24 februari 2008

Zomaar een dag op kantoor

"Ik wil niet," was Pauls eerste gedachte die door zijn hoofd schoot nadat een snerpende wekker zijn droom verstoord had, een hand op de camera had gelegd zodat het filmen wel moest stoppen.

Onder de douche bleef die gedachte terugkomen. Hij wilde dat het al weer zaterdag was of nog steeds zondag, want dan zou hij zich kunnen verheugen op leuke dingen. Maar het was woensdag, dus wachtte hem een lange dag op kantoor achter een PC. Starend naar mailtjes die antwoorden eisten, starend naar documenten die uitbreiding behoefden en altijd kwamen er mensen die "even" een vraagje tussendoor hadden.


"Ik ben er niet" dacht Paul, nadat hij drooggewreven was, nog naakt. Hij keek om naar zijn bed met het dekbed uitnodigend half open geslagen, vermande zich en schoot haastig in kleren. Hij stommelde de trap af en ging de keuken in. Via een serie handelingen op de automatische piloot, zo vaak uitgevoerd dat hij geen seconde verspilde, voorzag hij zichzelf van twee boterhammen, een kopje koffie en de ochtendkrant. Hij plofte neer op de bank en zag op de klok op de schoorsteenmantel dat hij nog 21 minuten eigen tijd had. Eigenlijk 23 minuten, maar hij beschouwde 7 uur 44 als de uiterste limiet om zijn schoenen aan te doen, maar treuzelde vervolgens met een laatste stukje uit de krant zodat het 7 uur 46 werd. Ook dit treuzelen was een vast ritueel. Om 7 uur 48 stond hij met de fiets aan de hand buiten en voelde hij een vochtige twijfel tussen net wel of net geen regen in zijn gezicht waaien. Over tegenwind bestond geen twijfel dacht hij en sprong op de fiets in de hoop dat het druppelen bij druppelen zou blijven.


"Ik wil niet," dacht hij terwijl hij na vier minuten fietsen voor de spoorwegovergang stond, wachtend op een trein en vervolgens wachtend tot het rode licht gedoofd was. Hij wilde linksaf slaan in plaats van rechtdoor. Terug naar bed. Of nee, de stad in en leuke dingen doen. Welke leuke dingen dit moesten wezen, kon zijn hoofd niet bedenken. Hij gaapte nadat hij toch rechtdoor gegaan was. Hij ging harder fietsen zodat hij een beetje wakker zou worden. Het druppelen was gelukkig inderdaad opgehouden.

"Ik wil er niet zijn," dacht hij en ging even balorig links fietsen. Hij speelde met de gedachte dit te blijven doen, maar stuurde toch terug naar rechts ruim voordat een naderende tegenligger last van hem kreeg.


Nadat zijn fiets geparkeerd stond in het fietsenhok liep hij naar de hoofdingang van het kantoor, annex gevangenis voor recidiverende loonslaven. Zijn hoofd verzette zich niet meer tegen de lange dag en de tegenzin. Hij had besloten het onvermijdelijke als voldongen feit te accepteren. Hij slofte de openzwaaiende deuren door, haalde zijn pasje door een gleuf en na een snerpende piep ging een groen lampje aan en schuifelde hij de tourniquet door. Routineus bromde hij een goedemorgen tegen de portier. Meestal bromde deze routineus een goedemorgen terug, maar deze keer keek de man niet op van zijn schermpje. Zeker druk met het in de gaten houden van zijn monitors. Alsof die camera's ooit iets registreerden wat actie van de portier vereiste.

Hij nam de trap naar de eerste verdieping en ging in snelwandelpas de lange gang door naar de derde van vier identieke kamers voor vier slaven. Deze kamer was in zoverre bijzonder dat zijn naam als één van vier namen op het naamkaartje stond. Hij stoof naar binnen en bromde goedemorgen tegen Leonard, de jongen die nog vroeger begon dan hij. De andere twee collega's met wie hij deze kamer deelde, waren nog niet binnen. Nadat zijn jas aan de kapstok had gehangen, schoof hij achter zijn bureau om eerst de PC aan te zetten en zich aan te melden. Pas daarna zou hij koffie halen zodat hij multitaskte, het inloggen combineerde met het uit de automaat laten lopen van achtereenvolgens een 114 en een 231.


Hij keek opzij naar Leonard, die was blijven tikken met zijn neus te dichtbij het scherm. Dat was niks voor hem. Over het algemeen liet hij zich door Pauls binnenkomst graag afleiden, want Leonard liet zich afleiden door alles waardoor je mogelijkerwijs afgeleid kon worden. Paul haalde zijn schouders op, niet ontevreden met het feit dat hem Leonards sores van gisteravond bespaard bleven, ongetwijfeld gedonder met de Gamma en gedoe met zijn bouwvakkers, want hij was aan het klussen en had hiervoor een paar Polen ingehuurd die drie woorden Duits spraken en verder voornamelijk Pools.

