28 oktober 2007

Nee het wordt geen winter

Het was maar een klein stukje gras dat door de bomen vrijgelaten werd, aan de oever van het ven met het donkere water. Stil water. Als je goed keek rimpelde het water overal en steeds opnieuw, vanwege insecten of watervogels of een klein zuchtje wind dat omlaag viel tussen de bomen van het bos.

Theo kneep zijn ogen dicht voor de zon. Hij zakte langzaam omlaag maar had de toppen van de bomen nog niet bereikt. Het was nog steeds aangenaam warm, deze eerste dag van het jaar die op zomer leek.


Zijn ooghoeken zagen Marianne die naast hem zat. Ze las een boek, met op de kaft idealistische plaatjes over leven en liefde. Ze merkte niet dat tussen haar witte kousen en de zoom van haar bleekblauwe jurk een stukje melkfleswit been bloot was. Een stukje kuit, een knie en een stukje dij. Het stukje dij was groter geworden terwijl Marianne had zitten wippen. Theo keek hoe een vlieg landde op dat blote stuk kuit. Hij zag Mariannes handen naar de vlieg slaan. Hij zag hoe ze zonder nadenken haar jurk opschoof zodat haar been niet meer bloot was.


Alleen waren ze. Het bos en het ven hoorden bij het landgoed. Marianne was de dochter van de eigenaar van dit landgoed, graaf van Duysenberghe. Marianne was de dochter van zijn tweede vrouw, waarmee hij trouwde nadat zijn eerste vrouw overleed en Theo was een zoon van deze eerste vrouw. Er was geen officiële reden waarom Marianne wel en hij niet op het landgoed woonde. Hij logeerde hier slechts, twee of drie keer per jaar een weekje.

Theo had er wel eens naar gevraagd maar de graaf had toen gemompeld dat hij daarover nog wel eens iets zou vertellen als Theo meerderjarig geworden was. Theo besloot om zijn licht eens op te steken onder het personeel op de boerderij en daar had men hem weten te vertellen dat de biologische vader van Theo niet de graaf was maar de toenmalige stalknecht van de graaf.


Hij zuchtte. Daarom droeg Marianne zo'n ragfijn jurkje en voerde de hele dag geen klap uit, terwijl hij een eenvoudige boezeroen aanhad en voor de kost moest werken. Gelukkig had hij op school wel goed leren lezen en schrijven en was hij nu klerk. Hij hoefde niet meer op het land te zwoegen, waar zijn smalle handen kapot gingen en zijn tengere lichaam, vatbaar voor kou en ernstiger ziekten dan dat, gesloopt voelde.


Als hij dacht aan arbeiders, voelde hij minachting. Terwijl hij zich heerlijk voelde, de zon voelde branden op zijn kleren, gistte de minachting voor ongeletterde boeren, die spuwden en stonken.


Hij keek schuin omhoog toen hij Marianne omlaag voelde kijken. Ze lachte naar hem, gesteld op zijn gezelschap op deze mooie avond bij het ven. Haar ogen waren groot en blauw, haar lippen bleek en rond, haar wipneusje grappig. Ze liet het parasolletje waarmee ze haar huid beschermde tegen de zon, zakken. Ze tastte naar haar achterhoofd. Theo lag aan de grond genageld toe te kijken terwijl hij zag hoe ze de speldjes in haar haren losmaakte. Haar lange glanzend blonde haren vielen in lange slagen om haar bleke gezicht.

"Waarom doe je dat?"

"Dat is prettig," antwoordde ze. "Vind je het mooi?"


Ze keek hem aan. Haar ogen bleven maar welwillend omlaag kijken, hoewel ze elkaar nu al veel langer dan sociaal wenselijk was, aankeken. Maar hoe kon ze hem willen? Hij was niet van haar klasse. Hij kon haar niet krijgen. Hij was haar niet waard, dacht hij, terwijl hij zich zijn minachting voor arbeiders herinnerde en besefte dat hij in haar ogen wellicht van even laag allooi moest zijn.


Maar nog steeds keken die ogen in de zijne.


Steunend op zijn ellebogen ging zijn romp omhoog en zijn hoofd ging mee. Zijn hoofd kwam naar haar hoofd toe. Zijn lippen kwamen. Hij zag die van haar een klein beetje opkrullen. In blije afwachting, dacht Theo. Vlak voor hij haar lippen beroerde en hartstocht van de aanraking een zoen zou maken, vielen zijn ogen dicht.

Zijn lippen tuitten en smakten in het luchtledige. Verward deed hij zijn ogen open en keek om zich heen, om Marianne te ontdekken op het randje van de grasstrook, een meter of twee naar achteren opgeschoven. Ze sloeg haar handen om haar opgetrokken knieën en vroeg hem of hij ook vond dat het frisjes werd.

Straks ook in Iran

De journalist zag stoffige straatjes die vol waren met mensen. Of ze wenkten hem om iets van hun uitgestalde waren te kopen, of ze liepen hem bijna van de sokken. Velen droegen een zwart of bruin gewaad met hoofdbedekking, de meeste mannen en alle vrouwen. Van vrouwen zag je alleen ogen. In die ogen keek hij nooit rechtstreeks want dat hij geleerd op zijn opleiding Werken in Vreemde Landen van 2 dagen, afgesloten met certificaat.


Verbeeldde hij zich dat hij vaak angst of misprijzen in de donkere ogen van de mannen zag, vlak voor ze wegkeken en vlak voor de eigenaar van de kijkers hem passeerde? Al snel besloot hij om zijn kleding aan te passen, want hij werd aangestaard en behandeld als toerist. Als hij toch vragen stelde, begon men druk te praten, te wijzen dat je daarvoor die en die moest hebben. En steevast was de straat rondom hem even later leeg.


