27 april 2008

In ons eentje samen

Nadat ik een tijdje schuin tegenover haar in de trein had gezeten, viel me op hoe haar ogen droomden. Grote sprekende ogen. Ogen die dromerig voor zich uit staarden en straalden omdat ze vandaag iets heel fijns hadden meegemaakt. In Utrecht of Den Haag of Rotterdam. Of Zwolle. Of Amersfoort.

Het kon ook zijn dat het fijne nog stond te gebeuren, dat het straks in Groningen of Assen ging plaatsvinden, dat haar ogen van voorpret in plaats van napret glansden.


Ik merkte dat mijn ogen de neiging kregen vaker naar het meisje te kijken. Vaker dan naar buiten of naar de vrouw met wandelschoenen of naar wat er in de krant stond van de man naast me of naar de met halfopen mond slapende man of naar de twee steeds maar in een stuip liggende pubers die doordringend ruikende roze snoepjes verzwolgen.


Haar kleur was bruin. Donkerbruine laarzen, donkerbruine lange haren, donkerbruine ogen. Ze was vast een koukleum, want ondanks dat het eindelijk warm weer was zat haar lichtbruine leren jack tot de laatste knoop dicht en droeg ze bovendien een sjaal. Witte dopjes in haar geoorbelde oren. Haar grijze broek verpakte kleine knietjes die in een mooie boog uitmondden in heupen die net iets royaler waren dan haar lichaamsbouw voorschreef. Een erg mooi meisje. Maar goed, onderhand werd het tijd mijn ogen weer eens een andere kant op de kost te geven. Tussen de bedrijven door opnemen hoeft niet te ontaarden in aanstaren. Bovendien begint het op mijn leeftijd genant te worden om naar meisjes van haar leeftijd te gaan zitten staren. Twintig of iets dergelijks, schatte ik. Eén slippertje met een condoom vroeger en ze had nu met haar leeftijdgenoot mijn dochter kunnen kletsen.


Ze trok mijn aandacht opnieuw toen ze haar witte mobieltje tevoorschijn haalde. Ze klapte het open en vijf seconden later weer dicht. Weer droomden die grote ogen voor zich heen, maar nu glansden ze anders dan daarnet. Nog steeds spraken haar ogen, maar nu spraken ze droefenis. Ze had geen berichtje. De persoon van wie ze hoopte dat die aan haar dacht, had niet aan haar gedacht.

Ik had fijne muziek op mijn oor. Ik zakte onderuit . Ook mijn ogen kregen waarschijnlijk iets dromerigs terwijl mijn voeten en vingers meebewogen.


Nadat het meisje weer haar mobieltje had gecheckt, was haar gezicht rood. Ze keek naar buiten en haar ogen beleefden zware tijden. Ze pakte haar zilverkleurige tasje en graaide een grote reep chocola tevoorschijn. Een heel grote reep waarvan nog een heel groot stuk over was. Ik zag haar kijken. Haar ogen wilden troost en keken alsof ze die gevonden had. Ze keek alsof ze met al het grijpgrage dat in haar was de chocola uit het zilverpapiertje ging graaien om vervolgens die hele halve reep in haastige gulzige beten te verzwelgen. Maar nee, ze peuterde één stukje uit het zilverfolie en brak het netjes af. Ze ging netjes recht zitten om het ene stukje chocola welopgevoed en beheerst op te eten. Ze genoot op de calvinistische, gematigde manier zoals mijn ouders het mij ook geleerd hebben.


Kort daarna piepte haar mobieltje. Ze veerde op. Ze lachte tegen het schermpje nadat het tevoorschijn geklapt was en begon te tikken. Terwijl de trein twee stations in topsnelheid voorbij reed, kreeg en tikte zij SMS'jes. Ze kreeg steeds meer plezier. Na SMS vier of vijf zat ze te hoofdschudden en lachte haar brede mond. Wat een rakker was het toch, zeiden haar ogen. Wat een humor. Wat een ondeugd.


Assen kwam en ging. Tijd om onderuit te zakken en hartgrondig te gapen, niet op te houden met gapen totdat we in Groningen zouden zijn. In Assen ben je er bijna, maar als je ophoudt met de tijd die je al gezeten hebt, af te zetten tegen de tijd die je nog moet, is de tijd die je nog moet opeens weer eindeloos lang. Ik wilde eigenlijk niet naar het meisje kijken, keek toch en zag dat haar ogen weer aan het dromen waren geslagen, het wit vol met een glans van belofte. Wat een mooi meisje, dacht ik nog maar eens waarna ik haar alleen liet met haar stille euforie.

