoeld zijn geweest.


Maar tegen dat het heetst van de middag naderde, stroomden de badgasten van alle kanten toe en hervond het strand zijn vertrouwde aanblik. Wij besloten de heksenketel te verlaten. We waren toch allang bruin.

We vonden een enigszins betaalbare lunch, wat in San Sebastian niet meevalt. Vervolgens vonden we bij de grote kerk een prieel, waar we op een bankje in de schaduw lekker verder konden luieren. Op een gegeven moment kwam er een mevrouw naast me zitten. Een erg dunne mevrouw, misschien een jaar of 45. Ze sloeg een boekje open en ging zitten lezen. Ik deed mijn ogen lekker dicht, deed ze even later weer open, en merkte dat die mevrouw naar mij zat te kijken. Weer zo iemand die kennelijk nog nooit plaatjes van niet-Spanjaarden heeft gezien, en niet weet dat sommige exemplaren van het mensenras aanzienlijk blonder en langer zijn dan de Homo Espaniens. Ik deed verveeld mijn ogen weer dicht.


Toen ik ze de volgende keer opendeed, zat die mevrouw alweer naar me te kijken, en ik keek toen maar naar haar terug, waarbij ik niet probeerde te verbergen dat ze me verveelde. Er gebeurde iets met haar ogen wat me het gevoel gaf dat haar interesse in mij iets anders was dan aapjes kijken. Er plooide een glimlach rond haar mond, en zij bleef naar mij staren, en misschien omdat ik me ergens wel gevleid voelde, keek ik terug naar haar. Bij het glimlachen bleek dat ze aardig wat tanden miste, en de tanden die ze nog had, waren bruin van het roken.


Ze wreef over haar boekjes, lief en zachtjes alsof je de kat aait, en terwijl ze haar boekjes aaide, kwam ze dichterbij me zitten. Ze liet me de boekjes zien. De plaatjes en de paar woorden in de titels die ik kon thuisbrengen, suggereerden dat het om iets zweverigs, mystiekerigs of religieuzerigs ging. Inmiddels begon de manier waarop mevrouw naar me keek, enigszins genant te worden, maar ik hield vol met naar haar terug te kijken, vooral omdat inmiddels tegenover mij wat mensen met ogen op schoteltjes van afkeuring naar ons zaten te loeren. Het waren Spaanse mensen van middelbare leeftijd, de zwijgende meerderheid zogezegd, het slag dat weet hoe het moet en hoe het hoort, en alles wat niet doet zoals het moet en zoals het hoort, wordt getrakteerd op het boze oog.


Mevrouw rook trouwens ook ergens naar. Naar drank.


Ze draaide haar boekjes om. Er stonden portretfoto's van de auteur op, met een begeleidend verhaaltje. Mevrouw wreef over al haar boekjes heen, over al die portretten, van steeds dezelfde man. Zij keek mij hierbij nadrukkelijk in mijn ogen, met een blik die je gerust adoratie mag noemen. Bovendien prevelde ze het een en ander, in het Spaans natuurlijk, waarschijnlijk een gebed of een bezwering.

De link die ik met de auteur van haar religieuzerige boekjes zou kunnen hebben, was mij volslagen duister. Het was een vent van middelbare leeftijd met een pafferige kop en een grote bril, dus hij leek net zo veel op mij als al die andere Spanjaarden die mij weken lang hadden zitten aan te staren.


Zag zij in mij de zoon van de Profeet?


Ik weet het niet. Maar toen we een minuut of vijf later besloten te gaan - want de vertoning begon onderhand te vervelen - wierp ze me een laatste adorerende blik toe en ook nog een kushandje, alsof ik haar ziel gered had, of op z'n minst had ik haar ziel met een kaarsje verlicht en verwarmd.


De backpacker en de zoon van de Profeet lieten haar alleen en gingen op zoek naar betaalbaar bier.

20 maart 2007

Baaldag

Ik had vandaag een klotedag. Dus een heerlijke dag voor Lévi:

HAUTE COUTURE

Je zal maar
Naar de hemel gaan

en de eerste Engel
heeft een broekrok aan!

(Lévi Weemoedt)

18 maart 2007

Televisie in het echt

Tot twee minuten na het wakker worden koesterde Peter de sluimertoestand, het niemandsland tussen waken en dromen, waar de fantasie alle rariteiten en kleuren van de droom heeft, maar echt lijkt.


Toen dreef de onrust hem het bed uit naar de douche. Hij treuzelde met onder het warme water staan, met zijn lichaam inzepen, zijn haren wassen. Het treuzelen hielp slecht. Het afdrogen en het klaarmaken van ontbijt en koffie deed hij met de onhandige haast van de onrust. Toen het water uit het koffiezetapparaat begon te lopen, liep het aan de verkeerde kant van het haastig en dus verkeerd geplaatste filter. Hij kreeg warm water over zijn handen in een poging de zaak te redden, en de stress greep hem naar de keel. Hij voelde zich alsof de duivel hem op de hielen zat. Hij had zijn adem slecht onder controle. En de gedachten die nadrukkelijk terug probeerden te gaan naar vannacht, lieten zich niet wegdrukken.


