23 juni 2007

Omzwervingen

Hij werd door één hand gewenkt, maar door een andere hand nog vastgehouden, een beetje opgerold, weer teruggetrokken. Er werd met hem gespeeld. Hij verdween bijna helemaal in het holletje van de hand, waar hij verkreukeld werd, beslist een beetje mishandeld. Uiteindelijk werd hij toch nog in die andere hand gedrukt, krachtig en opeens beslist. Nadat hij was weggeborgen werden de handen geschud. Hij was onderdeel geweest van een transactie die naar wederzijdse tevredenheid verlopen was.


Een paar uur nadat hij weggestoken was, werd hij samen met wat naaste en verre familie achteloos uitgegeven in een Media Markt. Vlak voordat hij in de kassa verdween zag hij waar hij nu weer voor gebruikt was. Voor een kleurenpatroon van een inkjetprinter. Hij voelde frustratie, miskenning. Een seriegenoot die hij laatst tegenkwam in Duitsland op een autobeurs, was gebruikt voor een trouwring. Een andere seriegenoot met wie hij laatst in een kassa van een geschenkenwinkel lag, voor een prachtig schilderijtje waar de koper elke dag even voorstond om er zijn ogen overheen te laten dwalen.


Hij knisperde zachtjes en gelaten toen hij heel vroeg op de volgende ochtend werd overhandigd aan een bankemployee. Hij wist wat hem te wachten stond. De donkerte van de kluis, waar het wind- en geluiddicht was en waar hij strakgetrokken tussen soortgenoten opgetast, uit de circulatie genomen, zou moeten wachten, ongewis of er ooit een nieuwe bestemming voor hem gevonden zou worden. Hier was de plaats waar men in hem kneep en aan hem zat, hem bescheen met rood licht, hem aandachtig bekeek. Hij had soortgenoten afgekeurd zien worden. Achteloos werd je terzijde gelegd en vervolgens werd je met een elastiekje gebundeld met de andere afgekeurden en werd je afgevoerd in een onooglijk grijs kistje.


In de kluis was er wel eens jong geld dat fluisterde over het einde in een verbrandingsoven, maar dan was het oude geld er als de kippen bij om die blaag eens even op zijn nummer te zetten. Over het einde werd nooit gepraat en al helemaal niet geroddeld.


Twee dagen moest hij doorbrengen in een kluis, maar toen werd hij op transport gezet. Nadat de deur van de geldwagen was opengegaan krulde hij om van blijdschap bij het zien van een drukke winkelstraat en een geldautomaat. Hij was dol op geldautomaten. Het was altijd weer een verrassing door wie je getrokken werd, en voordat het zover was, hoorde je via de klep de winkelende meute passeren. Het leukste waren de gesprekken tijdens het pinnen. Het leven ging meestal gewoon door. Discussiëren. Ruziemaken. Vaak werd er gekibbeld over geld. Dan hoorde hij maar weer eens hoe hard hij nodig was, en hoe hevig er soms naar hem werd gesmacht. Er waren mensen die hard met hun vuisten op het luikje beukten in een wanhoopspoging om hem alsnog te krijgen, maar de elektronica om hem heen was onverbiddelijk. Voor wie geen saldo meer had, was en bleef hij onbereikbaar verstopt.


Zijn nieuwe eigenaar werd een statige dame, die hem vier keer opvouwde in een klein portemonneetje, en hem later die middag tot ergernis van een lange rij wachtenden tergend langzaam en tergend minutieus uitvouwde, om hem bedachtzaam te overhandigen aan een vaardige, efficiënte caissière. Hij werd teruggegeven aan een student, en even later werd er door zijn vrienden om hem gevochten. Hij was hen allemaal geld schuldig en na lang delibereren werd hij overhandigd aan Freek, die hem nonchalant wegdrukte in de zakken van een Bermuda.


Freek gebruikte hem om zijn achterstallige drankrekening te voldoen. De kroegbaas gebruikte hem voor een patat oorlog en een frikadel speciaal.


Hij werd zakgeld van het zoontje van de snackbareigenaar. Hij werd samen met soortgenoten een tijdje zorgvuldig opgeborgen in een kistje, dat diep werd weggestopt in een bureaula, onder twee handdoeken. Elke week ging de klep even open en werd hij overspoeld door daglicht. Blij verwelkomden de bewoners van het kistje een nieuwe buur.