Ook nu werd hij ontmaskerd als westerling zodra hij zijn mond opendeed. Hij ontmoette veel zwijgzaamheid en nog meer wantrouwen. Hij moest geduld oefenen. Hij verduitste zijn naam en als men hem vroeg waar hij vandaan kwam, noemde hij Duitsland, want daar was zijn grootmoeder geboren en hij sprak een klein mondje Duits. In dit land viel het gelukkig niemand op hoe zwaar zijn accent was.


Gaandeweg kwam hij bij mensen thuis op de thee. Bij stukjes en beetjes hoorde hij verhalen en werden in zijn bijzijn meningen uitgesproken. Hij leerde dat de westerling op achterdocht kon rekenen, al geloofde men vaak wel dat men de bedoeling had zaken te verbeteren.

"Ze hebben altijd belangen," zei een oude man. "Geen westerling komt hier zonder een belang. En dat belang van hem moet ook jouw belang worden. Anders is die westerling opeens niet meer jouw vriend."

Wat betreft zijn eigen land was de achterdocht het grootst. Men was bang voor de wapens, de zonnebrillen, de geschoren koppen. Men sprak van arrogantie. Mensen werden afgesnauwd en toegeschreeuwd. De verhalen over mensen die werden meegenomen voor nader verhoor naar stille steegjes of verlaten woningen waren legio. Als hij daarover verder vroeg, viel men stil. Hij proefde schaamte.


Op een gegeven moment sprak de journalist een oudere man die zijn vrouw en drie van zijn kinderen was kwijtgeraakt aan een verdwaalde bom die voor een naburige munitie-opslagplaats bedoeld was geweest. Hij vertelde hoe hij naar een bouwval meegenomen was. Men vond het verdacht dat hij altijd alleen was. Hij deed zijn verhaal, maar men geloofde hem niet. Men schreeuwde hem toe, lang en vaak en luid, een tirade doorspekt met één woord dat hij kende van televisie, een woord dat een goed christen net zo min in de mond zou moeten nemen als de goede islamiet die hij zelf probeerde te zijn. De soldaten vloekten en spuugden. Terwijl hij met zijn handen in zijn nek stond, spuugden ze in zijn gezicht.


De oude man werd de centrale figuur in zijn eerste artikelenserie. Een paar uur nadat de mail verstuurd was, hing de hoofdredacteur aan de lijn. Hij vertelde dat het goede stukken waren, mooie portretten van het leven van burgers in tijden van oorlog. Met een beetje schrappen en bijschaven zouden het waardevolle bijdragen zijn. De journalist vroeg door op het schrappen en bijschaven en kreeg te horen dat de bom die het militaire doel gemist had, classified information was, dus dat moest op last van de regering geschrapt worden. Dat over die zonnebrillen en geschoren koppen en arrogantie kon eruit. Niet echt relevant. En dan even over dat vloeken en spugen. Voor de ochtendeditie aan de ontbijttafel was dat een beetje al te smakeloos, dus die passage zou wat minder expliciet gemaakt worden.


Toen de journalist zijn eigen verhaal later teruglas, werd de oude man verhoord omdat een getuige gezegd had dat hij bommen verkocht onder de toonbank, voor iedereen die Amerikanen een kwaad hart toedroeg. Hij volhardde in zwijgen, ook nadat men hem toeschreeuwde en moest hem uiteindelijk vrijlaten bij gebrek aan bewijs.


De journalist kende inmiddels een netwerk van mensen. Hij kwam buiten de stad in kleine dorpjes die door soldaten van de legerplaats in hun tanks bezocht werden. Men gaf toe dat er mensen waren die met wapens vochten tegen de soldaten, maar hij kreeg ook verhalen te horen over vuur dat geopend werd zodra men iemand met een wapen zag lopen. Ook nu werd er gefluisterd over mensen die naar stille plekken werden meegenomen.

De journalist werd in een jeep meegenomen voor honderden kilometers over wegen vol kuilen. Op diverse plekken moest een lokale politieagent mee om te vertellen waar de mijnenvelden waren. Het eind van de weg, hoog in de bergen, was een kleine vlakte vol puin en tussen dat puin waren botten te vinden, resten van kleren. Ze reden nog verder en kwamen bij een nis tussen de rotsen waar een paar hutten waren, vol met de overlevenden. De mensen vertelden dat ze honger hadden en de dokter liet de overvolle ziekenhut zien. De mensen zeiden dat de Taliban niet teruggekeerd was nadat ze de strijd van de afgelopen herfst verloren hadden. De vermeende terugkeer van de Taliban was het motief geweest voor de soldaten om het dorp met de grond gelijk te maken, zo had hij vernomen toen hij op de legerplaats was, een week geleden. Er was "intelligence" die wees op de terugkeer van de Taliban. Overigens was dit bewijsmateriaal "classified" dus had de journalist het niet te zien gekregen.


Een jonge jongen die de lokale politieman was geweest, vertelde over hoe hij verhoord was, want men dacht dat hij heulde met de Taliban. Hij keek de journalist niet aan terwijl zijn woordenstroom zo mechanisch mogelijk vloeide. Als zijn stem even brak, begonnen zijn ledematen te trillen.


Nadat de journalist zijn tweede artikelenserie gemaild had, ging hij naar een hotellobby vol westerse journalisten en werd onverantwoord dronken. Na een ochtend van de wereld te zijn geweest, werd hij wakker met een kater. Hij ging overeind zitten op de rand van het bed en drukte het antwoordapparaat in dat zei dat er één nieuw bericht was.


