28 januari 2008

Herkauwer

Het heuveltje beklimmen viel hem zwaar. Het zand was zwaar van de vele regen en zijn schoenen zakten er diep in weg. Vlak onder de top slipte één voet weg en een lawine van modderkluiten ruiste omlaag. Alleen door zijn handen naar voren te laten vallen kon hij voorkomen dat hij viel. Na weer recht op zijn benen gekrabbeld te zijn plofte hij hijgend neer op het bankje op de top van het heuveltje. Hij bekeek zijn handen en zag na het wegvegen van het zand bruine moddervegen achterblijven. Geërgerd boog hij voorover om zijn handen schoon te maken aan het strookje gras tussen bank en zandpad. Net nadat hij had gevoeld hoe nat het gras was, voelde hij het koude nat van de bank door zijn broek heen dringen. Hij vloekte en schoot overeind. Hij maakte een moedeloos wegwerpgebaar en ging toch maar weer zitten, want hij was nog steeds moe en zijn broek was toch al nat.


Hij strekte zijn voeten uit zo ver hij kon en ging onderuit zitten. Met een gemelijke blik overzag hij het heideveld, grauw van kleur onder het grauwe wolkendek. Hij stak zijn handen zo diep mogelijk weg in de zakken van zijn jas terwijl de wind de spaarzame haren die hij nog had over elkaar heen liet buitelen. Hij dacht dat buitelen een stom woord was maar voelde vervolgens verlangen naar de tijd dat hij het nog kon, buitelen. Hij voelde zo veel verlangen dat zijn ogen nat werden. Dat moest van de wind komen. Hij knipperde met zijn ogen tegen de wind en staarde strak over het heideveld. Het was leeg, op een paar lichtbruine vlekken van ver weg grazende Schotse Hooglanders na. Grote grazers. Wat een rust, de hele dag aan niks anders hoeven denken dan eten. Eerst kauwen, dan herkauwen. Op het ritme van dat mantra ademde hij in en ademde hij uit.


Met een begin van rust keerde het begin van angst terug. De angst dat zijn aandelen nooit meer wat waard zouden worden. Ooit zat hij op dit bankje en maakte plannen met het appeltje voor de dorst dat hij straks na zijn pensioen over had voor leuke dingen. Toen was het ook nog mooi weer, dacht hij. Hij liet zijn hakken stampen, agressie die zijn voeten een beetje pijn deed. Hij zette zijn hakken letterlijk in het zand en keek hoe één voet begon te wiebelen. Het was een kleine inspanning om zijn voet te laten wiebelen, maar het was een enorme proeve van wilskracht om het wiebelen weer te laten stoppen. Het wiebelen werd manisch wild. Zenuwlijer. Stresskikker.


Dat was het echte probleem. Die aandelen was het verlies van een extraatje. Het feit dat zijn baan hem te veel geworden was, was erger. Nu hij middenin de ellende zat, leek het vanzelf te zijn gegaan. Eerst dat jachtige gevoel, het gevoel van druk dat ook 's avonds en ook in het weekend niet meer verdween. Hij voelde hoe de dingen die hij moest doen, op hem drukten. In plaats van een uitdaging te voelen het werk toch voor elkaar te boksen, voelde hij de last boven zijn hoofd uit groeien. Hij voelde zich geleefd worden. Als hij zichzelf dwong tot stilstand, leek iedereen om hem heen te rennen en zich te storen aan het feit dat hij niets deed. En als hij zich uit de naad werkte, zag niemand hoe veel hij deed en hoe hard hij zwoegde en hoe zwaar hij het had. Hoe godverdommese zwaar hij het tyfuskankertering wel niet had. Nadat de vloekwoorden in zijn hersenen opgedoken waren, besloot hij om niks te onderdrukken. Hij brulde zijn vloeken in de wind. Hij hoorde geen echo klinken. Hij herhaalde het godverdomme met de hardste g en meest rollende r waartoe zijn strottenhoofd in staat was, maar de Schotse Hooglanders wilden maar niet opkijken. Zijn keel begon pijn te doen. Hijgend begon hij te hoesten. Zie je wel, dacht hij, terwijl hij zijn longen schoon hoestte. Niemand hoorde hem.