Eduard pakte de bekerhouder, een zwart plastic rekje met gaatjes en stickertjes waarop de default-bestellingen vermeld stonden. Hij wuifde het in Leonards richting. "Cappuccino extra suiker, normaal melk?" vroeg hij erbij, overbodig want Leonard had in de 2 jaar dat ze bij elkaar op de kamer zaten nog nooit anders genomen had dan 231. Leonard keek niet op of om. Onverstoorbaar tikte hij door. Zijn tempo leek onLeonards, dacht Paul, misschien had hij eindelijk op z'n donder van z'n projectleider gekregen en moest er nu echt iets af. Uiteindelijk haalde hij zijn schouders op en hij zei zachtjes "Nou dan niet". Hij liep weg met zijn bekerhouder. Op de gang kwam Natasha hem tegemoet. Haar jas was open en onder die jas droeg ze al weer iets waarin Paul haar nog nooit gezien had. Heel wat anders dan Paul zelf, die op even weken een grijs overhemd en effen blauwe broek droeg en op oneven weken was zijn overhemd iets groeniger en zijn broek iets lichter. Paul keek even op naar Natasha's ogen terwijl ze langs elkaar heen liepen. "Wat een tieten", dacht hij en bromde zijn goedemorgen. Ze zei niets. Ze deed alsof hij lucht was. "Tyfuswijf" dacht Paul. Hij mompelde dit woord voordat hij afsloeg naar het hok waar de koffieautomaat stond. Een vage fantasie waarin Natasha wel deed wat hij wilde dat ze zou doen, schudde hij af. Hij zette het op uitrekken en geeuwen voordat hij aan Bart vroeg wat hij dacht van vanavond, de kansen van PSV tegen Galatasaray. Bart ging onverdroten door met een 224'je tikken in een tempo waarvoor je bij een ICT-afdeling eigenlijk ontslagen zou moeten worden. "Wat is dit? dacht Paul. Hij begon zich te verbazen over al dat niet-reageren. "Joehoe, Bart," zei hij, maar nog steeds reageerde Bart niet. Hij stak zijn hand uit tot dichtbij Bart maar Bart vond het best. Hij liet zijn hand heen en weer wuiven voor Barts ogen terwijl hij aanstalten maakte een 114 te gaan tikken. Hij bleek geen last te hebben van Pauls hand. Met een onverstoorbare traagheid gingen zijn vingers door met toetsen beroeren.


"Ik ben er niet," dacht Paul ongelovig. "Niet echt althans." Toen Bart klaar was schoof hij opzij en slaakte een kreet toen Bart rakelings langs hem heen liep, zo dichtbij dat hij met zijn billen en benen tegen het keukenblokje moest leunen. Hij nam Barts plek in achter het apparaat, tikte 114 en tot zijn opluchting begon het apparaat te zoemen. Vocht dat eerst wit was maar vervolgens bruin werd, begon te stromen. Wat zou er gebeuren als er nu een collega kwam? Zou die dan Paul niet zien staan en ook koffie gaan tappen? Schichtig keek Paul op, maar niemand stoorde hem. Ook tijdens het bereiden van de 231 stoorde niemand hem. Pas bij het verlaten van het hok zag hij twee collega's aankomen die praatten over een RFC en waarom stage 30 niet doorgezet was. Paul stak verwachtingsvol hand op. "Hé", zei hij ook. Geen van beide mannen reageerde.

"Weet je waarom niet?" zei Paul. "Omdat je verzuimd hebt de juiste nummers in te vullen. Het enige wat je hier moet doen is de juiste nummers bij stage 30 van de RFC invullen maar zelfs dat krijg je niet voor elkaar."

Tot zijn onuitsprekelijke opwinding gingen beide mannen zonder op zijn uitlating te reageren het koffiehok in.

"Ik ben er echt niet," dacht Paul. "Mijn wens is uitgekomen."


Hij zette het op een fluiten terwijl hij terugliep naar zijn kamer. Hij zag de cappuccino voor Leonard in de bekerhouder. Wat was daarmee aan de hand? Bestond de koffie wel als Paul zelf blijkbaar niet bestond? Wat zou er gebeuren als hij de koffie aan Leonard gaf? Zou hij de koffie wel zien en Paul niet?

Enigszins opgewonden liep hij zijn kamer in. Hij pakte de cappuccino uit de houder en zette deze neer op Leonards bureau, naast zijn toetsenbord. Hij zag geen reactie. Zijn hart begon te bonken toen zijn hand het bekertje los liet, want misschien zou loslaten betekenen dat de betovering voor het bekertje verbroken werd, zodat het bekertje in Leonards waarneming plotseling vanuit het niets op zijn bureau verscheen. Maar Leonard keek niet op of om van zijn werk. Hoewel, werk?