"Dat verhoor van die jonge lokale politieman zullen we maar niet doen. Dan hebben we toch echt meer bevestiging nodig dan van twee geitenhoeders die daar ergens hoog in de bergen de hele dag in de zon zitten luieren en op plantjes kauwen waar ze vervolgens de vreemdste fantasieën van krijgen. Geef mij vijf onafhankelijke bronnen die voldoende autoriteit bezitten en we publiceren. Na Abu Ghraib moeten we op eieren lopen. Je weet zelf dat we een bijzondere gouvernementele overheidscommissie op ons dak kregen nadat we het verhaal gepubliceerd hadden van die jongen van 17 die in zijn eerste weken als soldaat daar op de gevangen moest passen. Je weet dat we ons bestaansrecht moesten aantonen. Je weet dat we aangeklaagd zijn wegens fouten in de boekhouding. Je weet dat we op televisie een jaar lang een linkse antivredesmissiekrant zijn genoemd… Eigenlijk heb ik helemaal geen zin in een herhaling van dit soort dingen. De oplagecijfers staan toch al zo onder druk. Anyway, wel een compliment want het waren goed geschreven verhalen. Mooie beklemming. Ik heb Paul en Steve erop gezet om een en ander een klein beetje bij te werken. Je leest volgende week wel hoe mooi..."


Er klonk een zware klik en het antwoordapparaat ruiste en piepte. De journalist duwde zijn handen voor zijn oren want zijn bonkende hoofd kon dit geluid niet verdragen.

21 oktober 2007

En weer niet

Het vuur in de open haard slaat aan alle kanten uit. Ik ben met jou. Ik ben onder en boven en naast jou en we proberen dat vuur na te doen. Op de achtergrond speelt Bløf. Dat is niet mijn muziek maar we zijn bij jou dus dat geeft niet. Bovendien is eigenlijk al jouw muziek niet mijn muziek. Bløf doet een nummer dat best past bij dat vuur in de open haard en de dingen die wij doen. Bløf is OK.


Het vuur doet zachtjes knetterend zijn best. Jij doet je best. En ik ook.


Maar het lukt me niet. Mezelf voorliegen lukt uiteindelijk niet. Een vuur diep van binnen even laten opvlammen, lukt nog wel. Maar waar ik zojuist voor de open haard met een beetje oppoken en herschikken resultaat boekte, lukt het nu niet om een gestage vlam te krijgen, een vlam te laten branden die voorlopig niet uitdooft, een vuur dat zo lang blijft branden dat je jezelf wijs maakt dat dit voor eeuwig is. Of heel erg lang dan.

Tussen ons blijkt zo'n vlam niet weggelegd. Tussen ons is interesse en genegenheid, en wat ben je lief, maar tussen ons is geen vlam. Bij mij smeult het, maar zonder dat de ontbrandingstemperatuur bereikt wordt.


Eigenlijk wist ik het wel. Ik voelde het al wel. Mensen die echt op een roze wolk zitten, twijfelen niet, niet nu al. Ik had hoop dat het nog beter zou worden, kon worden, maar misschien was het wel hopen tegen beter weten in. Het geeft wel te denken dat ik in de week of wat dat het aan was, geen stukje over jou gemaakt heb (je bent alleen stiekem voorgekomen), maar in de minuut of wat dat het nu uit is, zit ik achter de PC.


Nadat de vlam gedoofd is, spreek ik de woorden die nodig zijn. Jij laat me die woorden spreken, trekt ze uit me. Jij wist het eigenlijk ook al. Je voelde het al wel. Je weet dat het nu of later pijn gaan doen, en dus is het beter dat het nu gebeurt.


Dan zitten we daar. De wijn is nog niet op, maar ik hoef nog niet weg van jou. Bløf is trouwens ook nog niet klaar. De band past zich moeiteloos aan de veranderde situatie aan. Een liedje over een verloren liefde. En als dat liedje klaar is, blijken ze er nog wel een te hebben.


Veel te zeggen is er niet meer. We luisteren vooral naar Bløf en we kijken naar het haardvuur dat langzaam uitdooft. Als Bløf z'n laatste nummertje laat versterven op een bas die een hartslag nadoet die wegkwijnt, wil ik echt naar huis. Muziek kan ook onpasselijkmakend toepasselijk zijn. Maar de wijn is nog steeds niet op.


Jij was gekker op mij dan ik op jou. Jij zult de komende dagen wel de verdrietigste zijn. Eigenlijk heb ik het maar makkelijk. Maar als ik mijn jas aantrok en jou aankijk, waarschijnlijk voor het laatst, voel ik dat gemak niet.


Buiten in een stille straat met alleen mijn voetstappen als achtergrondmuziek, schiet ik even vol.

19 oktober 2007

Onverwachts bezoek

Het bordje chili con carne was opgelepeld, het pilsje erbij bijna op. "Niet nog een pilsje nemen," dacht Gerard en hij luisterde. Hij herademde. "Niet meteen in ieder geval". Hij haalde zijn verfrommelde shagbaal tevoorschijn om er eentje te draaien. Die na het eten was de lekkerste. Nu hij heerlijk rustig geworden was, geeuwerig zelfs, verheugde hij zich er op. Bewust een beetje traag, om het verheugen te verlengen, verrichte hij de handelingen die nodig waren om hem te voorzien van een sjekkie met toeter, zoals hij ze het liefste had. Hij bracht het smalle mondstuk dat meer papier was dan shag aan zijn mond en hield de vlam van zijn aansteker bij de toeter. Hij nam een paar kleine, heftige trekjes en zodra de brand er goed in zat en het vloeitje knisperde, leunde hij genietend achterover om de rook tot in het diepst van zijn longen te inhaleren.