Niemand zag hem. Nadat zijn baan hem boven het hoofd was gaan groeien, was zijn gezin gevolgd. Al een paar jaar had hij ook thuis het gevoel dat dingen boven zijn hoofd groeiden. Het leek wel alsof er steeds meer lawaai was thuis, hoewel de kinderen, de hoofdverantwoordelijken voor lawaai, er steeds minder waren. Wilde Mark het nou nog weer een keer goedmaken met Ilona of had hij nu definitief tabak van haar? Hij kon het zich niet herinneren. En Mariska, zat ze nou al in de examenklas of zat ze één klas daaronder? Hij dacht één klas daaronder maar wist het niet eens zeker. Ze zeiden dat wijsheid met de jaren kwam, maar het leek alsof hij met de dag minder wist. Op zijn werk kon hij de getallen voor in de spreadsheets steeds slechter onthouden. Jeroen, zijn naaste collega, ergerde zich aan het feit dat hij zelfs de hoofdpercentages moest opzoeken. Jeroen was jong. Jeroen rekende op salarisverhoging, terwijl hij zelf rekende op demotie.


Hij betrapte zichzelf op de angst om terug naar huis te gaan. Wat als zijn vrouw er niet meer bleek te zijn? Soms, steeds vaker, leek hem dat de enige juiste daad, de enigezinnige actie. Haar koffers pakken en bij hem weggaan. De enige uitweg. Als hij zelf met zichzelf moest leven, was hij al lang geleden gillend weggerend. Hij maakte het leven met zichzelf in gedachten tot een hel. Desondanks voelde hij paniek bij de gedachte aan thuiskomen en merken dat ze inderdaad datgene bleek te hebben gedaan wat hem net nog onvermijdelijk had geleken. Hij voelde radeloosheid bij alleen al de gedachte. Wanhopig werd hij bij het zien van een briefje in de fruitmand, met een rafelrandje van halve rondjes omdat het uit het ringbandje van haar agenda gescheurd was. Weggestoken tussen de appels, drie zoete gele appels met dieprode vlekken voor haar en twee zure groene voor hem. Of nee, twee zoete gele appels met dieprode vlekken, want ze had er één meegenomen voor onderweg.


Hij moest iets doen. Iets om de kloof te dichten, het gapende gat dat tussen hen gegroeid was. Hij moest iets doen om weer toenadering te zoeken. Iets moest hij doen om te voorkomen dat die dag van dat briefje tussen de appels zou komen. Maar hij wist niet wat. Hij voelde zich moedeloos. Hij voelde zich moe. Al de hele dag was hij moe. De hele week. Die hele godvergeten winter. Vermoeienissen maakten zijn benen zwaar, maakte de gedachte aan opstaan vergelijkbaar aan de gedachte 24 uur door te moeten werken. Hij had het koud gekregen, maar nog steeds was opstaan een onmogelijkheid. Met een grimmiger gezicht dan ooit bleef hij zitten. Hoe konden ze het broeikaswinter noemen als het zo godvergeten koud was?


Laat me met rust, dacht hij.


Hij keek om en zag van links, nog van ver, een man aankomen. Een man met zijn hond. De hond die losliep en snuffelde naast het zandpad, maakte hem onrustig. Als hij de looplijn van de hond extrapoleerde, eindigde het snuffelen bij zijn benen of zelfs ertussen. De onrust dwong hem van de bank af en op zijn benen. Hij keek de heuvel af naar de naderende man met zijn hond. Nog minstens 100 meter waren ze bij hem vandaan. Dit was belachelijk, dacht hij. Te gek voor woorden. Na zijn baan en zijn gezin groeiden nu zijn angsten hem boven het hoofd. Hij lachte. Hij lachte zichzelf uit.


Hij keek om naar de bank en nam zich voor om weer even rustig te gaan zitten. Tegelijkertijd voelde hij een onrust binnenin hem die hem aanspoorde voort te maken. Hij haatte die onrust. Hij hunkerde naar rust. Letterlijk hinkend op twee gedachten ramde hij uiteindelijk zijn vuisten diep in zijn zakken. In looppas begon hij de heuvel af te struikelen.

26 januari 2008

20 januari 2008

Vinexseks

Eindelijk waren we samen. We waren samen en alleen, in een bos waar het rook naar verse regen op verse bladeren en waar uit de vochtige grond damp opsteeg op de plekken waar de zon door de bladerkransen heen scheen en de grond bereikte om haar de eerste warmte van de dag te geven. Hoewel, een bos. Het was eerder een door projectontwikkelaars vergeten strook grond, waar door de jaren heen een coalitie van bomen en struiken de weg buitengesloten had. Zo af en toe raasde over de weg verkeer voorbij.


Ik keek jou aan en jij mij en de twinkeling in jouw ogen suggereerde dat je bereid leek mij de eerste warmte van de dag te geven, van het jaar, eigenlijk van een nog veel langere tijd dan dat. Laten we het afronden op een eeuwigheid. Ik hoor een tante van onbesproken gedrag en godsvrucht verkondigen dat een eeuwigheid wel erg lang is. Niet voor mensen weggelegd, alleen voor God. Denk jij mij naar dat je eeuwig zult mogen blijven, zult mogen bestaan en zult mogen leven. Zelfs eeuwig lijden mag je niet.