"Ik ga aan de baas vertellen hoe vaak jij op funda en marktplaats zit," zei Paul. Hij giechelde toen Leonard niet reageerde. "Ik ga klikken, asshole," zei Paul. "Ik ga ze vertellen dat je niets liever doet dan lijntrekken en je drukken voor verantwoordelijkheid, en dat je bovendien loopt te klagen dat je te weinig verdient terwijl je het meeste krijgt van de hele kamer maar het minste uitvreet."

Leonard keek niet op of om van zijn vrijstaande woning vlakbij het park waarvoor hij inderdaad meer zou moeten verdienen om er een financiering voor los te peuteren.


Plotseling strekte Paul zijn handen uit en pakte Leonards schouders. Hij voelde hem. Hij voelde de stof van zijn overhemd en de warmte van zijn enigszins pafferige lichaam daaronder. Er was geen teken dat er op wees dat het voelen wederzijds was, dat Leonard zich bewust was van Pauls aanraking, erdoor verwonderd was, misschien wel gegeneerd. Hij trok zachtjes aan Leonard. Zijn hoofd ging wat scheef, maar Leonard corrigeerde. Paul lachte. HIJ verplaatste Leonards schouders, zo hevig dat zijn draaibare stoel begon te draaien.

"Hola," hoorde hij hem zeggen. Paul trok hem opzij en omver en hoorde een angstig "Jezus". Luidkeels giechelend liet hij los en hij zag Leonard op de vloer tuimelen. Beduusd krabbelde hij weer overeind. Paul deed twee stappen achteruit en sloeg een man gade die geen idee had wat hem overkomen was. Hij schudde zijn hoofd, masseerde zijn nek en ging behoedzaam weer zitten op een manier die aangaf dat hij zichzelf en de waarneming van zijn zintuigen niet meer vertrouwde.

"Jeetje, dit was wel gek," hoorde Paul hem zeggen, voordat zijn aandacht zich weer richtte op funda en de vrijstaande huizen die boven zijn budget gingen.


Paul keek opzij en schrok want plotseling stond Ruurd tegenover hem. Hij zag hem heel even aarzelen, inhouden, maar vervolgens liep hij toch gewoon door. Onverstoorbaar rechtdoor. Paul slaakte een kreet en breidde zijn handen uit, maar Ruurd was niet af te weren.

"Jeeeetjemiiiina," brulde Paul terwijl hij de sensatie meemaakte dat Ruurd dwars door hem heen liep. Hij voelde niks. Een man die een halve kop groter en 105 kilo zwaar was, ging recht door hem heen maar hij voelde niks.

"Tyfus," bracht Paul uit, terwijl hij terugging en ging zitten. Ruurd die een kwartiertje later was dan normaal, vertelde aan Leonard waar hij allemaal stapvoets gereden had. Leonard kon op zijn buurt niet wachten met te vertellen wat hem bij de Gamma nu weer was aangesmeerd.


Zijn leidinggevende stak zijn hoofd om de deur, zei "Ruurd", brulde "Leonard" en vroeg "Waar is Paul?" Leonard haalde zijn schouders op. "Misschien verslapen?" opperde hij.

"Het was vast weer zijn klaverjasavond," zei Ruurd en maakte achtereenvolgens een rook- een drink- en een injecteergebaar. Pauls leidinggevende moest nog harder lachen dan Leonard om het grapje.

"Verhelderend als je er niet bent," dacht Paul terwijl hij naar zijn mailbox keek. Minstens een mailtje of acht vereiste een actie, een antwoord, een nadere uitleg van hem. Hij vroeg zich af hoe het zat met mailtjes die hij verstuurde, zouden die voor de anderen wel of niet bestaan? Hij dacht na over een manier om de proef op de som te nemen. Hij kon zijn baas melden dat hij ziek was. Hij kon Natasha melden dat hij seks met haar wilde, in 0.44 het kamertje zonder ramen maar met een grote gladde lege tafel. Hij had zin om het tweede te proberen, maar vond het veiliger om het eerste te doen. Of nee, hij stuurde een mail naar zijn baas met de vraag of die even wilde langs lopen, hij wilde even iets aan de orde stellen. Vervolgens bracht Paul 10 minuten door op marktplaats zonder dat hij zijn baas zag verschijnen.