Met half dichtgeknepen ogen rokend nam hij de opties voor deze avond door. Op nummer 1 zette hij nog even naar Neil Young luisteren. Dit was hij al aan het doen. Zijn knokige vingers die verrieden hoe mager hij geworden was, deden langzaam mee met Cortez the killer. Het intro. Hij verheugde zich op het moment dat Neil zou gaan zingen. Hij dacht alvast vooruit naar het moment waarop de hel zou losbarsten.

Hij had wel zin om televisie te kijken, gewoon een beetje zappen en niet al te kritisch her en der wat blijven hangen. Het was best lang geleden dat hij voor het laatst in zijn versleten gemakkelijke stoel gezeten had. Daar was zitvlees voor nodig. Rust. Rust was wat hij nodig had.


"Echt niet?"

"Nee, dat zei ik, niet de kroeg in."

"Echt niet de kroeg in?"

"Echt niet," dacht hij, en hij voelde zich besluitvaardigheid. Hij lachte een superieur lachje. Soms was hij best wel sterk. Soms zette hij gewoon door hoor.


Wel zag Gerard stiekem een beetje op tegen de lengte van de avond die voor hem lag. Hij bedacht dat hij eigenlijk het toilet nog moest schoonmaken en dat hij de belastingaangifte vandaag weer had laten liggen (volgend jaar hoef ik niet, dacht hij, nog een voordeel van werkloos zijn). Neil was gelukkig gaan zingen en Ton concentreerde zich op de muziek, de langzaam toenemende agressie in de gitaren. Steeds enthousiaster tikte zijn hand mee op de verschoten leuning van zijn eetkamerstoel. Beetje spastisch.


"Beetje spastisch hè. Spastiiiiees."

Ton stond overeind in zijn kamer als door een wesp gestoken. Door zijn hoofd kroop een flard van de berekeningen die hij maakte toen hij nog sterrenkundige was. Zijn gedachten renden achter de getallen aan, probeerden het spoor te volgen en op te pikken. Bepaal de weegfactoren. Stel de coëfficiënten vast. Kom, waar zijn die weegfactoren nou toch.

"Coëfficiënte," blèrde Gordon in plat Amsterdams. "Coëfficiënten. Efficient, efficiënter, efficiënst. Zet geen D voor efficiënt, want dan wordt het deëfficiënt. Deëfficiëntiecoëfficientje. Negen keer woordwaarde. Jackpot. Weer de belastingen niet ingevuld, hè?"


"Dag Goor," zei Gerard gelaten. Zuchtend drukte hij zijn peuk in de asbak. Hij spoedde zich naar het raam, waar de weg beneden was, de auto's, de koplampen. De autolichten beschijnen je lichaam.


Oh nee, dacht Gerard…


Maar Gordon begon onmiddellijk "Ga die wereld uit," te zingen. Zijn stem was schor en klonk vals. Van flarden uit Kronenburg Park zong hij Linda en vervolgens kwam hij onvermijdelijk uit bij "Denk niet wit, denk niet zwaar…"
"Zwart is het" schreeuwde Gerard.

"Denk nie swaaarwi"

"Zwartwit!"

"Maar in de kleuvanjehai, maar in de kleuvanjehaaaaai"

"Waarom moet je altijd Frank Boeijen zingen," vroeg Gerard. "Ik heb helemaal niks met die man. Niet in positieve en niet in negatieve zin. Nauwelijks in negatieve zin dan."

Achter hem bleef het stil. Gerard keek om. In de kamer brandden alle lichten fel. Het verbaasde hem dat het er leeg was.

"Maar in de kleuvanjehaaaaaaaaaaai," blèrde het plotseling weer keihard in zijn oor en Gerard moest zijn handen voor zijn oren doen om Gordon te laten ophouden.


"We gingen toch televisie kijken?" vroeg Gordon, maar Gerard banjerde door de kamer, stak zijn handen diep in zijn zakken, zocht naar zijn sleutels, een euro uit het winkelwagentje dat hij niet teruggestopt had in zijn portemonnee. Hij balde zijn vuisten rondom zijn sleutels en rondom de euromunt.

"Leuke series kijken, lekkere wijven kijken. Rita kijken. Hè toe laten we Rita kijken."

"Ga weg," zei Gerard met trillende stem. "Ga weg Goor."

"Oh ja je houdt niet zo van Rita," antwoordde Goor onverstoorbaar. "Rita Hayworth is ook helemaal niet sexy. Rita is alleen maar het fucking grootste sekssymbool wat de westerse cultuur heeft voortgebracht."

"Ik weet dat je niet bestaat, Goor," zei Gerard. "Ik weet dat je er niet bent. Ik weet dat je geen controle over me hebt. Je manipuleert me niet. Je beïnvloedt me niet. Je bent lucht voor me. Je bent een lege huls. Ik ga je nu negeren."

Gerard haalde zijn handen uit zijn zakken. Hij deed zijn handpalmen open. Hij bekeek de euromunt en bekeek de sleutels. Hij hoorde geen suggesties of instructies in zijn hoofd. Hij kon doen met zijn bezittingen wat hij wilde, bedacht hij opgelucht. Hij legde ze neer op tafel terwijl hij Neil weer bezig hoorde. De gitaar was nog steeds langzaam, maar wel wild te keer aan het gaan.