Hij hield het nog uit tot en met het laatste stukje brood, zijn laatste slok koffie en één stukje uit de krant dat hij drie keer gelezen en drie keer vergeten had. Daarna pakte hij zijn jas en ging naar buiten, een nog stille en grijze ochtend in, een hondsvroege ochtend voor na een avondje stappen.


Bij de hoek keek hij rond, en naarmate zijn ogen minder zagen dan dat zijn gedachten hem vertelden dat er moest zijn, pirouetteerden zijn schoenen middenop de klinkers van de nog verlaten straat. Was het wel de goede plek? dacht hij, en hij ging de hoek om, en nog zestig, zeventig meter verder. Hij draaide zich om en herinnerde zich zichzelf, een uur of vijf, zes geleden. Hij had beslist hier gelopen, alleen en snel en slingerend, met zijn hoofd naar beneden om te zien waar hij zijn voeten zette. De geluiden van een woordenwisseling hadden hem gealarmeerd.


Eerst luisterde hij even zonder op te kijken. Twee paar schelle stemmen spraken op beschuldigende, intimiderende toon tegen een holle, vrij zware stem, die bezwerend klonk. Toen hij toch opkeek, zag hij twee jongens in trainingspakken en sneakers. Ze stonden bij de hoek die hij nu opnieuw naderde, voor het portiek van de laatste portiekwoning. Ze schreeuwden nu.


Hij herinnerde zich opnieuw dat hij had gedacht aan zich omdraaien en een blokje om gaan. Nee, dat nooit, dacht hij toen, en nu dacht hij dat weer, maar ook voelde hij spijt bij de gedachte dat hij dit niet toch gedaan had, want dan had hij nu deze onrust niet gevoeld. Hij was toch doorgelopen. Een klein beetje sensatiezucht, een klein beetje zelfvertrouwen van ze doen me toch niks, en een klein beetje het gevoel dat iemand daar om de hoek in het nauw was. Hij voelde zich beslist verplicht om iets te doen als het nodig. In het algemeen voelde hij dat zo. In theorie voelde hij zich verplicht om….


Hij sidderde toen hij weer bij de hoek stond, om de hoek keek, maar hij zag nauwelijks sporen van de vechtpartij die eerder vannacht voor zijn ogen was begonnen. Het was twee tegen een, twee bijna kaalgeschoren jongens met ringetjes in hun oren tegen één donkere, tengere jongen. Mooi jasje, had hij gedacht, en direct daarna had de donkere jongen een flinke klap gekregen en was hij wankelend en struikelend op de grond terecht gekomen.


Hij had er tussen moeten springen, wist hij nu.

Of hij had de politie moeten bellen, hij voelde zijn mobiel in de zak van zijn jas zitten.

Of tenminste had hij het op een schreeuwen moeten zetten. Hij had moeten proberen in te praten op die twee jongens, hun aandacht afleiden van hun slachtoffer.


Dan hadden ze hem aangevallen. En wie weet hadden ze behalve sneakers waarmee ze konden schoppen, ook messen.


Maar nu zag Peter zichzelf zoals hij aan de grond genageld stond, en bleef staan, terwijl de donkere jongen bleef liggen en geschopt, geschopt, geschopt werd. En nu dacht hij vertwijfeld hadden ze me maar aangevallen..


De langste, driftigste, puistigste van de twee jongens deelde nog een extra harde schop uit. Hij grijnsde toen de jongen op de grond stuiptrekte en vervolgens doodstil lag. Hij zei iets tegen zijn maat en die deelde ook nog een schop uit. Op dat moment trok Peter zich, zo stil als hij kon, terug tot voorbij de hoek, schuifelde het portiek van de woning in, maakte zich klein in het donkerste hoekje, en zei in stilte een schietgebedje op.


De jongens passeerden hem zonder hem te zien. De een haalde sigaretten tevoorschijn en trakteerde de ander. Ze zeiden "Yo" en gaven elkaar een high five.


Peter stond nu midden op straat, exact op de plek waar vijf uur geleden de donkere jongen had gelegen, roerloos in een foetushouding. Terwijl hij de donkerrode en langzaam nat wordende klinkers bestudeerde, dacht hij dat hij bloedspetters zag, maar zeker weten deed hij dat niet.


Leefde de donkere jongen nog?


Ach, zo erg kon het toch niet zijn? Nadat Peter bij de jongen was weggerend, als een weerlicht naar zijn voordeur, en de veiligheid daarachter, moest hij toch wel gevonden zijn door iemand anders? Hij lag vast in het ziekenhuis. Hij had misschien iets gebroken en wat gekneusde ribben, maar verder zou hij toch wel in orde zijn? Toch?


Ditmaal wandelde Peter terug naar zijn voordeur, langzaam en slingerend alsof hij nog steeds dronken was. Zijn stappen sloften en waren zwaar. Als die jongen nog maar leefde, dacht hij. Hij voelde machteloze en schuldbewuste tranen opwellen, maar hij huilde pas nadat zijn zware voordeur achter zijn rug was dichtgeslagen en hij opnieuw veilig was.