Hij zag dat hij overleg had, een grote sessie over de aanstaande reorganisatie. Normaal ging hij met tegenzin naar dat soort dingen, maar nu verheugde hij zich erop. Deze keer zou hij meedoen. Hij zou zijn mond opentrekken. Hij zou iedereen eens haarfijn uitleggen wat hij dacht van de plannen. Hij zou op Mark Brullemans af rennen, de kwade genius achter de plannen en hem bij het projectiescherm vandaan trekken, hem vloeren voor het oog van al zijn collega's. Ippon.


Hij keek op en zag Victor, nummer vier en als altijd nummer laatst, binnenkomen. Hij luisterde naar de routineuze goedemorgens. Hij dacht wat heerlijk dat ik niet mee hoef te doen, maar voelde tegelijk teleurstelling, want bij de goedemorgens ontbrak zijn bariton. Vervolgens ontbrak bij de koffiebestellingen zijn 114.

18 februari 2008

Ik ben er uit

Eén van de keuzes die je in jouw leven moet maken is de keus of je begraven wilt worden of gecremeerd. Ik geef toe, het is niet de meest gezellige keus. Ook niet de eerste en belangrijkste keus waar ik nu in mijn leven voor sta. Het zal een van de latere, zo niet de laatste keuze zijn. Maakt u zich geen zorgen lieve lezer het is ook geen keus die dankzij onvoorzien onfortuin op korte termijn urgent geworden is. Afgezien van onder de auto of bus of een meteoriet komen, is de urgentie om vandaag deze keus te maken niet meer dan één dag groter dan gisteren.


Het is geen keus die me al tijden bezighoudt, laat staan dat ik er wakker van lig. Zo nu en dan heb ik er wel eens wat seconden aan gedacht. In gezelschap is het wel eens ter sprake geweest. Tot nu toe was mijn mening "geen mening". Niet echt over nagedacht, niet echt veel bij voorgesteld. Wel eens unheimische gevoelens gehad over crematie, wel eens unheimische gevoelens gehad over begraven worden. Kan ik niet gewoon geen van tweeën kiezen en als beloning voor deze slimheid blijven leven?


Maar opeens was ik er dus uit. De directe aanleiding was dat ik een stukje van Wenz las die wat aan het flirten was met dit onderwerp. De werkelijke aanleiding was de scène uit een film die me vervolgens weer te binnen schoot. Spoorloos. Een wat saaie film over een man die omstandig en langdradig naar zijn verdwenen vriendinnetje zoekt, maar tegen het eind vindt hij de oplossing voor het mysterie en dan volgt één van de meest adembenemende scènes die ik ooit in een film gezien heb. Letterlijk adembenemend. Letterlijk gingen mijn haren recht overeind staan. Letterlijk brak het koude zweet me uit. Verschrikkelijk was de herinnering aan alleen nog maar die scène uit die film.


Wakker worden in een kist en weten dat je begraven wordt. Als ik deze zinnen opschrijf begin ik me aan alle kanten alweer naar te voelen. Nu zal het begraven waar ik het nu over heb hopelijk pas gebeuren als ik dood ben, zodat ik er hoegenaamd niks van merk, maar hoe zeker is het dat je niks merkt als je dood bent? Ze vertellen niet wat er allemaal gebeurt aan gene zijde. Misschien gebeurt er niet veel meer dan dat je een nieuw stoffelijk omhulsel krijgt aangepast voor je zieltje, er wordt een nieuw setje zintuigen gemonteerd en Petrus geeft je een schouderklop en zegt "Gaan maar weer met die banaan". Zodat je als eerste traumatische ervaring van je nieuwe leven mag je doormaken hoe direct na afloop van de dienst met de mooie woorden en de mooie muziek, de kist waarin je ligt, met spijkers dichtgetimmerd wordt. Je ziet het licht tussen de naden centimeter voor centimeter veranderen in donkerte. Onvoorstelbaar donker is het als alle spijkers geslagen zijn. Terwijl je nagels wanhopig schrapen in de grenzen van jouw donkere eenzaamheid, word je zacht wiebelend vervoerd over een afstand van een onmogelijk te schatten aantal meters of misschien wel kilometers, want je ziet niets en je hoort alleen nog maar gebonk en geschuif. Het wiebelen wordt erger, wordt misselijkmakend en in je oren voel je druk alsof je in een lift omlaag zakt. Met een plof komt je tot stilstand. Met één, twee, drie plofjes wordt aarde op het deksel van de kist gegooid. Dan klinkt een oorverdovend geschuif als met spades aarde wordt uitgestort op jouw kist. Na één laagje wordt het harde schuiven een zacht bonzen en na drie laagjes hoor je niets meer, alleen blijkt het ultieme aardedonkere van eerder niet helemaal ultiem te zijn geweest, want nu is het nog donkerder geworden dan daarnet.