"Zie je wel dat ik niet ziek ben?" zei Gerard. Hij stak zijn handen diep in zijn zakken, want ze waren koud geworden. Onder zijn bloes voelde ook zijn lichaam koud aan. Zijn ogen keken in de verte naar het raam, zonder echt nog wat te zien. Vervolgens praatten de stemmen van links en van rechts, van achteren en van voren op hem in. "Ik hoef in ieder geval geen Dolby Surround Systeem," dacht Gerard nog, maar vervolgens schoot zijn hoofd heen en weer van de ene stem naar de andere, de ene instructie na de andere. Het meisje van vierhoog met de spillenbenen had problemen op school en was doodongelukkig thuis. Dat wist Gerard. Gerard zag namelijk alles.

"Spreek haar aan, de volgende keer."

"Breng haar naar een dokter."

"Neem haar onder je hoede. Wees de vader voor haar die niet weggelopen is met de een of andere blonde snol."

"Negeer haar. Ze brengt kwaad. Ze is een heks. Ze richt je te gronde."

"Ze maakt je af."

"Maak haar af. Koop een geweer en maak Rita af."


Gerard begon te lachen. Dat konden ze niet menen. Hij was toch echt niet op aarde gezet voor dat soort missies. Gerard ontspande toen hij Gordon de stemmen tot rust zag manen. Hij bekeek zijn gestalte terwijl de handen bewogen. De gestalte was een beetje in mist gehuld en droeg zoals altijd witte kleren die oplichtten in het lamplicht. Een mooie vent was het wel, die Gordon.

"Grapje hoor", zei Gordon. "Het moet wel leuk blijven, niet?" Hij lachte net als de Gordon van de televisie. Gerard hoorde zichzelf lachen, niet als de Gerard van de televisie maar als de Koefnoen-parodie. Hij had het weer warm.


"Neem nog een pilsje," zei Gordon. "Neem nog een pilsje joh, word je rustig van. Is lekker joh, een pilsje."

Gerard keek om. Zijn keukentje was leeg. Achter de ramen ver weg was het donker. Eén voordeel van negen hoog wonen was dat ze met kijkers niks konden uitrichten. Hij wist zeker dat hij niet bespied werd toen hij de deur van de koelkast openmaakte en zijn pilsje pakte.

"Is lekker joh een pilsje," bauwde hij die gekke Gordon na en lachend zette hij het pijpje aan zijn mond.

"Geen sjekkie?" vroeg Gordon.

"Natuurlijk ook een sjekkie," zei Gerard en hij liep met het pilsje terug naar de kamer en de eethoek waar zijn shagbaaltje halfopen op tafel op hem wachtte.

14 oktober 2007

Die man van 6 miljoen wat een armoedzaaier

Je begint jouw carrière als een middelmatige loketbeambte. Op kantoor Wassenaar, want van dergelijke komaf ben je wel. In een paar jaar klim je op tot filiaalhoofd, want je bent een ijverig joch, en wie weet helpt ook wel dat pa af en toe belt met het hoofdkantoor, waar nog een paar vrinden van vroeger van het corps zitten.


Nadat pa weer eens een keertje langsgeweest is, kom je als middelmatig filiaalhoofd van Wassenaar toch in beeld bij de directie. Je wordt gepromoveerd tot middelmatig filiaalhoofd van een van de grote vestigingen, Rotterdam. Na een paar jaartjes komt de grote stap, op een bal ter ere van het afstuderen van de jongste dochter van de hoofddirecteur maak je als eerste een groot compliment over haar beeldige jurk die haar overigens middelmatig goed staat, en dus ben jij degene die gevraagd wordt voor de hoofddirectie. Van middelmatig directielid word je een middelmatig lid van de Raad van Bestuur. Die hebben op een gegeven moment een voorzitter nodig. Je bent maar middelmatig in de picture, maar je hebt wel een dubbele naam. Een dubbele naam past goed bij een bank die dubbel zo arrogant is als de andere banken, dus jij word het.


Het is een makkie, voorzitter van Raad van Bestuur van een levensgrote bank. Zelfs al doe je niks goed, dan nog maak je 4 miljard winst. Dat is dan ook precies de winst die de bank maakt in jouw eerste jaren. Je hoort her en der wat aandeelhouders morren, dus je doet maar eens wat overnames, die niet zo fijn lukken maar je bent er wel fijn een half jaartje tussenuit in zonnig Italië. En die bank blijft maar winst maken, dus wat kunnen je ze eigenlijk maken?


Helaas willen die morrende aandeelhouders uiteindelijk toch dat je de bank verkoopt. Ze eisen het. Ze verdienen amper een zeewaardig jacht aan die bank van jou, dat moet beter. Je krabt jezelf achter jouw middelmatige oor en besluit om jezelf dan tenminste sterk te maken voor de partij die de bank niet gaat opsplitsen. Je gaat jouw huid duur verkopen, want dan zul je een mooi plekje in de geschiedenisboeken verdienen. Dus neem je een half jaartje plaats aan de onderhandelingstafel, je lobbyt eens wat, je bespeelt de aandeelhouders en de media. En je verlies, want de aandeelhouders kiezen voor de optie die jij altijd slecht hebt genoemd. Slecht, nou ja, middelmatig dan.


Je wordt eruit geknikkerd. Dat zag je al wel aankomen, zelfs met jouw middelmatige intuïtie. Gelukkig krijg je wel een beetje geld mee. 26 miljoen is het. Niet slecht. En eigenlijk ook helemaal niet middelmatig. Hoeveel Balkenende is dat eigenlijk wel niet. Zal je jouw accountant bellen om dat te laten uitrekenen?


Eerst maar even thuis zitten. Uitpuffen. Recupereren. Wachten op een nieuwe uitdaging. Want je hebt het oh zo zwaar gehad. Om te beginnen ga je eerst maar eens een tijdje lekker golfen, een leraar inhuren die die middelmatige swing van jou eens onderhanden neemt.