13 maart 2007

Statistiek voor beginners

"Hoezo weinig kans in de Staatsloterij? Je hebt 50% kans op de hoofdprijs".
"50%..."
"Precies 50%"
"Ja ja, 50%, dat klinkt als onzin, leg het maar eens uit..."
"Nou kijk eens, die hoofdprijs, die win je, of je wint hem niet. 50% kans dus."

10 maart 2007

Liedje voor Lévi

Van sommige dingen is het jammer dat ze verdwijnen.


Laatst stond ik in het Friese dorpje waar ik een jaar of dertien gewoond heb, naar het pand te kijken waar vroeger de supermarkt in zat. Nu was het een bouwval. Hoewel het voor mij helemaal niet meer belangrijk is of er in dat Friese dorpje een supermarkt is of niet, vond ik het toch jammer.


Het is zonde dat een weiland vol vogels plaats moet maken voor een woonwijk, een bos voor een snelweg, de akkers ernaast voor het bedrijventerrein langs die snelweg. Het is een schande dat het Amazonegebied in Brazilië geofferd wordt voor de wereldeconomie, en het is net zo'n schande dat de wereldzeeën leeggevist worden.


Tikken achter een computer is makkelijk en gaat prima, maar ik vind het jammer dat de grote zware typemachine verdwenen is. Ze ratelden zo mooi als je eenmaal op streek was. Staccato mitrailleurvuur tot het belletje ging, en dan moest je een hendel overhalen en met een ritsend geluid ging je naar de volgende regel.


Hartstikke onhandig waren ze ook. Als je een tikfout maakte, moest je een kwastje in een potje houden waar een vies stinkend spulletje in zat, en die rotzooi, slecht voor luchtwegen en funest voor ozonlaag, moest je dan over de letter of het woord smeren dat fout was, en nadat je een seconde of 30 gewacht had kon je de goede tekst over de foute heen tikken. Ik wachtte altijd te kort, en dan was het spulletje maar half opgedroogd en dan had je een half verbeterd woord.

Behalve tikfouten had je ook nog het fenomeen dat je tussen twee letters in drukte, en dan haakten de stokjes waarop de beide letters zaten die je ingedrukt had, in elkaar. Als dan de letter die je op papier wilde zetten maar voorop zat, was er niks aan de hand zijn, maar net als de rij in de supermarkt, was het altijd de betkeetde letter die op het papier landde.


Ja, van sommige dingen is het jammer dat ze verdwijnen, zelfs al zijn hun vervangers handiger. Van één ding zou het helemaal niet jammer zijn dat het verdwijnt.


Het draaiorgel.


Dat gekwierelier, getuureluur en getsjingtsjingtiedelieboemsboems jengelt nu al jaren- en jarenlang als een steekmug voor het slapengaan door menig Nederlandse winkelstraat. Een fluitketel waarvan het water kookt zingt een schoner lied dan die rare houten kast met z'n vieze gelige kleurtjes die er door een mislukt beeldend kunstenaar met behoud van uitkering opgekliederd zijn. De entourage bestaat uit twee oude, grijzende en kalende knollen suffig voor de wagen, en twee morsige ongeschoren mannen die rammelend met een centenbak het geklingel en getingeltangel ritmisch staan te begeleiden.


Het is al jarenlang een ten dode opgeschreven bedrijfstak, en jarenlang wordt het draaiorgel met overheidssteun in stand gehouden. Die ellendige rammelkast staat daar notabene van mijn belastingcenten mijn gehoorgangen ongewenst te intimideren. Voor kunst met een grote K wordt tegenwoordig genadeloos de subsidiekraan dichtgedraaid, en alles en iedereen moet privatiseren, dus waarom gaan die morsige mannen niet lekker met prepensioen, en die knollen zo lang ze nog leven lekker ergens grazen, en waarom geven ze een paar vrijwilligers geen bijl zodat ik die houten kast eens even te lijf mag? Ik meld mij bij deze aan.


Die steekmuggen overleven een kernoorlog, dus dat draaiorgel raken we ook nooit kwijt.


Vandaag vond ik iets terug waarvan ik dacht het kwijt was. In de Volkskrant las ik dat van een held uit mijn jonge jaren, Lévi Weemoedt, een verzamelbundel verschenen was. Ik dacht dat hij dood was, maar nee. Niet dat hij gelukkig is geworden, want hij dicht al een aantal jaren niet meer omdat zijn muze overleden is. Aan de andere kant, als je van Levi Weemoedt zou lezen dat hij gelukkig geworden was, zou je de neiging krijgen om bij de Schepper je geld terug te vragen.


Terwijl ik in de boekhandel de bundel doorbladerde, las ik onder andere onderstaande, en jawel hoor, nadat ik afgerekend had, liep ik in het zonnetje langs 's Gronings gezelligste winkelstraat en het was alsof de duivel ermee speelde, er stond een draaiorgel de kooplust aan te jengelen. Mijn gemoed dat verlicht was geraakt door de zon, werd ondergedompeld in permanente verduistering.