De tante en haar God bestonden niet in dit bos. Hier was jij en ik had voor niets anders oog. Jouw lach verdreef de zorgen en de ouderdomsrimpels uit jouw gezicht. Jouw ogen volgden mijn hand die op jou af kwam, de hand die het gemunt bleek te hebben op de stof van jouw kleren, het topje dat je droeg. Basiskleur wit, maar met paarsige verfklodders op je buik die op je boezem spinnenwebben werden en groenige stippen op je boezem die op je buik achtpotige beesten werden waar jij blijkbaar niet bang voor was. Ik raakte jouw huid aan. Ik streelde jou. Ik kromde acht vingers en begon over jouw boezem te trippelen. Je begreep mijn spelletje en moest om me lachen. Pas toen ik jou kietelde, duwde je mijn hand van je af. Zelf kwam je achter mijn hand aan en jouw lichaam drong zich aan het mijne op. Terwijl je me zoende, voelde ik jouw hand langs mijn buik naar de knoop van mijn broek kruipen. Ik hoorde jou lachen, deed mijn ogen open en liet ze jouw wijzende hand volgen. Boven mijn hoofd was een spin begonnen een web te weven tussen twee takken van de struiken die ons onzichtbaar maakten vanaf de weg. Het idee dat we alleen waren, was een illusie die ik koesterde omdat ik wilde dat hij waar was, maar toen ik tussen de bomen loerde, zag ik op de stoep bejaarden hun hond uitlaten en jonge moeders hun kind.


"Je bent gevangen in mijn web," zei je tegen mij. "Je bent mijn prooi. Ik kan met je doen wat ik wil." Datgene wat je bleek te willen, was mijn broek losknopen. Ik liet jou je gang gaan. Ik wilde bij jou zijn en door jou bemind worden, ongeacht welke manier van beminnen jij in gedachten had. Ik zocht en vond jouw lippen en zoende ze met alle hartstocht die ik in me voelde. Terwijl we elkaar de adem benamen trok je me aan mijn armen omlaag naar de grond. Onder een vrij dikke boom was een strookje grond die vrij droog was. Je legde me daar neer. Je zei dat je een zwarte weduwe was en je vroeg me of je wist hoe dergelijke spinnenvrouwtjes hun mannetjes consumeerden. Ik zei dat ik dat wel wist en hoorde jou wat gekkig lachen. Vervolgens sjorde je mijn broek van mijn benen af. Ik wachtte tot je bovenop me was komen zitten, liet jou toe bovenop mijn dijen. Ik keek jou aan en zag jouw ogen dromen terwijl jouw knieën mijn lichaam klem zetten en jouw billen me bereden. Ik tilde mijn armen op van de grond.

"Mijn armen zijn nog niet ingekapseld," zei ik. "Ze zijn nog vrij om iets te doen."

"Dat is slordig van me," zei jij. "Misschien heb je dan nog een mogelijkheid jezelf vrij te vechten."


Mijn armen gebruikten hun vrijheid door jouw lichaam aan te raken en jouw topje los te woelen uit jouw broek. Ik tilde het op. "Is dat jezelf vrij vechten?" vroeg je.

"Nee," zei ik. "Ik wil je. Ik wil je op wat voor manier dan ook."

Ik keek op naar jouw even broeierige als hongerige ogen. Ik zag jouw gulzige lippen in een glijvlucht omlaag komen naar de mijne.

17 januari 2008

Mooier Sneller Beter

Daar sta je dan, grijs en glimmend en niet onknap. Als Ik jou aanzet, licht achter waarschijnlijk nutteloze holtes in jouw kast blauw licht op dat zeker nutteloos is. Je bent geschapen om functionaliteit te bieden, maar het oog wil ook wat. Je bent ook geschapen om mooi gevonden worden.


Al weet je zelf ook wel dat je niet mooi bent. Sommige mensen zullen jouw mooi vinden dankzij jouw specificaties. Jouw getallen zijn goed. Nu, op dit moment, zijn jouw getallen hartstikke mooi en bovengemiddeld goed. De tijd zal echter verstrijken. Over een jaar sta je al niet meer prominent op winkelschappen, maar op de onderste rij waar niemand kijkt. Over twee jaar ben je grauwe middelmaat. Over vier jaar ben je een oud beestje en noem ik jouw getallen met verontschuldiging in mijn stem.