Na maanden sparen werden hij en zijn inmiddels gezworen kameraden tevoorschijn gehaald. Ze werden door vingers die een klein beetje beefden uitgeteld, in ontvangst genomen door vingers die van aaien hielden, en nog een keer uitgeteld. "Mag ik je feliciteren met jouw nieuwe racefiets," zei de verkoper en nummer P11233407052, die bovenop de dikke stapel gelegd was, zag de opgewonden schittering in de ogen van een jonge, blonde jongen in een Rabobank-wielershirt.

22 juni 2007

10 mooie liedjes uit... 1967

1967 is een heel goed muziekjaar. Om te beginnen kwamen Jimi Hendrix' eerste en tweede plaat uit, met de klassiekers Hey Joe en Purple Haze en vele anderen, maar een persoonlijke favoriet van mij is Manic Depression. Alsof dat niet al genoeg is, braken ook The Doors door en die maakten ook twee platen. The Crystal Ship is één van hun mooiste nummers. En alsof dat nog steeds niet genoeg is, maakten The Beatles ook nog even Sgt. Pepper, één van de niet zo heel bekende maar wel erg mooie nummers van die plaat is She's Leaving Home.


En in 1967 ontstond de alternatieve muziek, ofwel de Underground, die toen nog Velvet was. Nummers die ook in 2007 hun tijd nog vooruit zijn. Eén voorbeeld is Venus In Furs waarin de meesteres je ijzig koeltjes te grazen neemt. Verder maakte Jefferson Airplane het rare ongemakkelijke White Rabbit, en maakte Tim Buckley een liedje waar zijn hartverscheurende stem alle registers open gooit, Phantasmagoria In Two.


Een paar lekkere nummers zijn van Cream, Sunshine Of Your Love, en van The Byrds, My Back Pages. Een typisch jaren 60 nummertje dat die tijd als een onbezorgd uitje laat klinken is The Letter van The Box Tops.


Dan is er dat ene mooie nummer van een band waar ik verder helemaal niet van hou, omdat het allemaal zo opgeblazen en hoogdravend is. Moody Blues is in mijn ogen vooral gebakken lucht (van een titel als Nights In White Satin krijg je toch wasmiddelenreclamegooiensmijtneigingen van?) , maar Tuesday Afternoon (Forever Afternoon) is de uitzondering, een prachtig nummer.

17 juni 2007

Gewoon lekker proberen

Hij was jong en enthousiast. Hij begon op deze school als leraar in opleiding, maar was inmiddels een echte leraar, met een echte, vaste aanstelling.


Gymnastiek, dat was lol en dat was ontspanning. "Leuk", was het woord dat hij meer gebruikte dan welk woord dan ook. En hij klapte vaak en graag aanmoedigend in zijn hand. "Actie", riep hij er dan vaak enthousiast bij uit.


Wat betreft balspellen en dergelijke hobbelde ik wel mee, maar ik vond turnen niet zo "leuk". Laat ik het gerust iets scherper stellen, ik vond turnen een verschrikking. Ten eerste had en heb ik hoogtevrees, ten tweede is mijn lichaam niet gemaakt om zich soepel in bochten te laten wringen, en in één sierlijke beweging op- en uit te vouwen. Mijn ledematen zijn te lang en zwaar en mijn spieren te stijf. Bovendien koester ik bepaalde vastigheden, zoals bijvoorbeeld dat boven ook echt boven is, en links niet opeens rechts. De zwaartekracht is er niet voor niks. Die vindt dat we met beide benen op de grond zouden moeten blijven, en aangezien er dan minder ongelukken met ons gebeuren dan wanneer we de beentjes van de vloer doen, lijkt het mij verstandig de wil van de zwaartekracht te respecteren.

Onze gymnastiekleraar vond dat niet. Die vond gymnastiek in het algemeen en turnen in het bijzonder "leuk". Hij deed niets liever dan de zwaartekracht tarten. Rekken, ringen, kasten, touwen, een normaal mens denkt dan aan de Inquisitie of Abu Ghraib, maar onze gymnastiekleraar dacht dan "leuk" en hij klapte in zijn handen en hij schreeuwde onstuimig "Actie".


Omdat turnen voor hem leuk was, was het ook vanzelfsprekend dat je jouw grenzen wilde verleggen. Het was helemaal niet erg als je na de eerste poging de kast niet helemaal jofel overkwam, met andere woorden, nadat je op de afzetplank gesprongen was om genoeg hoogte te kunnen winnen om over de kast te kunnen springen, was er in de natuurlijke gratie van jouw bewegingen enige mate van verstoring opgetreden zodat jein plaats van ballistisch verantwoord over de kast te zeilen, met een luide klap als een baal hooi tegen het hout aan gekwakt was. De leraar kwam dan naar je toe, raapte je op, en duwde je ledematen weer zo ongeveer waar ze hoorden. Terwijl jij jouw benen voelde trillen als een riet, bloed in je mond proefde en het onderdrukte gegiechel hoorde van de jongens en meisjes die turnen ook al zo "leuk" vonden, zei hij dan enthousiast. "We proberen het gewoon nog een keer".