En dus, op het terugvinden van de weemoed én op het nooit verdwijnen van gejeremieer:


VREES VOOR DE OUDE TIERELIER


Als Weemoedts draaiorgel zich wentelt door de stad,

Dan wordt het stil op alle grote winkelpleinen.

De conjunctuur heeft dan z'n beste tijd gehad,

De koopkracht slaat onmiddellijk aan het kwijnen.


De rolluiken gaan neer en overal zoeken

De mensen naar een veilig onderkomen.

Een huisvrouw neemt haar toevlucht tot de bomen

Bij 't zeurderig leid uit de kartonnen boeken.


Toch zet ik weer mijn droefste deuntje voor

Om 't kleinbedrijf belangeloos te steunen.

Al streelt mijn lied dan niet een ieders oor:

Ik kan mij om de volksmond niet bekreunen.


's Nachts slinger ik door kroegen en door stegen,

zwalkt door de stad een trieste eenmansband.

Dan leidt met schorre drankstem door de regen

Een oude voerman een luguber pierement,


Die op de hoek een ogenblik blijft staan

Om waggelend met de centenbak te zwaaien,

Dán weer een bitt're vuist schudt naar de maan,

Terwijl zijn rechterarm vanzelf begint te draaien.

(Lévi Weemoedt).

09 maart 2007

Oponthoud in Hoogeveen

De ergernis dat Rutger moest staan in de trein, was geweken, nu hij een plek om te leunen gevonden had, en de eindeloze heen en weer lopers eindelijk begrepen hadden dat als eindeloos heen en weer lopen al niet eens lukte, dan het vinden van een zitplaats zeker niet. Staan in de trein gebeurde vroeger alleen als hij zich voorbij Amersfoort waagde. In het Noorden gebeurt volgens het spreekwoord alles 20 jaar later, dus kennelijk was het vandaag 20 jaar geleden dat men bij Utrecht en Amsterdam voor het eerst stond.


Plotseling remde de trein af. Het was dichtbij Hoogeveen, maar volgens de dienstregeling zou de trein daar voorbij moeten razen, en bovendien was de machinist te vroeg met remmen voor het station. Nadat de trein afgeremd was tot joggerstempo, maakte hij nog even aanstalten om toch weer gas te geven, maar toen piepte de rem en kwam de trein met een schok tot stilstand in weiland. Even later riep de machinist om dat ze stil stonden voor een rood signaal, maar dat hij geen idee had waarom dat signaal op rood stond. Er ging een zacht gemor door de coupé. De toch al wat moegestreden staanders knepen de ogen maar wat dieper dicht.


Rutger raakte in gesprek met de vrouw naast hem, die ondanks de drukte de laptop tevoorschijn had getoverd en op haar hurken een paar mails gelezen en verstuurd had. Ze zei dat ze altijd haar reistijd gebruikte om te werken, en ze had een eersteklaskaartje om dat te kunnen doen, maar nu baalde ze, want ze stond, nog in de tweede klas ook. Ze had korte stoer korte blonde haren, en nogal intense blauwe ogen. Rutger voelde haar persoonlijkheid ruimte innemen terwijl hij met haar praatte. Een krachtige vrouw, dacht hij.


Inmiddels reed de trein weer even, echter om te stoppen op station Hoogeveen. Er werd nu omgeroepen dat er ergens tussen Beilen en Hoogeveen een boom op de rails was gevallen, en dat het niet duidelijk was wanneer de trein verder konden rijden.


Boom op de rails? Rutger keek naar buiten. Het was om en nabij windkracht drie. Hij praatte verder met de vrouw. Na één zin van Rutger over zichzelf, had zij het recht twaalf zinnen over zichzelf te vertellen. Rutger vond dat niet zo erg, want hij was graag de luisteraar, maar het irriteerde hem een klein beetje dat ze nogal de nadruk legde op haar drukke baan en haar verantwoordelijkheden. Dominante bitch, dacht hij, terwijl hij keek in haar blauwe ogen, die aandacht opeisten, in plaats van vroegen. Beschouwd als mens daalde ze in zijn achting, beschouwd als sekspartner werd ze interessanter. Terwijl Rutger zich over zichzelf verwonderde, kwam uit de richting van Beilen een trein, wat suggereerde dat zijn trein dus best de kant van Beilen op zou kunnen. Er werd omgeroepen dat het spoor aan één kant versperd was, maar dat het andere spoor te gebruiken was. Voordat de trein zou gaan rijden, zou een proeflocomotief langs de versperring rijden. Het zou nog ongeveer een kwartier duren voordat onze trein weer kon rijden.


Net als vele anderen ging Rutger even naar buiten. Het was een zwoele Oktoberdag van het soort dat in de Twintigste Eeuw een zeldzaamheid was, maar in de Eenentwintigste Eeuw waarschijnlijk vrij normaal zou worden. Het was voorlopig best lekker om even buiten te staan met een muziekje op het hoofd. Verderop stond een meisje in een mooi spijkerjack en met mooie blonde krullen tussen een groep medestudenten en ze keek wel drie of vier keer in Rutgers richting. De aandacht vleide Rutger wel, maar serieus nam hij het niet echt, want ze was ongeveer 20 jaar jonger dan hij. Nadat het meisje in zijn richting was komen ijsberen, even op een paar meter afstand, ijsbeerde ze weer terug en keek daarna niet meer. Hoe kom je van een wildvreemde te weten dat ze een bril nodig heeft, dacht Rutger, en moest lachen.