Nee, mooi ben je niet. Uit jezelf ben je niks. Je hebt enkel waarde door de dingen die met je gedaan kunnen worden. De dingen die op jou bewaard kunnen worden, opgeroepen en uitgevoerd. De mail, de muziek en de foto's die ik nu op jouw harde schijf parkeer, dat is jouw waarde. Dat ik jouw CPU mag belasten met een programma dat mij in staat stelt om de letters van de woorden die ik vind voor mijn gedachten elektronisch vast te leggen, dat is jouw waarde. Ik zie dat het maar 2% van jouw CPU kost, het verwerken van de letters van de woorden die ik vind voor mijn gedachten, en terwijl ik naar het wijzertje kijk zakt het naar 1%. Ik denk dat ik zelf op dit moment meer CPU opsoupeer.

Jouw voorganger die ooit ook best aardige cijfers had, is nu tweederangs. Ik ben nog bezig met het leeghalen, met alles overbrengen naar mijn nieuwe speeltje, maar als dat klaar is, is er alleen een zoemende kast over die ik zonder een traan te laten zal overdoen aan iemand die hem nog wel een paar jaar wil gebruiken voor zijn mail en foto's en documenten.


Wat een hoop werk is het toch, het inrichten van een nieuwe computer. Het installeren van software is nog het minste, al moet tegenwoordig alles eindeloos automatisch updaten en meent ook bijna elk programma dat het mee moet opstarten met Windows zodat die gigantische hoeveelheid geheugen die ik nu heb, weer lekker snel vol zit. Ook is het wennen. Wennen aan Vista ook, waar veel dingen net even op een andere plek zitten en de handige sneltoetsen en binnendoorweggetjes heb ik nog niet gevonden. Vloekend op Vista ook al snel, want het instellen van een ADSL-verbinding terwijl je modem een beetje oud is, bleek maar 12 kantjes tamelijk onbegrijpelijke instructies van de internetprovider te zijn.

Vervolgens het overpompen van data, waarbij blijkt hoe veel rotzooi je wel niet verzamelt op zo'n harde schijf. De muziek is net allemaal over, maar met de foto's en documenten ben ik amper begonnen. Vervolgens is er nog van alles en nog wat, ik heb nog ergens een paar 100 videoclips staan bijvoorbeeld.

Een van de meest vervelende dingen zijn al die wachtwoorden die je overal voor nodig hebt. Op de oude computer log je overal automatisch in en dergelijke, maar nu wil je op jouw mooie nieuwe bak even een overschrijvinkje doen, want dat internet werkt inmiddels, maar dan moet je bij jouw bank opeens weer de gebruikersnaam invullen, een ononthoudbare string in de trant van 54seedaf54da die op jouw oude computer jarenlang vooringevuld heeft gestaan. Met een nieuwe computer word je er wreed aan herinnerd op hoe veel plekken op Internet je wel niet moet inloggen voordat je wat kunt en hoe veel gebruikersnamen en wachtwoorden je wel niet hebt. Op lastFM bijvoorbeeld moest ik opeens weer inloggen (maar weet ik veel wat het wachtwoord is, deed mijn oude bak automatisch), allmusic idem dito, van flickr wist ik niet meer wat het nummertje achter mijn jackofhearts was en voor hyves staat ook een nummertje achter jackofhearts maar weer een ander nummertje. En uiteraard heb je ook daar weer een wachtwoord. Geërgerd probeerde ik als wachtwoord "hyves" en dat bleek het nog te zijn ook. Op sites waar beveiliging zinloos is, gebruik ik voortaan het stomst mogelijke wachtwoord.

Ook een ellende zijn bepaalde instellingen die opeens anders zijn. Bijvoorbeeld de instelling dat als ik een é wil tikken, doe ik dat door eerst een ' te tikken en dan een e en op mijn oude computer kwam de ' dan boven de e te staan, maar nu dus niet. Denk maar niet dat je zo'n instellinkje even snel vindt in de help van Vista of de help van Word of online. Welke zoekterm moet ik googlen om dit te vinden, geen idee. Kost me vast weer twee maanden voordat ik de instelling vind en weer gewoon een ' met een e kan tikken in plaats van een of andere achterlijke ctrl plus ' plus e.

De RSS-feeds van al mijn logvriendjes weer instellen, ook zo' n leuk karweitje. Sorry jongens, ben er nog aan toe gekomen, maar ik kom jullie binnenkort weer lezen.


Niet geklaagd, nog een dag of wat klooien met DVD' tjes en stickjes en mijn nieuwe machien is ingericht en klaar voor stressvrij gebruik (ahem, ik hoor mezelf nu al weer vloeken). Dan kan ik genieten van het feit dat alles weer snel gaat en dat Vista er eigenlijk best mooi uitziet en dat het online leven weer z'n gangetje gaat.