Voordat mijn verveling lethargische proporties kreeg, schoot mijn iPod me te hulp door me The Crystal Ship van The Doors voor te schotelen. Ik zakte onderuit. Mijn oogleden zakten. Mijn hoofd schudde zachtjes mee en begroef zich in de treinstoel om dezelfde ruimte te voelen als de muziek me liet horen.


Toen mijn ogen middenin het nummer helemaal openvielen, kruisten ze die van het meisje. Er speelde een verlegen maar onmiskenbare lach op haar gezicht. Misschien dat ze haar eigen stille euforie wel in mijn ogen had teruggezien.

20 april 2008

Pauze tijdens een fietstocht

Al van verre was duidelijk wat hij wilde. Overhellend op z'n pootjes probeerde hij de lange lijn waaraan hij uitgelaten werd, nog een klein stukje langer te maken. Zelfoverschatting, want het was nog maar een jong en zeker niet groot hondje. Het was duidelijk dat hij naar mij keek en naar mij toe wilde komen. Ik was de enige persoon op dit parkeerterrein.


Ik ben bang voor honden. Tien jaar geleden zou ik nu al de benen hebben genomen, voor een klein jong hondje aan een heel grote lijn op 10 meter afstand. Tot voor kort zou ik gespannen zijn geraakt en op mijn hoede. Mijn ogen zouden het gevaar minutieus in de gaten blijven houden.


Nu vond ik het wel okee. Ik zag het enthousiasme met enige vertedering aan, want het beest sloofde zich oprecht uit om bij me te willen zijn. Vlakbij kwam hij. Tijd voor de meeste hondenbezitters om klak met de riem te doen en dan zie je zo'n beest op z'n voorpoten komen staan, want de lijn trekt hem weg van waar hij naartoe wil. Deze hondenbezitter deed geen klak. De oude man aan het andere einde van de lijn vond het allemaal wel best waar zijn hondje heen wilde.


Tien jaar geleden zou ik zijn gaan schelden op die man. Tot voor kort zou ik nu op dit moment echt minstens drie stappen teruggedaan hebben. Buiten bereik. Veilig voor dat rothondje.


Een zwart met wit hondje was het. Rode halsband. Mooie kleurencombinatie. Nee, geen rothondje. Mooi hondje wel. Flaporen, net als ik, maar bij zo'n hondje is dat aandoenlijk.

Het hondje sprong op en ik tolereerde zijn voorpoten tegen mijn benen. Ik zei "hallo" en tegen de baas zei ik dit ook, maar dan zonder de stembuiging die kennelijk pavlovreactie is wanneer je tegen kinderen of beesten praat. Het hondje sprong nog een keer op en ik raakte zijn kop. Ik voelde een natte neus. Opeens moest ik glimlachen. Ik moest heel erg lief glimlachen naar dat hondje.


De baas vond dat geloof ik een beetje gek. Een beetje gek dat iemand kennelijk zo graag zijn hondje aaide. Maar hij wist natuurlijk niet dat ik behalve een natte neus een overwinning voelde.

16 april 2008

Inhoud

Laurens schudde zijn hoofd, want in zijn mailbox zat geen enkel leuk mailtje. Een rekening van zijn internetprovider, de voorspelling van de rentestanden waarop hij geabonneerd was, de nieuwsbrief van de videotheek en een mailtje van het Eén Vandaag opiniepanel. Nog geen antwoord van Hans. Niks van Sara. Hij keek in de ongewenste e-mail, maar nee, het algoritme had niet de fout gemaakt om Sara als ongewenst te bestempelen.

Hij archiveerde de rekening in de map "Rekeningen bewaard". De rentestanden sleepte hij naar "Trendwatching" want daar zou hij als het kwartaal voorbij was, een grafiek van gaan maken. Hij klikte de nieuwsbrief van zijn videotheek open maar klikte hem bijna meteen weer dicht. Zoals eigenlijk altijd bleef de nieuwsbrief nagenoeg ongelezen. Zijn muis zweefde aarzelend over het verwijderkruisje maar uiteindelijk besloot hij de nieuwsbrief toch nog maar even te bewaren. "Voor het geval dat", dacht hij. Nadat hij de map "Nog te lezen" even opengeklikt had, zag hij dat daar 176 items in stonden. Hij zuchtte. Hij had helemaal geen zin om aan de zelfopgelegde plicht te voldoen om elke dag twee items weg te werken.