12 oktober 2007

Beleving

Minks gisteravond gepoetste schoenen kwamen een kiezelsteentje tegen en schopten er gedachteloos tegen aan. Hij keek hoe het steentje in een rechte lijn over de stoep naar de tuin van de Mariënbergens scheerde, daar hoog opwipte na een botsing met de richel van het gootje. Hij schrok toen zijn vader hem vastpakte bij de mouw van zijn jas.

"Dat zijn nieuwe schoenen," siste hij in Minks oor. Mink reageerde nauwelijks. "Het geld groeit ons niet op de rug," hoorde hij zijn vader uitvallen. Hij werd door elkaar geschud. Er werd hem te verstaan gegeven dat die schoenen niet voor niets door moeder zo mooi gepoetst werden.

"Ik schopte alleen met de zolen," zei Mink. "Niet met het leer."

"Ik wil niet meer dat je steentjes schopte met je zondagse schoenen," zei Minks vader beslist, op een toon alsof het daarmee uit was. Terwijl hij naast Mink kwam lopen, bleef hij binnensmonds en daardoor onverstaanbaar een beetje napruttelen.


Marloes en mama waren de voorsten. Mama droeg een hoedje. De paardenstaart van Marloes huppelde er vrij naast. Er was nauwelijks nog een meisje dat een hoedje droeg, dus hoefde Marloes na veel soebatten ook niet. Bij de garage van Dubbelmans, het laatste huis in het rijtje, sneed de waterkoude herstwind de hoek om, recht in de gezichten van de kerkgangers. Papa boog zijn hoofd en zette zijn kraag op. Mink volgde zijn voorbeeld. Terwijl hij voortstapte de weg over, naar het gazon voor de kerk waarin de grote vlaggenmast stond, keek hij op en hij zag mevrouw Krijger die hen opwachtte bij het begin van het pad naar de open voordeuren van het kerkgebouw. Hij zag Roelien. Terwijl hij haar naderde, werd hij stiekem warm bij het kijken naar hoe ze stil als een standbeeld mooi stond te wezen in haar elegante rode mantel. Rode schoenen ook. Zijn ogen werden getrokken naar het ene stukje bleek been dat haar witte kousen en een zwarte rok niet bedekten. Die benen en de rest van Roelien begonnen te trappelen van de kou.


Mevrouw Krijger begroette Minks moeder en zusje met zoenen, luide smakken die het gejoel van de wind overstemden. Terwijl Minks vader een hand kreeg, zagen Minks glurende ogen die van Roelien stuurs wegkijken.

"Hallo Mink," zei mevrouw Krijger. Haar stem werd altijd laag en hees als ze iets tegen Mink zei. Mink werd er verlegen van. Dat gevoel werd erger gemaakt door het voelen van haar hand op zijn schouder, die heel even langs een stukje blote huid onder zijn oor aaide. Gelukkig zette de stoet zich toen in beweging en kon Mink weglopen bij haar hand.


Marloes protesteerde toen van papa de jassen uit moesten, maar van Roeliens mama moest de jas ook uit, dus gehoorzaamde ze maar. In het gebouw was het inderdaad steenkoud. Donker ook. Terwijl het gezelschap via het centrale gangpad in strak gelid op weg ging naar hun ongeschreven vaste plek, respectievelijk de vierde en vijfde rij van voren, keek Mink naar de hoge ramen aan de rechterkant, waarop her en der druppels verschenen en waarachter de lucht grijsgrauw was. Mink ging zitten op de keiharde somberbruine bank, stopte zijn handen tussen zijn dijen om ze warm te houden en liet zijn ogen ronddwalen langs de ouderlingenbankjes, het doopvont, de grote avondmaalstafel die nooit gebruikt werd. De preekstoel somberbruinde hoog tegen de donkerste muur van het gebouw, zodat altijd een lampje moest branden om de desk te verlichten waarop straks de handen van de dominee zouden leunen terwijl hij uit zijn schrift de preek zou oplezen. Oplepelen, dacht Mink, maar dat klonk als een godslasterlijke term.


Eigenlijk dwaalden zijn ogen alleen maar rond om vervolgens de indruk te wekken dat ze bij toeval in de nek van Roelien keken, schuin voor hem, haar kleine oortjes met de bescheiden zilveren knopjes erin, glanzende blonde haartjes rondom het lelletje. Ook haar haren zaten in een paardenstaart. In gedachten maakte hij het rode bandje los waarmee ze vastzaten en terwijl hij zich voorstelde hoe haar blonde haren ontsnapten, kreeg hij het eindelijk een klein beetje warm. Hij kreeg het nog warmer toen hij terugdacht aan de zonde waaraan hij deze ochtend, nog in bed en nog lekker ontspannen, aan overgegeven had. De zonde waarvan tante Jet zei dat je er onvruchtbaar van werd, maar tante Johanna hield het erop dat je er kanker van kreeg. En toch lustte Mink er wel pap van. Roekeloos had hij de pap naarbinnen gelepeld.

Maar nu in de kerk, onder de ogen van de Here Here zelf, kneep zijn buik samen. Hij zat stil. Hij voelde zijn lichaam star en stram wezen. Hij voelde hoe God op hem neerkeek met ogen die nou niet bepaald liefdevol waren.


De ouderlingen en dominee marcheerden naar binnen. Even later ging de gezangenbundel open en terwijl Minks mond zachtjes de woorden in het boekje meemurmelden, luisterde hij naar de stemmen om hem heen. Ver weg waren de paar luide en toegewijde zangers. Dichtbij klonk het gezang schor, samengeknepen, neusverkouden, geremd. Zoals zijn eigen stem ook klonk, dacht hij. Hij wilde wat luider zingen. Wat blijer. Hij probeerde het maar het lukte hem niet. Meer dan mompelen kon hij gewoon niet.