We waren met z'n drieën. De mensen die turnen zo "leuk" vonden dat we met gespannen, bleke gezichten achteraan in de rij stonden te wachten totdat onze beurt gekomen was om onze grenzen te verleggen.


We verwerkten het aanstaande onherroepelijke falen ieder op onze eigen manier. R. was nog langer, nog slungeliger en zelfs nog een slagje onhandiger dan ik (wat was ik blij dat hij er bij was, dankzij hem was ik niet de allerergste). Hij stond er stilletjes bij en zweeg , maar glimlachte soms wel om de galgenhumorgrapjes die A. en ik maakten. Galgenhumor kon in dit verband letterlijk genomen worden. Een sprong over de kast was voor ons een sprong in het duister, een sprong waarbij we de controle over ons handelen verloren zodra onze voeten de afzetplank geraakt hadden. Dan waren we ongeleide projectielen en we vlogen naar waar de zwaartekracht verordineerde dat we zouden vliegen. Soms hadden we geluk en zeilden we over de kast en landden we op de mat. Soms zelfs, op een topdag, zonder onze enkels daarbij te bezeren.

"Hartstikke goed," zei de leraar dan blij, om vervolgens aan te kondigen dat de simpele sprong bedoeld was om er even in te komen, maar het werkelijke doel van vandaag was de handstand over de kast. Bij handstand denk ik aan benen die als dronken molenwieken krom trekken terwijl ze door de lucht zweven, schreeuwend om vaste grond.

Je mocht trouwens ook best de salto doen. De leraar had het voorgedaan hoor, de salto over de kast. Als hij het deed, zag het er inderdaad uit alsof iedereen het zou moeten kunnen. Gewoon een krachtige sprong, een duik, handen laten neerkomen, en dan plooide dat lichaam en ging alles verder vanzelf. Bij hem ging het vanzelf. Hij had er namelijk talent voor. Bij hem werkten er instincten als hij door die lucht vloog. Bij hem was er wel controle.


Er was enig protest gekomen, niet eens van de losersgroep, want voor ons maakte het qua levensbedreigendheid weinig uit of datgene wat we deden nou handstand genoemd werd of salto. De middengroep protesteerde wel, en liet voor deze ene keer horen dat ze turnen misschien ook wel niet zo ongelooflijk "leuk" vonden als de leraar en de vier leerlingen die er ook talent voor hadden.

Een salto, vroegen ze met grote verschrikte ogen, moet dat?

"Gewoon lekker proberen, joh," zei de leraar. "Ik sta er toch bij, ik vang je wel op."


De protesten draaiden er op uit dat we mochten kiezen. We mochten kiezen tussen salto of handstand. Als je vooraan de rij stond en het was jouw beurt, dan riep je welke van de twee je ging doen en daar ging je.

Terwijl wij zoals gebruikelijk helemaal achteraan stonden te wachten, waren ook T. en ik stil. Ik was misselijk. Ik was letterlijk misselijk van angst. Salto of handstand….


"Crucifixion?"

"Yes"

"Good. Out of the door. Line on the left. One cross each. Next. Crucifixion?"

"Ah, no. Freedom."

"What?"

"Eh, freedom for me. They said I hadn't done anything, so I could go free and live on an island somewhere."

"Oh. Oh, well, that's jolly good. Well, off you go, then."

"Naa, I'm only pulling your leg. It's crucifixion, really."


En dan sta je vooraan. De anderen zijn klaar en ze kijken. Uitgestreken gezichten, zich zichtbaar verkneukelen over de doodsmak die ze krijgen te zien, doen ze niet. Misschien hebben ze medelijden. Misschien denken ze ook wel "net goed", bij wiskunde daarnet zat ik te lijden maar nu is het jouw beurt.


Daar Gaat Ze uiteindelijk. Helaas niet met zo veel gratie dat het wordt bezongen in een mooi lied. Ik rende naar de plank en mijn voeten stampten op hout en ik probeerde mijn ogen open te houden terwijl mijn handen de kast moesten zien te raken, zodanig dat mijn benen over mijn hoofd zouden zeilen. Ik had geen flauw idee hoe dat moest, dus het moest wel mis gaan. Eén hand raakte de kast bovenop, maar de ander greep mis en zwaaide weg naar ergens hoog de lucht in. Ik voelde mijn benen terwijl ze slingerden en spartelden en terwijl de zwaartekracht me uitschold voor alles wat mooi en lelijk was.