Hij klikte het mailtje open van het opiniepanel. Hij las: "Rita Verdonk heeft gisteren het programma van haar beweging Trots op Nederland gepresenteerd. Bent u sindsdien positiever of negatiever over haar gaan denken, en zou u op haar stemmen of juist niet?"

Uit automatisme bewoog zijn muis naar de link die hem naar het onderzoek, naar allerlei vragen en allerlei antwoordmogelijkheden zou voeren. Hij aarzelde. Zijn overheersende gedachte was dat hij geen zin in vragen had. Hij had gisteren wel nieuws en actualiteiten en inderdaad had hij Rita gezien. Dubbel nog wel. Rood en groot achter een katheder en daarachter nog roder en groter op een plat scherm. Hij had het aangekeken. Had hij zin in vragen over die mevrouw?


"Ik weet helemaal niet of ik nu positiever of negatiever over haar denk," dacht Laurens. "Ik denk eigenlijk niks". Hij zou vast niet op haar stemmen, want stemmen had Laurens nooit gedaan. Eén keer wel bijna. Hij wist precies op wie hij zou gaan stemmen, maar toen hij voor de computer stond en al die lijsten met namen, al die keuzes zag, was hij helemaal de kluts kwijt geraakt. Zijn hand had geaarzeld langs allerlei knoppen, als in het portaal van een flat waar je de goede bel moest zien te vinden, de bel van een kennis waarvan je de achternaam niet precies onthouden had, zoals nu bleek.

"Meneer," werd er geroepen en hij had opgekeken om de verwijtende ogen te zien van de mevrouw achter de tafel die over de computer ging. Hij had ook de rij van mensen gezien die achter hem aan kwamen, mensen die ook wilden stemmen. Ongeduldige gezichten. Maar hij kon het niet. Ondanks dat hij "Kok, Wim" inmiddels gevonden had. Want opeens leek het totaal niet vanzelfsprekend meer om op die man te stemmen. Wat wist hij überhaupt van die man? Uiteindelijk had hij achtervolgd door bevreemde blikken het pand verlaten zonder een knop te hebben ingedrukt.


"Maar. .. U kunt natuurlijk ook nog voor een hybride hypotheek gaan."

"Wat is dat, een hybride hypotheek?"

"Dat u kunt kiezen tussen sparen of beleggen. U kunt ook meer sparen dan beleggen, of andersom als de rendementsvoorspellingen gunstig zijn. Het is heel erg flexibel."

Er knapte iets in Laurens. Hij had drie kwartier naar een hypotheekadviseur geluisterd en had zowaar zowat alles gesnapt wat deze man te vertellen had. Zonder te weten wat hij wilde, was hij binnengestapt, maar een wonder had zich voltrokken. Hij wist nu wat hij wilde. Hij wilde een spaarhypotheek en hij wilde de rente voor 15 jaar vastzetten. Hij wilde weten waar hij aan toe was. Dat was precies hetgeen hij wilde. Maar toen opeens kwam dat hybride konijn uit de hoge hoed:

"Ik wil niet kiezen tussen sparen of beleggen, hoort u mij? Ik wil niet flexibel zijn. Ik wil gewoon dat u vertelt hoe veel ik moet betalen zodat ik ja of nee kan zeggen".

Hij zag dat de hypotheekadviseur hem ontsteld aankeek, angstig zelfs, zijn stropdas scheefgetrokken in de vlucht op de wieltjes van zijn stoel naar de betrekkelijke veiligheid achter zijn bureau. Dacht die man nou echt dat Laurens hem zou aanvliegen?


Hij had de man heel gelaten maar gevlucht was hij wel. Zodat hij nog steeds in een huurhuis woonde in een buurt waar hij zich niet thuis en eigenlijk ook niet veilig voelde. Wie weet dat inzicht in de rentestanden zijn zelfvertrouwen weer een beetje zou opvijzelen, zodat hij een nieuwe gang naar een adviseur zou durven maken. Het abonnement op de rentestanden was gratis dus kwaad kon het niet.