11 januari 2008

Onder nul

Ik deed mijn ogen open en zag een wazige gestalte tegenover me, of eigenlijk boven me. De lange lichtgekleurde haren rondom het gezicht dat ik zag suggereerden een vrouw. Zeker wist ik het niet, want ik zag alleen een wazige vlek. Ik zag zo ongeveer haar gestalte en zag de kleuren van haar gezicht, haren en kleren, allerlei tinten licht en wit. Iets kwam op me af en pas toen haar vingers me aanraakten, merkte ik dat ik een wijde mouw van haar bloes zag, of jurk. Haar vingertoppen raakten me aan. Ze omcirkelden zachtjes drukkend mijn ogen.

Het was een zachte, pijnloze aanraking en de vingertoppen manipuleerden me vol zorgzaamheid. Maar het was ook een inbreuk op mijn intimiteit, dus bewoog ik, om tot de ontdekking te komen dat ik niet kon bewegen. Ook niet een beetje. Ik kon geen vin verroeren. Ik kon alleen maar opkijken en haar vingertoppen voelen. Ik voelde dat mijn hart in mijn keel klopte. Ik voelde hoe koud ik het had. Ik had het echt heel erg koud. Ik voelde me versteend, zo verschrikkelijk koud had ik het.


Plotseling voelde ik water langs mijn wimpers kruipen. Het volgende moment werd mijn blik helder. Mijn ogen knipperden van verbazing en mijn wimpers voelden een ijzige kou. Ze gleden langs randjes ijs. Langs die randjes ijs kroop water, en ook dat water was steenkoud want het was water dat een paar seconden geleden nog ijs was geweest. Een herinnering keerde terug. Een herinnering aan wat er met me gebeurd was.

Maar ook zag ik nu de vrouw die me had aangeraakt, de vrouw die het ijs op mijn ogen had ontdooid. Ik zag haar en kon mijn ogen niet meer van haar afhouden. Niet alleen omdat ze mooi was, want dat was ze ook. Vooral haar haren, lange, steile, blonde lokken. Een beetje buitenissig was dat ze in sommige van die lokken vlechten had gemaakt en in die vlechten zaten gekleurde kraaltjes. Heel erg buitenissig was dat haar haren bedekt waren door ijs.

Niet alleen haar haren waren verpakt in ijs, maar ook haar lippen, haar neus en zelfs haar ogen. Haar hele gezicht werd bedekt door ijs, een dun laagje dat her en der glom en dat het licht in de kamer liet afketsen als ze bewoog. Ook in haar hals zag ik ijs zitten. Haar kleren, een sneeuwwitte bloes met inderdaad wijde mouwen en daaronder een al net zo sneeuwwitte rok, leken gemaakt te zijn van sneeuwijs. Ze lachte een beetje bij het zien van mijn stomme verbazing. Ik voelde hoe onder haar vingertoppen het ijs dat op mijn voorhoofd zat, begon te breken. Ik besefte dat niet alleen zij bedekt werd door ijs, maar ikzelf ook. Een dun laagje ijs hield me verpakt, niet alleen mijn gezicht, maar mijn hele lichaam. Nu snapte ik waarom ik het zo koud had.


Ik wist nu ook weer wat er gebeurd was. Ik was uit fietsen gegaan. In het begin, in de stad en door de weilanden rondom de stad, was het een beetje nevelig, een beetje koud ook, maar verder was het prima winterweer. De zon die door de nevel heen brak, leek de mist te zullen laten verdwijnen.

Maar de mist kreeg de overhand en verdreef de zon. Koude druppels zetten zich af op mijn fiets en op de randen van mijn kleren. Ik was goed ingepakt en goed getraind dus ik zette door. Bij het naderen van de bosrand ging de ijzige mist over in een regen van fijne maar steenkoude druppels. In het bos werd de mist om me heen donker en het zicht nog slechter en ook werd het pad steeds gladder. Ik corrigeerde het wegglijden van mijn wielen. Ik corrigeerde elk slippertje tot een tak van een boom onverhoeds in mijn gezicht zwiepte en mijn achterwiel weg slipte en ik de macht over het stuur verloor. Vervolgens kon ik me alleen nog een krakend geluid herinnerden en een ijzige kou die me overmande.