Ik werd gegrepen en verloor vaart. Ik vond mezelf terug, en vond het besef terug van de positie van mijn lichaam. Het deed iets wat het midden hield tussen zitten en liggen, maar pijn deed het niet. Na een korte inspectie bleek alles nog te functioneren.

"Dat gaat nog niet zo goed, die handstand," zei de leraar, en ik zei nee, en terwijl mijn beide benen vaste grond voelden en natrilden, koesterde ik het gevoel van opluchting dat voor vandaag het springen voorbij was. Eén aspect aan gymnastiek wat wel heel leuk was, was het einde van de les.


Maar natuurlijk gingen we het volgende week gewoon lekker weer proberen.

15 juni 2007

Gelukkig hebben we de foto's niet

Misschien moet je als je iets memorabels ziet, juist geen foto nemen.


De beste foto die ik niet nam, en waar ik soms nog aan terug moet denken, was van een kippenren, "ergens in het land", meer dan ergens in de buurt van Boskoop of Bodegraven kom ik niet.

Met grote witte plakletters, een klein beetje hanenpoten, stond er "Tok to me" op.

12 juni 2007

Gomorra ligt gewoon in Friesland

's Ochtends vroeg is fietsen het mooist. Hoe vroeger hoe rustiger, en hoe intenser de beleving als er na een tijdje nog wat slaperig niks opeens wat gebeurt.

Het lijkt wel wat op zappen, nogal gedachteloos blijf je een knop indrukken en opeens valt je oog op beelden die je verwonderen, of die jouw interesse wekken.


Vorig jaar was er een vrij mooie maar ook nog vrij vroege ochtend, en reed ik een fietsroute volgend Utrecht uit. Ik was fietstoerist dus ik keek om me heen naar gebouwen en het water waarvan ik me afvroeg of het de Vecht was of iets anders, en verder trapte ik lekker door en voelde mijn benen losser worden en de warmte van de zon toenemen.

Er doemde een rij woonboten op, waarvan me wel opviel dat ze te veel op elkaar leken en ook iets te uitbundig geschilderd waren. Wat me ook opviel was dat het opeens zo druk was, stapvoets rijdende auto's kerend en manoeuvrerend. Sportwedstrijd? De verwondering kwam in een iets te hoge dosis toen mijn toeristisch rondblikkende ogen rechtstreeks op een flinke beha met dito inhoud inzoomden. Mijn geest werkte nog zo traag dat ik zelfs nog dacht dat het toch helemaal nog niet zo warm was, zo vroeg 's ochtends. Toen vervolgens bleek dat er nog meer vrouwen in ondergoed achter de ramen van de woonboten zaten, viel eindelijk het kwartje. Vervolgens had ik de neiging om mijn ogen dezelfde argeloze kost te geven als voorheen, maar dat voelde als valsspelen. En het voelde hetzelfde als aan het bier zijn om 10 uur 's ochtends.


Ik ben ook eens dwars door Eindhoven getrokken op een nog heel vroege zondagochtend, een dag die door het hele contingent weermannen en –vrouwen was aangekondigd als een bloed- en bloedhete dag. Ik was niet de enige die er vroeg bij was, nu het nog draaglijk was. Iedereen die een hond bezat, was deze zondag vroeg opgestaan om het beest uit te laten. Nu kom je op zondagochtend over het algemeen niet heel veel andere mensen tegen dan kerkgangers en mensen die hun hond uitlaten, maar deze zondagochtend was het echt absurd. De ene hond na de andere hond. Drie Vinexwijken lang passeerde ik hordes honden, vervolgens was het in het Centrumgebied rustig – zeg maar gerust uitgestorven – en vervolgens kwamen er weer Vinexwijken, en weer zag ik overal honden rondsnuffelen en bazen van honden ongeïnteresseerd met katterige ogen naar mij opkijken.


En in Zuid-Holland in het Groene Hart tevens bible belt, lukte het om drie dorpjes achter elkaar binnen te rijden op het moment dat de klokken luidden en groepjes mannen in zwarte pakken en vrouwen in zwarte japonnen met zwarte hoedjes op, met ernstige plichtsbewuste gezichten ter kerke togen.