Daarentegen voelt het verbrand worden eigenlijk best okee. Als in dat nieuwe setje zintuigen nog steeds pijnprikkels zitten, zal er wel even een naar moment komen, maar als die er niet in zitten lijkt het helemaal een eitje. Iets spannends lijkt het wel. Want ja, ook nu ben je achtergelaten in het donker, weggeborgen in een kist, al een dag of wat in een ruimte zo nauw dat je rilt van claustrofobie, een aandoening waar je nooit last van had toen je nog leefde. Maar nu kun je wachten op, hopen op, verlangen naar het moment dat er opeens van allerlei kanten licht naar binnen lekt. Daarna volgt de warmte die binnen in jouw nieuwe omhulsel dat verder onaangetast blijft onder aardse vlammen de kou verdrijft voor een eerste hemelse behaaglijkheid. Stel er komt vervolgens een programmapunt in de trant van opstijgen naar iets dat hemel genoemd wordt. Dat zie ik prima voor me wanneer je vanuit vlammen en warmte opstijgt, als vanzelf laat je je meevoeren op de opstijgende warme lucht, een veertje dat wiegt van plezier onder alweer een nieuwe en spannende sensatie. Maar hoe doe je zoiets als opstijgen vanuit drie meter klei die waarschijnlijk kletsnat en waterkoud is? Volgens mij is het een hele hoop gezwoeg en geen gezicht bovendien. Waarmee zo'n nieuw leven na dit leven al meteen bedrieglijk lijkt op werken voor je geld en presteren, dus niks te nieuw leven gewoon meer van hetzelfde.


Dus laat dat afschuwelijke begraven alsjeblieft achterwege en cremeer mij. Geef mij maar aan de vlammen. Op welke muziek mijn kist door dat openstaande luikje moet schuiven, weet ik nog niet. Daar denk ik ook af en toe wel eens een paar seconden over na. Als ik daar op een nietsvermoedende dag ook zomaar opeens uit ben, dan laat ik het wel weten.

09 februari 2008

Het juiste moment

De trein zoeft en de krant knispert terwijl ik al lezend probeer wakker te worden. Ik kijk op en uit het raam kondigen oranje strepen aan de hemel de komst van de zon aan, maar echt erbij is hij nog niet. Net als ik. Waarom sta je toch zo vroeg op op een zaterdag? Een geeuw. Verder onderuit. Ogen dicht. De iPod laat een liedje wegglijden dat net als mijn gedachten niet wil beklijven. In de stilte laat de trein haar duizenden geluiden horen en dan:


Never win and never lose

There's nothing much to choose

Between the right and wrong


Die stem, denk ik. Wat roept die stem een emotie op. Ik doe mijn ogen open en zie het Drentse landschap schemerig voorbij schuiven, en het lijkt het perfecte decor voor het liedje op mijn oor dat een soundtrack blijkt te zijn voor een film over voorbijschuivende bomenrijen, slootjes en weilanden. Wakker voel ik me nog steeds niet, maar nu wel blij. Blij vanwege dit lied op mijn hoofd, een lied dat ik heel lang ken, als een oude vriend die ik jaren niet gezien heb maar precies op het goede moment aan de deur staat:


I keep a close watch on this heart of mine


Hoe kun je blij worden van een deprilied? Ik weet het niet, maar het gebeurt. Omdat de perfecte combinatie van zintuiglijke waarnemingen zich voordoet. Tussen naakte bomen prijkt een halve oranje schijf aan de hemel, de trein zoeft behaaglijk voort naar een plaats waar het straks goed fietsen zal zijn, John Cale op de oren en de emoties die het lied oproepen nog lekker diep weg, warm sluimerend.


I still hear your voice at night

When I turn out the light

And try to settle down


John Cales stem is niet eens mooi en zijn frasering eigenlijk ook niet, maar toch ontroert zijn stem, zijn lied. Buiten uit het raam komt de afvalverwerkingsfabriek in Wijster in het zicht. De eerste zonnestralen zetten het hoekige hoge fabrieksgebouw in een gele gloed. De donkergrijze pluim die uit de schoorsteen komt, krijgt van de zon een paarsig, lichtbruinig aura. Die fabriek is niet mooi maar nu ontroert zijn aanblik. Je kunt lelijk best mooi maken. Als je er oog voor hebt, kan iets lelijks verbazen vanwege een zonzijde van schoonheid.


I keep a close watch on this heart of mine


Straks zal ik gaan fietsen en getongzoend worden door de zon. Een winterdag die een geschenk is van moeder Natuur, zo warm en licht. Waarschijnlijk tevens een geschenk van moeder CO2-uitstoot. Ik moet een beetje lachen. Met de glimlach nog niet helemaal van mijn gezicht af gegleden luister ik hoe de piano enigszins trekkebenend naar het einde van het lied loopt.

04 februari 2008

Wat heb ik gisteren gezien?