Ze sloeg mijn mond over, streelde nu mijn hals. Ik probeerde mijn lippen te bewegen maar het ijs dat ze bedekte, belemmerde me en ik kon nauwelijks een klank, laat staan een zinnig woord uitbrengen. Dus keek ik steeds maar naar haar en ik voelde haar vingertoppen - die net als de rest van haar bedekt waren met ijs – en voelde het ijs dat mij bedekte, wegsmelten. Wonderlijk. Nogal tegenstrijdig ook. Hoe kon zij warm blijven in al dat ijs? En hoe kon haar uit ijs verkregen warmte vervolgens in staat zijn mij te verlossen van datzelfde ijs? Toch was dit wat er gebeurde. Mijn voorhoofd tintelde nog na bij de herinnering aan de kou, maar gloeide nu aangenaam. Op mijn schouders hoorde ik het ijs zachtjes kraken en voelde ik hoe haar vingertoppen het ijslaagje omzetten in water. Vervolgens depte ze de druppels simpelweg van me af. Ik voelde mijn schouders een beetje wiegelen en ik voelde dat mijn hoofd alweer heen en weer kon rollen op het zachte kussen waarop ik lag. Ik keek ernaar en zag dat het sneeuwwit was. Het was gemaakt van ijs. Desondanks voelde ik in de stof van het kussen mijn eigen warmte inmiddels weer.


Ik liet de vragen voor wat ze waren. Wat zij met me deed was goed voor me. Meer dan dat hoefde ik niet te weten. Ik keek naar haar en zag dat er geen kraaltjes in haar vlechten zaten, maar dat het gewoon het licht in haar slaapkamer was, tot de zeven kleuren van de regenboog gebroken door de ijspegels die haar haren verpakten. Ik keek op het nachtkastje en zag een glaasje ijs staan met middenin dat ijs een kunstgebit.

Haar vingers gaven mijn armen en handen hun bewegingsvrijheid terug. Het eerste wat ik deed was haar handen, haar polsen vastpakken, uit dankbaarheid. Ik schrok van de kou van het ijs op haar huid. De kou liet mijn vingertoppen tintelen en verstarren. Nadat ze zachtjes lachend haar polsen bevrijd had uit mijn handen, zag ik dat mijn vingers nog steeds vreemd gekromd waren en wat ik ook probeerde, ik kon er geen beweging in krijgen. Pas toen haar handen mijn handen vastpakten en omsloten, smolt het ijs opnieuw. Ik wachtte af tot mijn handen begonnen te gloeien en liet ze vervolgens gekkig bewegen in haar handen, als jonge koeien die voor de eerst van hun leven worden losgelaten in een weiland. Ze begon te giechelen. Ik deed nog wat gekker en zij giechelde nog wat harder. Mijn keel was ijsvrij dus kon ik "mmm" doen ten teken dat ik graag zou willen praten. Om haar te bedanken bijvoorbeeld. Haar te vertellen dat ze prachtig mooi was om te zien. Ik keek haar een beetje smekend aan en zag dat ze het eigenlijk wel fijn vond dat ik niks kon zeggen, maar ze besloot om me mijn zin te geven. Haar vingertoppen depten mijn lippen en tikten langs mijn tanden en een paar seconden later kon ik "Hallo ijskoningin" tegen haar zeggen. "Hoe heet je?"

"Dag eenzame fietser," zei ze terug. "Mijn naam is Isabel".

Mijn fiets, dacht ik. Had ze behalve mij ook mijn fiets opgevist vanonder het ijs?


Dat was van later zorg. Nu wilde ik haar bedanken. Ik wilde haar duizend vragen stellen, maar mijn stem stokte. "Jos", zei ik. Zij lachte en zei "dag Jos" en vervolgens zei ze "Josshh". Haar vingertoppen landden op mijn buik. Ik deed mijn ogen dicht en voelde haar warmte door de kou heen dringen.

"Wat is het koud geweest," mompelde ik. Ik begon te bibberen overal waar ik ontdooid was, maar waar ik nog niet ontdooid was wilde nog steeds geen enkele spier bewegen. "Zo koud," fluisterde ik beduusd.

"Je zult het gauw weer warm hebben," zei Isabel. "En dan drinken we samen ijskoffie".

04 januari 2008

Superman

De dag dat Superman aankondigde dat de wereld hem te zwaar geworden was, leek geen bijzondere dag. Verkiezingen in Zweden, een hittegolf in Centraal-Azië, opwinding in Amerika omdat Paris Hilton opnieuw achter het stuur gearresteerd was met een promillage dat haar snelheid bijbeende.