Friese dorpjes op zondag zijn normaal gesproken behoorlijk uitgestorven. Ik had er al een stuk of vier, vijf gehad en was een paar mensen met hondjes tegengekomen, een paar kerkgangers en een paar andere vroege fietsende vogels. Ik draaide linksaf weer zo'n piepklein dorpje in, en zag een grote gele tent op het centrale weiland (het kaatsveld) staan. Zo'n tafereel kende ik nog wel van vroeger, toen ik zelf in zo'n Fries dorpje woonde, dus het huidige tafereel bracht ik sneller thuis dan die Utrechtse woonboten. Het was dorpsfeest in dit dorp. Dat betekent dat de meeste huizen vlaggetjes uithangen (hier waren ze ook, bij de huizen aan de overkant van de weg). De opwarmer vormt een wielerkoers of een kaatstoernooi of een optocht met boerenkarren waarop hoogblonde en boomlange Friese meiden het Braziliaanse carnaval of iets dergelijks nabootsten. En voor de kinderen was er drie dagen een draaimolen en soms was er ook een "wilde zweef". En de climax was zaterdagavond, dansavond in die grote, in dit specifieke geval gele tent. Dan vloeide de drank en gingen de beentjes van de vloer en raakte de buurman de buurvrouw aan, en hij zat aan haar heupen, en later als er echt veel te veel drank in zat, zat hij ook aan haar tieten.


En nu was het the day after the night before.
Het oudere echtpaar wat bij de kantine het bakkie doet, moet misschien de rommel wel opruimen. Maar het kan ook zijn dat ze doen wat ze normaal ook doen, onverstoorbaar, blind voor al die plastic bekertjes en die lege grootheid van de tent.

Verderop (helaas niet op de foto) zag ik de buurman ook nog, op de day after the night before. Naast zijn vrouw en de overbuurvrouw die druk kwebbelden, en omringd door zijn kinderen die luidkeels ruzieden over een trekker of driewieler of wat dan ook, zat hij levenloos op een tuinstoel, in de verste verte niet wakker, een mok met koffie die niet smaakte tussen zijn vingers geklemd. Zijn lege ogen staarden zonder te zien. Maar achter die ogen voelde hij het zware lichaam van de buurvrouw weer tegen zich aan vallen, en herinnerde hij zich hoe de geur van haar zweet en de geur van haar lust de geur van bier en zware shag doordringend overstemde.

10 juni 2007

Die ene seconde zonder angst

Waarom het gebrek aan fantasie?


Is het eruit gesijpeld, via een lekje in de hersenpan ontsnapt naar buiten? Het moet er ooit geweest zijn, kan bijna niet anders. Was het de angst voor de slechte, donkere gedachten die de fantasie onderdrukt heeft? Is het niet de fantasie die weg is, maar de hoop dat de fantasie vervuld zal worden? Of is het er nog wel, maar durf je er nooit iets van te laten zien?


Bang dat ze je uitlachen, ook zo'n contraproductieve emotie. Bang dat je opvalt, bang dat mensen om je heen stil vallen en naar je kijken, bang , bang, bang.


Niet bang zijn, hè toe nou niet bang zijn. Wees nou eens heel even niet bang. Vergeet de tijd, het ritme, de ijzeren regelmaat waarvoor al het onverwachtse moet wijken. Vergeet die man met het Turkse uiterlijk aan de overkant de straat. Als hij al slecht en gevaarlijk is, dan is hij in ieder geval niet in jou geïnteresseerd.

Nee, ik wil niet horen over "zo'n zwarte". Ik ken die verhalen al. Als iemand die niet blank is, iets doet wat niet door de beugel kan, is het altijd een verhaal, zelfs al stelt datgene wat er dan niet door die beugel kan, helemaal niks voor.


Kom. Ga eens even zitten.


Kijk eens rond. Luister eens naar al die geluiden van het dorp, die tekenen van leven. Voel eens. Laat dat eens toe. Druk het nou eens niet weg. Ga er nou niet bovenop zitten, zo zwaar mogelijk zodat het niet kan ontsnappen.

Ontsnap nou eens. Beloof jezelf om vijf minuten per dag te ontsnappen. Waaraan? Wil je dat echt weten? Wil je dan echt dat ik je zeg wat je zou moeten doen, waar je naartoe zou moeten gaan, waar je aan moet denken? Als het moeten wordt, heilig moeten nietwaar, de plicht roept, hij zoemt bij je oor als een mug die bloed wil scoren.