Wat heb ik gisteren gezien? Hoe langer ik er over nadenk hoe minder goed ik de vraag kan beantwoorden wat ik gisteren heb gezien.


Eén ding is zeker, ik heb een commercieel succes gezien. Zeven miljoen kijkers gaat het Nederlands elftal straks bij het EK niet halen, tenzij ze de finale halen en winnen en wij ons wederom in Oranje hullen om woonboten tot zinken te brengen.


Een tweede ding dat zeker is, ik heb 50 minuten footage van 25 uur bandopnamen gezien, waarbij de selectie door Peter R. de Vries gemaakt is. Misschien dat die 24 uur nog wat die ik niet gezien heb geen nieuwe inzichten brengt, niet interessant is of over andere dingen gaat dan Natalee en die nacht dat zij volgens Jorans zeggen haaien wilde zien, een wens die uiteindelijk ingewilligd werd op een manier waarop ze het vast niet bedoelde. Aan de andere kant, misschien dat mijn oordeel over datgene wat ik gezien heb, zou veranderen als ik de andere 24 uur ook zou zien. Sluit ik niet uit, want Peter R. heeft een glashelder en duidelijk portret van Joran neergezet, waarbij hij niet van zins het morele oordeel over wat wij zagen, aan de kijker over te laten. Na afloop van elke sessie legde hij ons haarfijn wat we van Joran moesten vinden.

Volgens Peter R. heeft Joran van der Sloot (maak daar maar "van der S." van) een bekentenis afgelegd en is de zaak opgelost. Nou, een bekentenis heb ik niet of nauwelijks gezien. Ik heb een verklaring gezien. Een verklaring van hoe een meisje middenin gevinger en geklets plotseling trilde en daarna niet meer bewoog, en vervolgens moest een lijk worden weggemaakt en daar draafde ene Daury voor op met een bootje. Hoezo opgelost? Zonder dat een jongen die Daury heet, daadwerkelijk opbiecht met een bootje uitgevaren te zijn en voordat het lijk alsnog gevonden wordt, is er niks dan een verklaring. Iets wat waar zou kunnen zijn, maar iets waar net zo goed van alles niet aan zou kunnen kloppen.

Want wat ik ook gezien heb, is een jongen voor wie waar en onwaar door elkaar lopen als dat voor anderen werkelijkheid en fantasie door elkaar lopen. Apestoned was hij ook nog. Hoe moet je zo'n verklaring op waarde schatten? Alles van wat hij gezegd heeft, zou in theorie waar kunnen zijn, aan de andere kant vraag je je af of deze jongen drie zinnen achter elkaar kan zeggen zonder leugen. Joran zou een fantastische weblogger kunnen zijn van een leven dat te mooi is om waar te zijn, maar de verhalen zijn dat ook en dus lees je hem toch.


Als zijn verhaal in grote lijnen klopt, zijn er minstens twee problemen. Ten eerste het moment dat Natalee bibberde en vervolgens niet meer bewoog. Okee, hij schudde wat aan haar en vervolgens raakte hij in paniek, misschien nog wel wat meer dan dat hij tegen zijn gesprekspartner Patrick, type grote broer die door Joran bewonderd werd, zou durven toegeven. In plaats van een vriend met een bootje bellen ligt het toch meer voor de hand om een ambulance te bellen. Hij wilde niet dat ze doodging, toch? Is het niet waarschijnlijker dat je denkt oh shit, Jezus Christus, hier draai ik misschien voor op als ze doodgaat maar laat ik snel bellen want misschien is ze alleen maar bewusteloos en als ze niet doodgaat gaan ze me ook geen jaren cel geven, in plaats van dat je denkt, oh ze is dood, dat lijk moet weggemaakt en vervolgens moet ik er de dag daarop mooi uitzien en dan maken ze me niks.

Ik denk dat er meer gebeurd is, misschien ging dat schudden wel wat harder dan dat hij het nu doet voorkomen. Misschien was het allemaal nog een graadje ranziger dan dat Joran het tegen Patrick deed voorkomen, is ze de dood in geneukt. Misschien dat datgene wat Joran vertelde nog gunstig afstak bij datgene wat er werkelijk gebeurde, zodat de uiteindelijke versie in zijn ogen best stoer klonk en voor zijn oudere broer door de beugel moest kunnen.

Ik denk dat Joran door verzwegen acties zijnerzijds iets zekerder wist dat ze dood was, zodat wegmaken van een lijk een zinvolle activiteit was en het bellen van een ambulance of reanimeren niet echt meer.