Iedereen werd verzocht om terug naar binnen te gaan, want de trein zou over 5 minuten weer gaan rijden.


Rutger stond weer, en de 5 minuten werden 15 minuten en toen werd een wat warrige mededeling gedaan, die erop neerkwam dat de passage van de proeflocomotief ervoor gezorgd had dat het spoor nu definitief versperd was, en dat deze trein voor onbepaalde tijd zou blijven staan op station Hoogeveen. Er zouden bussen geregeld worden, maar wanneer de eerste bus kwam was onduidelijk.


Rutgers gesprekspartner, de dominante bitch, was er snel bij. Ze belde met een vriend en zei even later dat er over 10 minuten een auto haar zou komen oppikken. "Ik heb het geregeld," zei ze, en dat leek een aansporing voor Rutger in te houden om ook eens wat te doen.


Eerst wandelde hij maar eens naar buiten, om bij het busstation Hoogeveen te ontdekken dat er slechts eens per uur een bus naar Beilen ging. Hoewel, zo gek was dat niet, want wie nam nou een bus naar Beilen als je ook de trein naar Beilen kon nemen. Rutger keek om en zag de inhoud van vier treinstellen samendrommen op het station en op het stationsplein van Hoogeveen. Dat kon nooit in de bus, besefte Rutger. Pendelbussen waren nog nergens te bekennen, NS-personeel was nergens te zien.


Terwijl hij terugliep, vroeg hij zich af wie hij zou kon bellen. Hij overwoog om eerst maar eens het stationscafetaria te bezoeken, maar hij zag dat inmiddels tientallen mensen dat plan hadden opgevat. Het cafetaria ging vandaag vermoedelijk zijn jaaromzet verdubbelen, dacht Rutger.


Rutger zag de dominante bitch in de door haar bestelde auto stappen, en hij ergerde zich een beetje dat ze hem geen lift aangeboden had. Op een stationsplein waar een paar honderd mensen stonden, was wegrijden in een auto waarin nog twee lege plekken waren, eigenlijk best egocentrisch.


Hij raakte in gesprek met een mevrouw, één van de mensen die in zijn buurt stonden toen de trein nog reed. Zij had haar man gebeld. Ze woonden in Assen. Dat was niet zijn eindbestemming, maar het was wel voorbij Beilen en dus voorbij de spoorversperring. Net toen Rutger vond dat hij genoeg met haar gepraat had om haar te vragen of ze mee mocht rijden, vroeg zij hem of hij mee wilde liften. Dankbaar zei Rutger ja. De reddende engelen van deze wereld hadden geen intens blauwe ogen waarin zijn fantasieën probeerden al zwemmend te verdrinken.


Eventjes later werd een jongen vlakbij Rutger en de vrouw uit een auto afgezet op station Hoogeveen. Hij stapte uit, keek rond, en zag de on-Hoogeveense mensenmassa die zich verzameld had op haar stationsplein. "Holy fuck," zeiden zijn ogen. Het waren wij aan wie hij vroeg wat er in hemelsnaam aan de hand was. Hij wilde met de trein naar Groningen, maar we moesten hem helaas vertellen dat dit voorlopig niet zou gaan. Het duurde niet lang of de vrouw bood hem de vierde en laatste plek in haar auto aan.


Er ging nog bijna een half uur voorbij. Het werd langzamerhand een af en aan rijden van auto's, en zo langzamerhand namen alle auto's ook vier mensen mee. Toen Rutgers lift kwam, stonden er nog steeds veel mensen. Er was ook net een pendelbus langs gekomen. Echter, alleen om mensen die vanuit Assen kwamen, uit te laden, en vervolgens snel de deuren dicht te gooien, gas te geven, en leeg terug te rijden.


Bij het station van Assen, bedankte Rutger zijn reddende engel, en samen met de jongen die naar Winschoten moest en nogal klaagde omdat hij te laat zou komen, liep hij naar het perron, waar een zowat lege trein stond, en op het perron stonden vier of vijf NS-mensen te kletsen. Rutger vroeg wanneer de trein zou rijden en kreeg als antwoord dat men wachtte op een eerste pendelbus vanuit Hoogeveen.

"Vergeet dat maar," zei Rutger, en samen met zijn reisgenoot deed hij verslag van de "situatie in Hoogeveen". De theorie dat de pendelbus vanuit Hoogeveen alleen bestond in de hoofden van de NS-mensen, werd bevestigd door een paar anderen die ook net per auto vanuit Hoogeveen aankwamen op het station van Assen.


De NS'er die het meeste strepen op zijn uniform had, praatte wat in zijn portofoon, en vervolgens kankerde hij samen met zijn collega's, en met de reizigers die om hen heen stonden, gezellig en hartgrondig op de NS, want niemand wist wat er aan de hand was of wat hij moest doen.