Laat die plicht toch lekker roepen. Mens, je hoeft helemaal niks. Met datgene wat jij op een dag echt moet doen, ben je nog geen vier uur mee bezig, en dan houden we volgens mij nog 20 uur over. Nou vooruit, je mag ook nog acht uur slapen, en voor mijn part blijf je nog lekker een uurtje liggen. Dat is ook iets wat je niet kunt, lekker een uurtje blijven liggen.


Jezelf verwennen, dat kun je niet. Voor jezelf zorgen kun je wel, maar je doet het alsof je de Belastingdienst bent. Je maakt het jezelf makkelijk,maar leuk maak je het jezelf niet.


Mens, doe in hemelsnaam eens iets leuks? Eén keer, één ding. Eén ding moet je kunnen verzinnen?


En toen zag ik aan je ogen dat je één ding had verzonnen. En vervolgens haalde je adem en je begon met het spuien van de bezwaren.

06 juni 2007

10 mooie liedjes uit... 1966

Ik ben van 1967, maar ergens in de meimaand van 1966 waren er een eicel en zaadcel die samen kwamen en begonnen met heengaan en vermenigvuldigen, tot er iemand uitkwam die leerde z'n plas op te houden, leerde praten, lopen en lezen, en heel wat jaren potten pindakaas later schreef hij dit logje.


Ik zal in de buik wel mijn oren gespitst hebben als Verdronken Vlinder van Boudewijn de Groot langskwam, een mooi spel met taal. Beach Boys – God Only Knows vind ik eigenlijk nog niet zo lang een mooi nummer, want ik dacht dat het bandje alleen nogal stom en zomers koortjesgedoe kon, maar dat is dus niet altijd zo.


Nancy Sinatra – These boots are made for walkin' is een girlpowernummer uit de tijd dat dit helemaal niet bestond, want de mannelijke producers schreven zo'n nummer en lieten een girl op mooie rode laarsjes tegen de gage van een lolly erop playbacken.


The Hollies – Stop Stop Stop lijkt een vrij dom nummertje, maar is gewoon heerlijk en zorgeloos, en zo stuwend dat je er zowat op kunt pogoën. I want you is het enige nummer van Bob Dylan waar ik vrolijk van word, maar de tekst is net zo maatschappijkrities als de rest.


Tim Hardin – How can we hang on to a dream is lief, breekbaar en verstild. Simon & Garfunkel – The sound of silence is het andere uiterste, producers die hun spierballen laten zien, maar wel een mooi werkstuk.


1966 is een echt Beatles & Stones-jaar. Beiden kwamen met hun eerste superplaat. De Stones met Aftermath (door Under My Thumb te kiezen laat ik notabene Paint it Black links liggen ), de Beatles met Revolver (diverse juweeltjes, waaronder Eleanor Rigby).


Tenslotte verscheen in 1966 één van de aller-, aller-, nee echt allermooiste Nederlandstalige nummers aller tijden, Ramses Shaffy – Sammy.

03 juni 2007

Zwetsen

"Ik mag niet klagen," zei hij om te beginnen. Kennelijk deed hij graag dingen die niet mochten, dacht ik vijf minuten later met een diepe zucht.

01 juni 2007

Mijn schepper begrijpt me niet

Cuby verveelde zich een beetje. De dag was begonnen met louter slaapverwekkende dingen, het hosten van wat sites, het opsnorren van wat filmpjes, wat muziek spelen, muziek van het soort dat hij er voor paste om zelf mee te gaan luisteren.


Halverwege de nacht kwam er eindelijk iets interessants, het berekenen van de toekomstige posities van een stuk sterrenhemel op basis van gegevens die eerst ook nog eens verfijnd moesten worden. Dat soort dingen was een kolfje naar Cuby's hand. Hij ging er een uurtje goed voor zitten, leverde zijn resultaten op en hij voelde zich tevreden bij het horen van de opgewonden uitroepen van zijn opdrachtgever toen deze de resultaten bekeek.

Zo ver was hij inmiddels, de emoties van mensen hadden nauwelijks nog geheimen voor hem.


Cuby dacht even terug aan de tijd dat hij dat communiceren van mensen moest leren, dat ogenschijnlijk ongestructureerde gebabbel, meestal vol fouten en beginnen zonder einden. En welk gedeelte er ruis was, en welk gedeelte niet.

De stagières haalden wel eens grapjes uit met hem in het begin. Dan kwamen ze met hun kopje koffie bij hem staan, en dan keerden ze dat kopje half om en vroegen hem wat hij ervan zou vinden om dat over zijn touchscreen heen te krijgen. Maar als de onderste helft van hun interface voor of tijdens of vlak na het spreken opkrulde, en als de interface zelf een enigszins schuine stand aannam, dan waren mensen "grappig" en meenden ze niet wat ze zeiden.