Maar wat ik denk, kan ook best niet waar zijn. Wie gaat het controleren? Zonder lijk en aanknopingspunten die een sectie opleveren, kan alles waar zijn en alles leugen. Anderen verklaren het gedrag van Joran door hem als gevoelloos te zien, hem tot psychopaat te bestempelen die zo hevig aan zichzelf denkt dat de gedachte dat ze misschien alleen in coma is, niet eens in hem opkomt. Zou misschien ook kunnen.


Een tweede probleem, is die Daury, dat bootje en die 40 minuten die nog gemist worden. Die Daury is eerst een oudere man, dan is hij een jaar of 25 en uiteindelijk is hij nog jonger. Eerst weet hij precies wat hij doet, maar vervolgens vaart hij ook maar op goed geluk een eindje de zee op en kiepert dan het lijk maar overboord in de hoop dat het niet vervelend weer zal aanspoelen. Peter R. signaleert terecht dat Joran een paar keer meervoud gebruikte toe het ging om het wegwerken van het lijf, alsof hij misschien door meer dan één persoon geholpen is.

Ik denk dat Joran wel de waarheid vertelde, althans hij is geholpen door iemand met een bootje. Zijn hart luchten wilde hij, maar stom zijn mond voorbij praten na tweeënhalf jaar zwijgen en misinformatie voeren wilde hij niet, en daarbij kwam dat hij Patrick misschien toch niet zo vertrouwde als dat hij zei dat hij deed. Dus verzon hij in zijn verhaal voor zijn handlanger met het bootje een andere naam, een andere leeftijd en misschien ook nog wel een heel ander karakter. Zoals ik verhalen op mijn log maak, een beetje van dit feitje en een beetje van dat waargebeurde, maar ik hutsel en knutsel het gezellig door elkaar zodat het eindresultaat 99% fictie is en 1% realiteit.

Maar wat ik denk, kan ook best niet waar zijn. Misschien zijn er meerdere mensen die hem hielpen, en misschien was het toch zijn vader die met een bootje de zee op voer om zijn in paniek geraakte oogappel een gevangenisstraf van jaren te besparen.


Kortom laat de alternatieve theorieën maar komen. Laat de Amerikaanse journalisten maar komen om Drachten uit te kammen op zoek naar Yuran vanderSlooth en Daury whatever. En vergeet vooral ook de complottheorieën niet.


Niets wat ik gisteren gezien heb, was waar en alles wat ik zag, was onwaar. Nou ja, misschien een beetje waar. Oh ja, en in mijn vorige statement zat een vergissing, een klein leugentje om bestwil. Niets moet natuurlijk alles zijn en alles niets. En waar ik onwaar zei bedoelde ik misschien wel waar en misschien is onwaar.

03 februari 2008

Hogere sferen

Het clipje is door fans gemaakt, waarschijnlijk amateur-video-editing en zo. Het gaat om het liedje onder het clipje ("2080" van Yeasayer). Zo verbazingwekkend, zo intrigerend en zo onaards opwindend en mooi.

01 februari 2008

Vogelzang

Vanochtend waren we te gast bij een koolmezenfamilie die een statige rijtjesbeuk in een stadspark bewoont. We spraken met de heer des huizes, meneer van Mees ("Zeg maar Rob hoor", sprak hij joviaal terwijl hij ons met een dito handgebaar uitnodigde in de knusse woonkamer). Rob is een stoergekuifde en breedgevederde mees die van wormpje op z'n tijd houdt en die het nooit op een pikken zet behalve als ze aan z'n gezin komen. Het kleine rode stipje op zijn verder grijsgrauwe winterkleed verried wellicht zijn gevoelige kant.

Roberta, Robs vrouw, was bezig het huis aan kant te brengen. Na een vluchtige drie snavelaaitjes op onze beide wangen was ze meteen teruggekeerd naar een donker hoekje om te rommelen met veertjes en strootjes.


De reden dat we bij Rob en Roberta te gast waren, was de winter, of liever gezegd het gebrek daaraan. Het viel ons namelijk op dat als wij 's ochtends bij het krieken van de dag door het stadspark reden, overal vogeltjes zongen alsof het eind maart en niet eind januari was. Met ons bezoek aan Rob probeerden we er achter te komen hoe een mees de klimaatverandering ervaart en of hij de toekomst omarmt of vreest.

"Heerlijk hè Rob, dat er geen sneeuw ligt?" begonnen we, maar Rob keek ons eerlijk gezegd helemaal niet zo verrukt aan.

"De zaadjes zijn makkelijk te vinden," hielpen we. "De wormpjes komen gewoon aan de oppervlakte."