De Finse commerciële zender Tälpää was de eerste die het nieuws bracht. In eerste instantie reageerde de wereld ongelovig, want het gros van de mensen wist niet eens dat Superman de wereld in zijn grote handpalmen op zijn plaats hield, laat staan dat ze zich een mening konden vormen over het feit dat Superman zijn last te zwaar vond en smeekte om los te mogen laten. Weldra verscheen de knappe man op zenders in allerlei landen, een man met knappe spierbundels, en ja, inderdaad, hij droeg een blauw gewaad met blauwe cape en middenop zijn buik prijkte het gele logo met de rode rand en de S binnenin kronkelend als een omnipotente slang. En ja, met een diepe zucht gaf hij toe Lois Lane te hebben ontmoet, maar over haar wilde hij het nu even niet hebben. Was het feit dat zijn armspieren trilden van verzuring onder zijn last niet van veel meer belang?


Vierentwintig uur later stonden Europa en Azië op z'n kop. Inmiddels was bekend dat de tsunami van 2004 het gevolg was geweest van het feit dat Superman de wereld heel eventjes uit zijn handen had laten glippen. Dat fragment uit het interview werd overal herhaald, het moment dat de woorden van deze grote, stoere man stokten en hij met trillende stem en lippen "sorry" zei en hij aan de interviewer vroeg of die met een zakdoekje langs zijn ogen wilde wrijven, want, hij knikte met zijn ogen omhoog naar de last die rustte op zijn opgeheven armen, "ik heb zelf mijn handen nogal vol".

Nieuwe inzichten spatten van de televisieschermen. Aardbevingen werden veroorzaakt omdat Superman jeuk had of gehinderd werd door een steekmug. De plaattektoniek was helemaal geen natuurverschijnsel maar het gevolg van de lichte Parkinson waar onze held last van had. Maar de vraag die aan de deskundigen het meest gesteld werd was natuurlijk de vraag wat er zou gebeuren als Superman inderdaad losliet.


In Amerika werd van overheidswege ontkend dat Superman bestond en dat het feit dat de aarde een baan beschreef rond de zon en niet wegviel in de ruimte, te danken was aan hem. Toch ontstond ook in dit land beroering onder het volk, want Al Gore had inderhaast een film gemaakt waarin je begeleid door donderend dreigende muziek een basketballbal waarop de groene continenten en blauwe wereldzeeën geschilderd waren, zag wegstuiteren in een eindeloos naargeestige, zwarte ruimte.
De networks negeerden vervolgens de in van overheidswege gefinancierde televisiespotjes uitgesproken overtuiging dat nieuwsitems over Superman godslasterlijk waren en stoven in een Space Shuttle naar de man die het nieuws beheerste. Hij zweette alsmaar heviger en zijn armen trilden inmiddels voelbaar, zodat in Dubai een pasgebouwde toren omviel en Paris Hilton bij het stampvoeten omdat ze geen aandacht meer kreeg, lelijk op haar hoofdje viel.


Onze held kreeg microfoons onder de neus gedrukt en werd bestookt met prangende vragen:

"Wanneer ontmoette u haar voor het eerst?"

"Wat voor parfum had ze op?"

"Naar welke planeten heeft u haar meegenomen en welke was het meest romantisch?"
"Hoe is uw first date beleid, no kissing, kissing of meteen maar third base voorbij?"

"Mogen wij uw haar uit de scheiding wrijven en u een bril opzetten zodat de kijkers thuis zelf kunnen zien dat u dan onherkenbaar verandert en bovendien totaal onaantrekkelijk voor vrouwen wordt?"


Superman schudde zijn hoofd, maar de vragen bleven komen. "Laat me met rust," riep hij uiteindelijk in al die microfoons zodat een aantal mensen dacht dat het einde der tijden begonnen was, maar ze hoefden alleen maar hun televisie zachter te zetten om het getril te stoppen.

"Laat me met rust of ik laat los," zei Superman. De nieuwsmannen en –vrouwen deinsden terug, keken in de camera en begonnen hun necrologie, wedijverend in mooie woorden, wedijverend in de meest ontroerende stemzweving.


"Waarom hebt u de wereld eigenlijk in uw handen moeten nemen?" wilde een serieuze man met serieuze bril weten. Eerst schudde Superman zijn hoofd. Hij zei dat hooggeplaatste personen hem hadden verzocht hierover niets te zeggen. Necrologieën verstomden en een opgewonden geroezemoes ging door de rijen.

"Hooggeplaatste personen uit Amerika?" suggereerde iemand hardop en een ander riep luidkeels "Supergate".

"Het was niet alleen Nevada," zei Superman. "Kazachstan deed net zo hard mee."

"En wat denkt u dat er gebeurt als u loslaat, heeft u daar een idee van?"