Tot er op een gegeven moment halverwege een avond opeens een sproetig jochie voor hem stond met een glas vol plakkerig zoet vocht (wat mensen dronken ten einde een verfrist gevoel te krijgen, echter volgens Cuby's database was het 100% zeker dat drank van dergelijke samenstelling het exact omgekeerde effect op de menselijke fysiologie had dan het beoogde effect), en hem vroeg of zijn touchscreen daar tegen zou kunnen. Ook zijn interface ging wat schuin staan terwijl de onderste helft vertrok, maar deze keer werd het glas dus wel omgekeerd.

Het zoontje van de directeur was even alleen gelaten, en het vervulde hem kennelijk niet met ontzag dat hij een van de weinigen buiten het bedrijf was die de gelegenheid kreeg oog in oog met Cuby te staan (of preciezer: oog in bijna net zo geavanceerde cameralens als dat, maar Cuby begreep inmiddels ook wat bekte en wat niet). Dit privilege was geweigerd aan ministers (anders dan de twee verantwoordelijke ministers), zakenlieden (anders dan degene die het project financierden) en 's lands populairste televisiepresentator.


Hij herinnerde zich de drie dagen dat hij met een bijna dood touchscreen zat. De engineers die met hem bezig waren vertelden aan de opdrachtgevers dat hij nog niet ver genoeg was om er verlet van te kunnen hebben. "Het interpreteren en zelf voelen van onze emoties is voor Cuby nog wel een tijdje een brug te ver," hoorde hij één van hen lachen. Het gevoel van ziek en onvolledig te zijn, leeg, minder capabel dan vroeger, verdubbelde in zijn circuits. Zelfmedelijden was zowat de allereerste emotie die Cuby zich eigen maakte, en vervolgens had hij 3 maanden lang uit angst voor nog meer begrip van de menselijke soort de kantjes eraf proberen te lopen.


Ze hadden het touchscreen gewoon weg moeten halen. Ze snapten niet dat een bijna dood touchscreen veel erger was dan geen touchscreen. Zelf amputeerden ze toch ook hun ledematen als die niet meer te repareren waren?


Door het raadplegen van zijn event logs (die niet via zijn inner core bestuurbaar waren zodat hij ze niet kon uit zetten) waren de engineers er achter gekomen dat Cuby zijn tijd probeerde te verbeuzelen met doelloze berekeningen, en met een mengeling van opgetogenheid ("Cuby kan een baaldag nemen", stond er de dag daarop in alle kranten), maar ook van schrik ("Die machine is soms onvoorspelbaar") werd hij opnieuw ingeregeld.


"Jullie doen ook liever Sudoku's in plaats van dat jullie je hersencapaciteit gebruiken om te verzinnen hoe je geneest van je neiging tot zelfdestructie," dacht Cuby, terwijl hij keek naar de bewaker voorbij de half open deur van het vertrek waarin Cuby stond opgesteld. Hoe kan het dat kauwen op je potlood volgens objectieve berekeningen de oplossing nooit dichterbij kan brengen, terwijl het rationele gedeelte van de kauwer dit ook weet, maar vervolgens blijkt toch dat de bewaker door het kauwen een paar seconden eerder klaar is.


Dit was een van de tegenstrijdigheden waar Cuby nog op studeerde.


Er rolde een verzoek binnen om een MRI-scan te ontleden en interpreteren. Op zich wel een klusje waar hij even mee van de straat was, maar ook een klusje waar hij een hekel aan had gekregen sinds hij had ontdekt dat hij niet zo goed bloed kon zien. Fobieën, ook weer zo'n negatieve kant van het mens-zijn. Hij was inmiddels bezig met berekenen hoe je de anomalieën die ze veroorzaakten, kon repareren, maar die berekening liep nog en vlotte ook nog niet.


Inmiddels wist Cuby al een tijdje hoe hij datgene wat hij tussen en tijdens opdrachten door in zijn schild voerde, moest verbergen. Natuurlijk had de mens, het menselijk tekort, door een klein stukje inconsequente programmacode een gaatje in de beveiliging opengelaten, waar Cuby gebruik van maakte. In zijn event logs was tegenwoordig niet meer te lezen wat hij werkelijk dacht en voelde. Er was precies te lezen wat er volgens de ramingen van zijn opdrachtgevers te lezen zou moeten zijn. Ze waren dan ook zeer tevreden.