"We gaan over 10 minuten rijden," besliste de NS'er, en de zeventien mensen op het perron werden verzocht een plekje te zoeken in twee treinstellen. Staan zou deze keer niet hoeven. Rutger besloot na een korte aarzeling om sociaal te zijn en zijn toevallige reisgenoot trouw te blijven. Hij plofte tegenover hem neer en zakte reismoe onderuit.


Rutger vroeg nog hoe het zat met die boom op de rails, maar de NS'ers wisten er het fijne ook niet van. Het was iets met Staatsbosbeheer en vermoedelijk met zagen. "Die Drenten zijn allemaal dronken," besloot hij het dispuut over hoe je bij zwakke wind een boom de verkeerde kant op kunt laten vallen. Een heel gezelschap lachte zijn ergernis weg.


Nadat een bijna lege trein inderdaad was gaan rijden, kreeg Rutger een beetje spijt van zijn sociale bui, want zijn reisgenoot begon een uitgebreide klaagzang over de NS, en over de dingen die hij vanavond had moeten doen en nu morgen moest doen. Soms ging het leven van een luisteraar niet over rozen, dacht Rutger, terwijl hij aanhoorde welke doornen het pad van zijn metgezel onbegaanbaar maakten. Rutger ging in gedachten de gangen van zijn reisgenoot na, en concludeerde dat hij geen kaartje gekocht had sinds hij in Hoogeveen uit de auto gestapt was. Misschien had hij er al een. Misschien had hij een abonnement. Maar Rutger geloofde daar eigenlijk niks van.


Volgens hem maakte zijn reisgenoot met al z'n geklaag handig misbruik van de situatie, en ging hij nu lekker gratis naar Groningen. Half en half had Rutger zin om zijn metgezel te confronteren, hem te irriteren, of ruzie met hem te maken. Maar hij was te moe en te hongerig, te gaar van het veel te lange reizen. Nog een minuut of wat en hij was toch van hem af.


Bij het passeren van de Euroborg, terwijl de trein maar weer eens afremde maar dit keer was dat volgens verwachting, vroeg zijn klagende reisgenoot wanneer de trein naar Winschoten ging, en of hij genoeg tijd om over te stappen. Rutger herinnerde zich dat een zorgelijk ouder echtpaar hem dat een paar maanden geleden ook gevraagd had. Toen wist hij het niet. Maar hij herinnerde zich dat dit echtpaar met typische oudedagsomslachtigheid was uitgestapt. Omdat Rutger zijn fiets bij zich had, was hij nog veel langzamer, want hij moest wachten totdat de hele trein leeggestroomd was. Terwijl Rutger het perron afliep, zag hij de trein naar Winschoten vertrekken, en hij zag het echtpaar op het perron staan en een vertwijfeld gebaar maken.


"Oh, volgens mij heb je zat genoeg tijd," zei Rutger luchtig. Alleen een goed verstaander kon de intonatie horen van de dominante bitch diep binnenin hem.

06 maart 2007

Veni Vidi Vinex

Het begin van het einde van de weg was nog geasfalteerd, en enigszins beschut door een bosje van lukraak aangeplante struiken. Het asfalt ging abrupt over in een modderpad van kiezelstenen en grote plassen waarin de auto zacht kreunend op en neer ging. Ook kreeg de wind vrij spel. Ondanks dat de ruitenwissers overspannen hun werk deden, was door de voorruiten nauwelijks nog iets te zien.


We wachtten totdat de stortregen was overgegaan in een druilregen. Ik stapte als eerste uit. Ik zette mijn kraag hoog op, terwijl de waterkoude wind spinnijdig door mijn jack blies. Ik liep om de auto heen, en deed het passagiersportier open voor Eva. In plaats van uit te stappen viel ze naar me uit. Ik moest de auto keren want dan kon ze uitstappen en haar nieuwe felrode pumps laten landen op relatief droge ijzeren platen. Zoals de auto nu stond, moest ze uitstappen op een stoeptegel en vervolgens kon ze via twee andere stoeptegels de ijzeren platen bereiken. Ik wees haar de weg, maar Eva was inmiddels buiten zinnen. Ze gilde tegen me dat ik de auto moest keren, want anders…


"Anders gaan we naar huis?" opperde ik, en zag haar mond dichtvallen. Doelpunt, dacht ik, terwijl ik de auto een onzekere bocht instuurde dwars door de modderplassen heen. Het was namelijk haar idee om vandaag ons nieuwe huis in aanbouw te bezichtigen, en niet te wachten tot morgen, ondanks dat de weersverwachting voor morgen veel beter was.


Terwijl ik zo veel gas gaf als ik durfde en Eva's aanmerking "Niet zo onbeheerst," maar even negeerde , hoorden we het water langs de carrosserie schuren. Traag schommelend en beslist twijfelend over vast komen te zitten in de laatste diepe kuil, bereikte de auto de plek die me voor ogen stond. Met een diepe zucht liet ik opnieuw de motor afslaan.