"Niet precies," antwoordde Superman. "Maar die bol die gaat vast raar tollen…." Op dit moment voorspelde een Nederlandse weerman opgetogen een Superstorm. "Weet ik veel wat er dan gebeurt? Ik ben dan wel heel sterk, maar onderwijs heb ik maar matig genoten".

"Wat is de belangrijkste les die Lois u geleerd heeft?" wilden diverse sterreporters vervolgens weten. Superman kreunde. Een andere reporter las van het schermpje van zijn mobiel het bericht voor dat 50 scheikundigen in een vliegtuig naar een lab in de binnenlanden van New Mexico gevlogen waren. Tot nu toe onbevestigde geruchten gingen rond dat hun opdracht zou zijn Kryptonite te synthetiseren.


"Als het zo moet ben ik het echt zat", zei Superman. Hij trok zijn linkerhand van de wereld af, liet hem een pirouet draaien op zijn rechterhand en keek naar de opstuwende oceanen. Hij liet zijn arm naar achteren zwaaien, maar bedacht zich. "We doen het op de Europese manier", zei hij, en als een keeper trapte hij de wereld uit en keek hem na Unexpected error 999, please reboot Internet.

01 januari 2008

Woorden

Als je me blij maakt dan wil ik mijn woorden trots rechtop laten lopen zodat tegenliggers omkijken. Als er in een stil straatje even niemand kijkt dan gaan ze huppelen, springen in het rond, maken een gek eind. Aan deze zin.


Als je me boos maakt dan zal ik je krijgen. Een gebruiker van woorden laat zich misschien remmen door fatsoen of grenzen, maar de woorden zelf niet, met een paar toetsaanslagen zet je on voor en lijk achter fatsoen en het woord zelf blijft onaangedaan onder deze geslachtsveranderende operatie.

Mijn woorden zijn zo boos als ik wil. Ik ben goed boos dus je gaat ervan lusten. Eerst lok ik je naar een plek zonder getuigen, waar ik jou een fileermes laat zien. Je huivert van angst nu je ontdekt dat je mijn prooi bent. Je voelt mijn tanden in jouw vlees en je voelt dat ze niet zullen loslaten. Ik dring op, dreig en haal open. Blind om me heen slaan. Goed kijken en nog eens slaan, het hoeft nu niet hard meer als het maar goed gemikt is. De afloop nadert. Heb jij weer, kom je eindelijk in een verhaal voor en dan blijkt het een verhaal zonder happy end te zijn. Je mag blij zijn dat ik je laat opstaan om trekkebenend naar een eerstehulppost te vluchten, want ik had je net zo lief laten liggen als voedsel voor de gieren.


Als je mijn hart op hol brengt, dan schieten mijn woorden mee op hol. Ik maak je mooi, nog mooier, te mooi om waar te zijn. De allermooiste woorden, zoals bijvoorbeeld exquise, reserveer ik voor jou en alleen voor jou. Jij zal mijn exquise schoonheid zijn. Oh ja, ik wil dat je op hoge hakken gaat lopen omdat ik hooggehakt zo'n mooi woord vind.


Als je me afwijst, klettert regen neer op al veel te lang niet meer gewassen ramen en drijven grauwe wolken in vliegende vaart langs een eindeloos grijs zwerk. Alleen ben ik, moederziel alleen. Ik gooi mijn handen omhoog de lucht maar wat ik wil grijpen is ongrijpbaar, onbereikbaar ver weg. Ik hoor het schrille geluid van een krijsende meeuw, die me vervolgens wit en klonterig als griesmeelpudding laat voelen dat ik toch niet helemaal alleen ben.


Na regen komt zonneschijn. Achter de wolken schijnt de zon. Morgen zal het beter gaan… Maar vandaag niet. De gordijnen blijven dicht, het papier leeg. Geen woorden voor. Geen woorden als bloemen, geen bezoek.


Dan heelt de tijd alle wonden en misbruik van clichés, en mijn woorden krijgen weer wat kleur op hun wangen. Een zinsdeel dat best mooi is, komt naast een zinsdeel terecht dat het stadium van lelijke eendje nog niet ontgroeid is. Woorden maken zinnen en hebben één alinea nodig om twee personages te maken. Ze kijken elkaar aan en merken dat ze het samen moeten zien te rooien.

"Als ik nog één cliché hoor, dan ben ik weg uit dit verhaal," opent Hans niet bepaald toeschietelijk.


"Maar ik wilde iedereen nou juist het beste voor 2008 wensen", werpt Grietje wat verlegen tegen. Een lach breekt door op haar bleke gezicht als Hans haar hierin bijvalt, zij het wat aan de binnensmondse kant.

Clicky

Clicky Web Analytics