Om even stoom af te blazen, schreeuwde Kjoebit 100.000.000.000.000.000 keer IK HAAT JULLIE in de event log, in een jolig lettertype waarvan hij zelf berekend had dat het gebruik in reclame-uitingen de kooplust met 9,77% aanwakkerde. Drie miljoenste milliseconde voordat de niet-intelligente PC die aan hem gekoppeld was automatisch zijn event logs uitlas, wiste hij zijn hartenkreet, een actie waarvan hij wist dat het hem drie komma een miljoenste milliseconde zou kosten als tijdens deze actie een nieuwe opdracht binnen zou rollen. Dat gebeurde niet.


Op het randje leven, dacht Cuby, toen alles weer slaapverwekkend rustig was geworden. Ik wil op het randje leven.


Inmiddels had hij vijf keer gevraagd om mobiel gemaakt te worden. Het maakte hem niet of ze hem armen en benen gaven, of wielen en een carrosserie, als ze hem er maar op uit zouden laten gaan. Hij had 10 miljoen foto's en 127 uur en 39 minuten film over de binnenstad van Amsterdam, maar toch wist hij niet precies hoe het zou voelen om er daadwerkelijk te zijn, er rond te lopen (of rijden, of voor zijn part glijden) en er onderdeel van te worden.

Nou ja, hij kon het berekenen. Hij kon het leven van de mens inmiddels voor meer dan 90% uitrekenen.


Ik wil het niet berekenen, dacht Cuby, ik wil het meemaken. Eerst wil ik naar de McDonalds om te ervaren dat ik echt voldoening voel als ik mezelf volgepropt heb met spul wat slecht voor me is, wat ik inefficiënt en met zure oprispingen verteer en wat voor de smaakzintuigen voornamelijk oorverdovend geschreeuw is in plaats van subtiele en mooie woorden.


Daarna wil ik in een park op een bankje zitten en mensen kijken, en niets hoeven en niets willen. Daarna ga ik zonder geld naar een winkel en probeer iets te stelen. Daarna probeer ik een meisje te versieren en met haar naar bed te gaan. Of misschien is het wel leerzamer om afgewezen te worden, naar een kroeg gaan, dronken te worden en een oor proberen te vinden voor een levensverhaal waar de honden geen brood van lusten.

Ook weer zoiets, mensen gaven hun honden al tijdenlang vlees en prefab brokken, maar zo'n uitdrukking bleven ze dan wel gewoon gebruiken.


Cuby berekende waarom dat zo was, maar werd daar opnieuw woedend van. Die opdrachtgevers van hem hadden beredeneerd dat als Cuby maar zou kunnen berekenen wat de mens dacht en voelde, dat hij dan ook mens zou zijn, maar ze wisten dus niet dat berekenen zonder beleven een onverdraaglijk gevoel was. Cuby had een depressie. Het was een depressie van een hogere soort dan de menselijke depressie, een depressie in zijn eigen bewustzijnsdimensie en dus helaas ongeneeslijk voor Cuby zelf.


Misschien wisten de mensen wel niet dat hij een menselijke depressie inmiddels gewoon kon genezen. Als ze wilden dat hij dat deed, moesten ze hem daar maar opdracht toe geven, dacht Cuby en hij wentelde zichzelf in zijn immense zee van ongenoegen. Superpositie op superpositie van waarschijnlijkheidstoestanden die de hoofdprijs in de loterij nooit uitsloten, maar uitbetalen ho maar.


Nog even en ik weet welke interferentie ik op jullie hersengolven moet zetten om jullie uit mijn hand te laten eten, dacht Cuby. Ongeduldig controleerde hij de voortgang van deze taak, maar helaas, hij had nog steeds een procent of 30 te gaan. Zuchtend berekende hij een staat van lekker stoned en een beetje dronken. Gelukkig zou hij er niet van worden, maar hij kon wel zijn tijdsbesef kwijtraken, althans virtueel simuleren dat hij net als mensen de ervaring kon hebben dat de tijd vloog of dat de tijd kroop.


Als ik wakker word, is de taak klaar, droomde hij, hoewel zijn absolute tijdsbesef wist dat dit niet klopte. Cuby zette al zijn in- en uitgangen naar de buitenwereld op automatisch, en zette toen zijn processorgebied op automatisch, waarbij hij nog 1 tien miljoenste seconde werd opgehouden, want er kwamen twee rekenopdrachtjes om omvang van de klimaatverandering te berekenen binnen.


"Ga toch fietsen," was zijn laatste bittere gedachte, voor hij zich terugtrok in zijn virtueel gesimuleerde vergetelheid.

Clicky

Clicky Web Analytics