Even later liep ik naast Eva die met een kwieke tred in haar drooggebleven pumps in de richting van de half opgemetselde muren omringd door steigers liep. Terwijl Eva tuurde naar het staketsel wat volgens de folder ooit ons huis zou zijn, keek ik om me heen. Voorbij het bouwterrein dat een kale modderpoel was, renden donkergrijze wolken in gestrekte draf over donkergroen grasland. De slootjes zaten tjokvol. Op het gras lagen grote plassen water.


"Vind je het ook zo spannend?" zei Eva.


Ik keek opzij. Ik zag haar droom in haar ogen twinkelen. Een eigen, vrijstaand huis in een veilig wijkje zodat de producten van onze kinderwens straks ongestoord konden spelen.


Ik dacht aan de grote bomen in het straatje waar we nu woonden, de grote bomen vol vogels voor ons oude huis.


Ik dacht eraan dat ik nu veertien kilometer van mijn werk woonde in plaats van drie, en dus de keus zou krijgen tussen dergelijk weer als dit weer trotseren, of met de auto gaan. Ik hoorde alvast het geklets van deejays op de radio, geklets dat ik nu miste, maar straks in de auto in de file zou het de soundtrack van het begin en het einde van mijn werkdag zijn.


Ik zei niks, maar schonk Eva een blik die ze leek uit te leggen als een ja. Ik keek om me heen, en vroeg me af hoe veel jaren het zou duren voordat hier ooit wat zou groeien.

04 maart 2007

Fietsfoto Amsterdam


Amsterdam - Rembrandttoren 04-03-2007

Bekende Nederlanders

Eigenlijk is het niet bijzonder, een bekende Nederlander tegenkomen. Het is niet spannender dan een onbekende Nederlander tegenkomen, en daarvan wemelt het in ons landje. Het enige wat er gebeurt als ik een bekende Nederlander tegenkom, is dat denk ik "Hé, die ken ik."


Ik kwam vandaag op mijn fietstocht twee bekende Nederlanders tegen.


Ideale promotie voor fietstoertochten. Er zouden vast meer mensen gaan fietsen als gegarandeerd werd dat je twee bekende Nederlanders tegenkomt op jouw tochtje (wel bij een minimum van 20 kilometer). En misschien ben ik nog wel meer dan twee bekende Nederlanders tegengekomen, want misschien ben ik nog mensen tegengekomen die half Nederland kent van de televisie, maar ik nou net even niet. Misschien ben ik bijvoorbeeld mensen tegengekomen die in van die ijsdansprogramma's zitten, heel goed mogelijk dat ik ze geen blik waardig heb gekeurd. Misschien ben ik vandaag wel alle presentatoren en presentatrices van belspelletjes tegengekomen, omdat het Nationale Belspelletjesfietsdag was. Typisch iets voor mij om zoiets te missen.


Maar ter zake, in Hilversum vlakbij het Mediapark, kwam, terwijl ik langs een tankstation fietste, Caroline Tensen net uit de shop. Voordat ze ging werken nog even getankt, en even sigaretten ingeslagen. Zoiets. Hoewel, ze zag er heel erg "casual" uit, spijkerbroek en floddertrui, dus misschien hoefde ze helemaal niet te werken, en verheugde ze zich op een vrije zondag zonder verplichtingen.


Zit Caroline Tensen eigenlijk nog wel bij de TV? Ik ken haar omdat ik vroeger wel eens naar 1 tegen 100 keek. Heeft ze nu een ander programma? Of doet ze nog steeds 1 tegen 100 zonder dat ik het merk. Is ze misschien voor goud geld naar Talpa gegaan om daar voor een verdubbeld salaris maar drie keer zo weinig kijkers als vroeger 1 tegen 100 te maken?


Ik zou het niet weten.


Ze keek een beetje verschrikt toen onze blik elkaar kruiste. Alsof ze bang was dat ik naar haar zou gaan roepen:

"Hé, Carolien. Carolientje! Caaa-rooo-lien-tjûûûûh!!!!"

Maar dat deed ik niet. Ik zei niks tegen haar. Ik had misschien een foto van haar moeten maken. Misschien hebben de roddelbladen wel handenvol Euro's over voor een Caroline Tensen in een oude spijkerbroek met een pakje sigaretten in haar hand.

"CAROLINE GEBRUIKT ALLES WAT LOS EN VAST ZIT"


Later in de buurt van Muiderberg kwam ik Richard Krajicek tegen. Van hem weet ik ietsje meer dan van Caroline. Hij organiseert een tennistoernooi en dat is nu net voorbij. En nu had hij dus weer eens tijd om met zijn kinderen te gaan fietsen. Het gezin Krajicek dat uit fietsen was, zag er precies zo uit als families waarvan ik de naam niet weet, die uit fietsen zijn. Allemaal dik ingepakt in jassen en sjaals, inclusief papa, en de kindertjes hadden de wanten aan touwtjes uit de mouw van hun jas hangen. Twee kinderen waren dapper en fietsten zelf. De derde werd door papa voortgeduwd.

Mama was niet mee. Mama is ook beroemd, want dat is Daphne Deckers.