"Da's wel waar," zegt Rob. "Normaal gesproken zien wij mezen in de winter nooit een worm, maar tegenwoordig…"


Op dit moment viel een eerste straaltje grauwgrijs, winters ochtendlicht het eenvoudige doch gezellige koolmezenstulpje binnen. Dit was reden voor Roberta om haar kopje op te heffen, haar snavel een klein stukje open te doen en diep vanuit haar groenig gebefte keeltje steeg een geluid. Eerst een zacht gekoer, maar al snel ging dit over in korte welluidende fluittoontjes. Vervolgens zowl het gefluit aan tot een heus kwinkeleren. Behalve dat het kwinkeleren een lieve lust was, was het ook tamelijk veel lawaai. Rob scheen dat ook te vinden. Hij keek ons droevig en veelbetekenend aan, boog zich voorover en fluisterde:

"Ze houdt dus nooit op!"

Na 20 seconden begon het lustige fluiten dat klonk naar de lente, af te zwakken. Rob zei toen dat hij normaal gesproken een maand of vier, vijf per jaar rust had, maar nu met die broeikaswinter ging "dat daar" en hij wees met een vleugeltip achterom, onverdroten door.

"Ook in de winter?"

"Ook in de winter," zei Rob.


Hij vertelde ons dat winters met lange vorstperiodes zwaar waren. Voordat het zo ver was ("En bedenk dat ik geen tenen heb, dus dat ik ook geen opspelende wintertenen heb die me vertellen dat het zo ver is") vloog hij af en aan met zaadjes en vocht hij met collegamezen om de laatste herfstbesjes. Roberta zette intussen de wormpjes weg in het zout en vlocht dekens van stro en uitgevallen donsveertjes.

"Als het een echte winter is, zouden jullie er niet meer bij kunnen," zei Rob. "Overal om ons heen zou ons proviand opgestapeld liggen." Zijn relaas werd onderbroken omdat buiten in de bomen om ons heen overal gefluit aangeheven werd en Roberta hief haar kopje op om met de buren mee te doen. In de halve minuut dat het ons onmogelijk was een gesprek te voeren, keek Rob ons droevig aan.

"Zo gaat het dus maar door en door en door," zei hij en hij klonk tamelijk wanhopig. "Normaal mag ik 's winters graag een moppie muziek horen, maar dat kun je dus ook wel vergeten."

We vroegen waar Rob van hield en ondervonden dat hij een enorme Hazesfan was.

"De Vlieger zeker?"

"Jaaah, de Vlieger" zei Rob en hij begon zachtjes te neuriën maar al heel gauw overstemde Roberta hem met een nieuw rondje kwinkeleren.

"Gék word je ervan," zei Rob wel drie keer, al verstonden we hem niet. Alleen door te snavellezen begrepen we wat hij zei. Toen het eindelijk weer stil was, zei hij uit de grond van zijn hart dat hij hoopte op een meter sneeuw. "Dan houdt ze haar snavel wel," zei hij er zachtjes achteraan.


We vroegen Rob of de voordelen van het niet hoeven buffelen voor voedsel niet huizenhoog opwogen tegen het nadeel van… we wezen stiekem naar Roberta en Rob liet heftig knikkend weten dat hij ons heel goed begreep.

"Kijk als het buiten min acht is, dan zitten wij best knus in ons nestje". Hij wees ons op de muren en zei trots dat de in elkaar gevlochten extra grote takken tussen al de kleine takjes ervoor zorgden dat het nest bestand was tegen windkracht 10. Vervolgens wees hij ons op de plakken mos die overal tussen gepropt waren. "Daardoor blijven we warm, Roberta en ik," zei hij. "Al is de winter nog zo streng, we kruipen gewoon dicht tegen elkaar aan en we redden ons wel. Af en toe wat zaadjes uitpakken, verder hoef ik eigenlijk niks te doen zo'n winter. Denk maar niet dat ik om 9 uur al wakker ben als het buiten ver onder nul is."


Rob gaapte en rekte zich uit. Vreemd gezicht, iemand te zien uitrekken die veren heeft in plaats van armen.

"Eten en slapen, wat wil je nog meer?" vroeg Rob en hij grijnsde. "Ja ik weet wat je nog meer wilt", zei hij. "Na zo'n hele dag tegen elkaar aan gekropen zitten en een beetje kroelen krijgt ze heus wel zin," zei Rob zacht. "Zo tegen vieren, als het avondeten op is en het schemeren al weer begint…" Hij keek ons veelbetekenend aan en maakte met zijn rechtervleugel een gebaar dat we niet anders konden uitleggen dan obsceen. Achter ons begon Roberta een nieuw rondje fluiten. Robs opgeklaarde gezicht schoot terug in de depressiestand. Om Rob op te beuren, zeiden we dat het volgens de weersverwachting wat kouder werd.

"Zaterdag valt er misschien wel sneeuw," zeiden we om hem lekker te maken.

"Ik help het je hopen," zei Rob op een hopeloze toon.

Clicky

Clicky Web Analytics