Je bent helemaal geen kind van God, dacht Mink en vervolgens kreeg hij zin om een potje te janken. De dominee vroeg de gemeente om op te staan. Minks gezicht verstrakte terwijl hij opstond, recht in de houding ging staan en zijn handen vouwde. Terwijl de dominee woorden sprak die zachtjes door het halflege gebouw galmden, voelde Mink de neiging om iets te fluisteren, te prevelen, te denken waarmee hij het goed kon maken. Hij kon geen woorden vinden. Toen keek hij maar naar Roelien, haar holle rug, haar romp gehuld in een mooie witte bloes met een walgelijk lelijke groenig geel dingetje eroverheen. Wat was het eigenlijk, een jurk, of heette zoiets overgooier?


Het moment dat de preek aanbrak, was een zegen en een vloek. Een zegen omdat hij dan op een pepermuntje kon sabbelen en niet meer hoefde te zingen. Een vloek omdat nu het lange wachten begon, die ellendig lange tijd waarin zijn benen zwaar en stijf werden, zijn lijf ongeduldig, zijn hoofd wanhopig als er geen gedachtestroom zou komen waarop zijn fantasie zou kunnen wegvliegen nar een plek waar het warmer en lichter en vooral leuker was dan hier.

De dominee sprak over vissers van mensen. Laten we vissers van mensen zijn, zei hij wel vier keer, en vier keer vroeg Mink zich af wat dit in godsnaam betekende. Hij zag bootjes met grote netten uitvaren naar de zee, om de laatste vissen die er nog waren, in die netten op te halen. Vervolgens zag hij mensen in die netten zitten. Ze leken helemaal niet gelukkig nu ze opgevist waren en in een net verstrikt. Integendeel, ze maaiden wanhopig met hun armen en worstelden om zich te bevrijden.


Mink werd niet gevangen door zo'n visser van mensen, want hij was geen kind van God. Dus kon hij Roelien uit de netten bevrijden, en wie weet zou ze zich vervolgens laten verstrikken in zijn netten. Maar nee, ze keek stuurs weg.

Toen voelde hij een haakje in zijn verhemelte. Er werd aan hem getrokken en hij moest mee. Hij werd voorgeleid, aan de hoogste rechter misschien, om geoordeeld te worden. Hemel of hel? Terwijl Mink dacht aan de hel, zijn keel steeds droger en pijnlijker vanwege dat fantaseren over het haakje, werden zijn vingers en knieën en voeten helemaal koud. Hij zag een deur openzwaaien, de deur waarachter die hel was, of op z'n minst was daar een plek waar hij straf zou krijgen. Hij voelde zich beduusd toen hij Roelien terugzag, in het midden van een ruimte waar het naar was. Ze stond op hem te wachten in een rode glimmende schoenen, een rood glimmend rokje, veel korter dan die zwarte rok, zodat in plaats van een glimpje bloot been een heel stuk bloot been zichtbaar was. Nu keken haar ogen wel naar hem. Ze schitterden terwijl ze met haar smalle hand hem wenkte.


Mink zocht haastig zijn tweede pepermuntje in het diepst van de zakken van zijn bruine ribbroek met zorgvuldig gestreken vouw. Door er gulzig op te zuigen, werd zijn keelpijn minder. Buiten achter de hoge ramen liet de wind de dunne boompjes van links naar rechts zwiepen, dunner dan de paal waaraan ze met een brede zwarte band bevestigd waren. Het aantal druppels op de ramen was niet vermeerderd. In zijn buik had de paniek van zoëven weer plaatsgemaakt voor een vertrouwd gevoel van gelaten verveling.


De dominee sprak over beter en gelukkiger tijden, waarin de pijn minder zou zijn, het kwaad verder weg, een tijd waarin de mensen meer om elkaar zouden geven. Zijn stem won een beetje aan volume en zijn woorden volgden elkaar wat sneller op. Maar echt enthousiast klonk hij niet. Ook leunden zijn handen nog steeds zwaar op de kansel zodat zijn romp wat inviel en zijn lichaam een ongeïnteresseerde indruk maakte.


Mooi geacteerd, dacht Mink. Even later klonk het amen. Er ging een zucht door de rijen. Overal door het kerkgebouw klonk geschuifel en gekraak. Het gehoest dat ook overal opklonk, stierf weg toen het psalmzingen begon. Liedje-bidden-orgelspel en ze mochten naar buiten. Terwijl het psalmgezang zich voortsleepte, keek Mink alvast naar buiten. De lucht was lichter geworden. Hij zag de Spijkermans die niet kerks waren, langskomen. Ze hadden wandelschoenen aan en een rugzakje om. Net nadat een racefietser langs geraasd was, zetten een paar felle zonnestralen de ramen in lichterlaaie.


Voor het eerst deze dag voelde Mink zich licht en blij. Snel trok hij zijn gezicht terug in een uitdrukkingsloze plooi, want de dienst was nog niet voorbij.


06 oktober 2007

Het is maar een spelletje

Terwijl het spel wegzwierf naar de verste hoek van het veld waar de spelers aan de overkant in de nevel verdwenen, stampte Alex met zijn voeten en hij stopte zijn handen heel diep weg in de zakken van zijn jas. Waarom had hij dan ook niet zijn winterjas aangedaan?