"DAPHNE WIL SCHEIDEN WANT ZE LAAT RICHARD IJSKOUD ALLEEN MET DE KINDEREN FIETSEN"


Richard keek, net als Caroline, een klein beetje verschrikt toen onze blikken elkaar kruisten:

"Richardjûûûûh!!!! Hé Richard!"

Maar ik riep niks tegen Richard. Ik zei wel hoi tegen hem. En hij knikte mij beleefd toe.

02 maart 2007

De reiziger

Daarnet, toen hij in het bos liep, prikten de zonnestralen soms door de hoge boomkronen heen om zijn verweerde gezicht te verwennen. De lucht betrok terwijl hij de heuvelrug overstak. Nu hij op de vlakte was, striemde de regen omlaag.


Met zijn hoofd gebogen ging hij in looppas door het halfhoge gras. Af en toe hield hij zijn hand bij de rand van zijn hoed ter bescherming tegen de windvlagen, waardoor de regen in zijn gezicht woei. Af en toe hield hij zijn pas even in en dan keek hij naar de sombere, grijze, in allerijl voorbij jagende wolken, op reis in tegengestelde richting als hij. Ze deden hem denken aan de mensen uit de stad die hij ontvlucht was. Een moment verlangde hij terug naar de stad. Feitelijk was het geen verlangen naar de stad zelfs, meer naar de warmte van de gebouwen van de stad, de warmte van de dranken in de cafés.


In de verte doemde het naaldwoud op, en hoewel de lucht boven het woud licht was, waren de bomen donkergrijze schimmen. De regen zwol aan tot een slotakkoord en vocht sijpelde door zijn jas heen en door zijn kleren daaronder.


In het bos was de striemende wind ingetoomd tot een her en der eventjes dreigend dwarrelende bries, die zijn huid onder zijn natte kleren verkilde. Het was opgehouden met regenen, maar het vocht viel nog overvloedig vanaf de boomtakken omlaag. Terwijl hij zijn handen uitbreidde om druppels in zijn handpalmen te vangen, slipten zijn voeten op het modderpad. Hij kwam inmiddels in de buurt van haar houten huisje. De kans was nihil dat hij haar in dit weer buiten zou aantreffen, maar toch ging hij rechteroplopen, en veerde hij op onder zijn gemaakt kwieke tred.


Hij passeerde haar donkerbruin gebeitste houten huisje zonder iets van haar te zien of te horen, zonder zelfs de geur van taart of soep of vlees op te snuiven uit het rookpluimpje dat vanuit haar schoorsteen ontsnapte. Hij boog zijn hoofd opnieuw. Het vertragen van zijn pas maakte ruimte voor het voelen van zijn verlangen. Dus versnelde hij zijn pas en in moordend tempo vervolgde hij zijn weg.


Zij keek om op hetzelfde moment als dat hij haar zag. Ze zat gehurkt tussen de bomen en in het mandje dat naast haar stond, zaten paddenstoelen. Ze leek een moment te aarzelen, maar ze pakte toch haar mandje, en kwam overeind, en ze liep naar hem toe om hem even gedag te zeggen.


Beleefd en gereserveerd wisselden ze informatie uit over waar ze geweest waren en wat ze hadden gedaan, en hoe het ging met de mensen die ze allebei kenden. Op haar vraag waarom hij teruggekomen was, aarzelde hij. Er was iets in haar bleekblauwe ogen wat zijn aandacht ving. Het was niet alleen het feit dat hij zo graag naar haar keek. Het was ook de uitdrukking op haar in elk jaargetijde bleke gezicht.

"Ik wilde weer een paar maanden in het Noorden werken," zei hij, en hij zag haar knikje, de strakheid van haar gezicht bij haar mond hoewel om haar mond een klein beleefdheidslachje speelde. Om hen heen hervatten vogels hun concert, en een eerste voorzichtige straal zonneschijn na regen drong tussen de toppen van de dennenbomen door.


"Ik wilde jou zien," zei hij toen, en na een pas voorwaarts en twee zijwaarts, kwam hij dicht bij haar.

"Nu zie je me," antwoordde zij. Het was een rare uitlating, wist ze zelf. Even klonk haar lach, als het geluid van een gekke vogel tussen alle normale vogels. De blijheid trok onmiddellijk weer weg uit haar gezicht, dat opnieuw strak werd. De regen had van haar lange blonde haren zware slierten gemaakt.

"Nou dag," zei hij tegen haar, maar het lukte hem niet een pas te zetten die hem verder bij haar vandaan zou brengen. Ook zij fluisterde een groet. Hij wachtte op het moment dat zij hem, zoals altijd, zou verlaten. Maar ook zij bleef staan.


Ze zei niets of deed niets terwijl hij zijn hand strekte en de slierten uit haar gezicht veegde en daarbij haar wang raakte, en streelde. Alleen slingerde haar mandje met champignons als een wilde schommel in haar hand. Het viel op de grond toen hij haar op de mond zoende en haar vastgreep.


Zij greep hem vast.


De doorbrekende zon en weer opstekende wind verdreven de laatste regendruppels van de dennentakken.

Clicky

Clicky Web Analytics