Hij keek opzij naar Wiersema, zijn buurman van de overkant van het pleintje, die hij op zomeravonden in zijn tuin wel eens een sigaartje zag roken, turend naar de lucht die gevuld was met het laatste kleurenpalet waarmee de zon de dag beëindigde. Een vredig tafereel. Maar nu stond Wiersema met zijn handen de lucht in en hij riep naar voren en hij schreeuwde "Let op die nummer 8, Steef, let op, let op". Op het midden van het veld ging een kale man met beginnend bierbuikje een duel aan met een jonge slungel met een grote 8 achterop de rug van zijn gele shirt. Wiersema juichte toen Steef de bal blokte, te pakken kreeg en naar voren schoot. Wild gebarend schreeuwde hij zijn team luidkeels naar voren en daar gingen ze. Langs de lijn kwam de rechtsback meegelopen. Het geluid van zijn voetstappen daverde vlak langs Alex. Eén vette kluit gras schoot los uit de mat.

"Hup Arno," riep Alex, zonder zich over te durven geven aan schreeuwen. Arno hoorde hem waarschijnlijk niet. Toen Arno de bal van de nummer 10 kreeg en opdreef, schreeuwde Alex nog een keer "Hup Arno" maar weer was zijn stem verlegen zacht, bleef plakken aan de kleine mistdruppeltjes in plaats van het veld over te steken zoals Wiersema's stem deed wanneer hij instructies brulde.


Arno ging op de back van de tegenpartij af en de lichaamstaal van die back suggereerde dat hij zich zou laten passeren. Vanaf het middenveld kwam echter een gedrongen mannetje in volle vaart met twee benen naar voren naar de bal toe glijden. Zijn sliding duwde de bal over de zijlijn en schepte Arno's benen onder zijn lijf vandaan. Arno's schreeuw echode over het veld, terwijl tegelijkertijd een snerpend fluitsignaal de vogels uit de hoge bomen naast het veld verjoeg. Het gedrongen mannetje stond op en breidde zijn armen uit in onschuld. Een man in een zwart pakje met melkflessen benen kwam driftig gebarend aan. Hij wees naar de lijn en maakte een gebaar van ingooien.

"Ingooi," brulde Wiersema. "Dat kun je niet menen. Dat was met twee benen inkomen! Hé asshole hé hoerenzoon, heb je stront in je ogen?"

De scheidsrechter negeerde Wiersema's misbaar. "Hee," schreeuwde die nog wat harder. "Hé kankerjood, hoor je me?"


De scheidsrechter wachtte onverstoorbaar tot de dikke Hensema die naar Alex begreep vroeger in het eerste van Cambuur had gespeeld, met verzorgerstas in sukkeldraf tot bij Arno gekomen was. Die zat inmiddels, maar wees met een pijnlijk gezicht naar zijn enkel, waar even later de spuit op werd gezet. Aan de overkant van het veld, waar tien of twaalf schimmen in de mist tegen het ijzeren hek aan leunden, werd eventjes een overbekend wijsje gezongen. Het duurde even voordat Alex de naam van de scheidsrechter kon verstaan, misschien omdat "Popkema is een hondenlul," niet zo goed in het metrum paste.

"Hondenlul?" gromde Wiersma, "Kankerjood zul je bedoelen," maar toen de scheidsrechter scherp opkeek trok hij een poeslief gezicht. "Kijk, eekhoorntjesbrood," zei hij en wees op het gras onder het ijzeren hek langs het schelpenpad waar inderdaad een paar paddenstoelen een kwijnend bestaan begonnen waren.


Er werd ingegooid en een wilde trap verplaatste het spel ergens naar de overkant van het veld. Mannen en geschreeuw verplaatsten zich naar daar. Aan de kant van Alex werd het stil. De voetstappen van Arno sloften langzaam terug naar zijn plek in de verdediging.

"Hé in de positie blijven," riep Wiersema, toen Arno opeens afweek van de krijtlijn en koers zette naar het midden van het veld. Hij bracht zijn vingers aan zijn mond om naar Arno te fluiten, maar bedacht zich toen. Want net als Alex zag hij nu dat Arno recht op het gedrongen mannetje afliep dat zojuist die sliding gemaakt had. De man stond met zijn rug naar Arno toe en volgde met huppelpasjes en kleine enthousiaste beweginkjes van zijn armen het spel, in de hoop de bal toegespeeld te krijgen en dan een fabelachtige slalom door de verdediging te beginnen.


Alex volgde hoe Arno vlakbij kwam, wachtte tot de bal helemaal aan de rechterkant was en de scheidsrechter naar voren het strafschopgebied in sprintte. Arno rende de meter die hem nog scheidde naar zijn tegenstander en met een schop van achteren tegen z'n achillespezen nam hij wraak. Opnieuw galmde een schreeuw over het veld, en er kwam nog een schreeuw achterna op het moment dat Arno, nadat de man gevallen was, de noppen van zijn rechtervoet eventjes nadrukkelijk de over het gras zwabberende kuit vastzetten in de aarde, het been verdraaide vlak boven de enkel.

De scheidsrechter keek pas de kant van de schreeuw uit nadat de rechterspits van het team in de gele shirts rechts van het doel de bal in een volley vol op z'n wreef genomen had. Het was net als Van Basten in de finale van het Europees kampioenschap van 1988. Ook nu ging de bal met een fraaie boog over de keeper heen en belandde vervolgens in het net. Het enige verschil was dat het dit keer het net van de achtervanger was.


De scheidsrechter zocht waar Arno was, maar die stond keurig in positie op twintig meter van de op het drassige gras heen en weer kronkelende geblesseerde. Terwijl een nieuw snerpend fluitsignaal Hensema tot nieuwe nog amechtiger actie aanspoorde, hadden Arno en Wiersema even oogcontact. Alex zag de duim van Wiersema snel eventjes goedkeurend omhoog gaan.

Clicky

Clicky Web Analytics