Laurens voelde een herinnering opkomen die hij met harder neuriën probeerde weg te drukken. Hij maakte de muziek in zijn hoofd sneller dan dat die uit zijn boxen kwam. Hij maakte van easy listening heavy metal. Scheurende gitaren.

"Ik weet het niet," hoorde hij zichzelf toch weer zeggen. Hij voelde weer het gloeien van zijn gezicht, zijn ogen neergeslagen want hij hoefde niet te kijken om te weten dat alle ogen van de klas op hem gericht waren.

Iedereen in de klas had gestemd. Bij de vraag "Wie is er voor?" had ongeveer de helft van zijn klasgenoten zijn vinger opgestoken en bij "Wie is er tegen?" de andere helft. Zonder pauze, zonder aarzeling. De zaak van de kruisraketten was een belangrijke zaak, had de leraar aan het begin van de les gezegd. De meningen over dit onderwerp verdeelden families en vrienden. Het maakte hem niet uit of je voor of tegen was, als je maar iets vond.

"Als je over deze zaak geen mening hebt, waar ben je dan al die tijd geweest?" had hij gepassioneerd retorisch gevraagd. "In welk hol woon je dan?"


Het belang van een mening vormen knaagde in Laurens buik. Aan de gepassioneerde woorden en fonkelende ogen in het debat had hij gemerkt hoe deze zaak de gemoederen verhitte. Hij had gemerkt dat inderdaad iedereen een mening had. Maar hijzelf kon met de beste wil van de wereld niet bedenken wat zijn mening was.

"Je hebt er toch wel een idee over?" had de leraar gevraagd, maar Laurens had niks gezegd. Uiteindelijk was hij gaan hoofdschudden.

"Heb je er ook geen gevoel bij?" had hij nog geprobeerd. "Wat is je gevoel bij het idee dat we kruisraketten zouden hebben in Nederland? Is dat een veilig gevoel of juist een onveilig gevoel?"

Laurens hoofd suisde. Om hem heen klonk het begin van geroezemoes, geginnegap, gegiechel. Zijn vader was "voor", hij werd boos opgewonden en vals cynisch als hij tegenstanders op televisie zag en hoorde praten. Maar de mensen in de klas die hij het verstandigst vond klinken, de mensen in de klas waartegen hij opkeek, waren allemaal "tegen".

"Ik ben voor," zei hij toen. Hij klonk gepassioneerd maar ook wanhopig. Links van hem begonnen ze te joelen.

"Je wil dus een kernoorlog?" hoorde hij sissen uit diverse monden. Jeroen bijvoorbeeld, Jeroen die in de klas zo mooi en precies en met beheerste hartstocht had kunnen uitleggen waarom het stationeren van kruisraketten in Nederland zo'n slecht idee was. Laurens keek schichtig in Jeroens richting. Nee, een kernoorlog wilde hij niet. Echt niet.

"Nou okee, ik ben tegen," zei hij, maar toen begon iedereen te joelen. Er was hilariteit. Schouders schudden van het lachen. Van het uitlachen. Gelukkig ging de bel.


De leraar had gevraagd of hij nog even wilde blijven. In een leeggestroomd lokaal stond Laurens naast zijn bank met zijn tas ingepakt.

"Wat was dit nou voor een klucht?"

"Het was geen klucht."

"Kom op zeg. Iemand die achten en negens en misschien wel tienen op Natuur- en Scheikunde, op Wiskunde en Economie haalt, zou niet in staat zijn zichzelf een mening te vormen over een zaak waar het land van in de ban is, die het brandpunt is van media-aandacht is?"

"Toch is het zo," had Laurens geantwoord.

"Je hebt geen inhoud, een lege huls ben je," hoorde hij de kleine man met de lange benen toen zeggen, de man met de grijze baard die zijn mond en dus de uitdrukking van zijn lippen overwoekerde, zodat je nooit zeker wist of hij ernstig was of grappig. Maar op dit moment voelde Laurens' lichaam dat bibberde heel goed welke van de twee het was.


Laurens haalde het mailtje van het opiniepanel tevoorschijn en klikte op de link naar de FAQ. Zoals gebruikelijk was alleen in één oogopslag te zien hoe je je moest aanmelden. Hij volhardde en vond na een kwartiertje zoeken de methode om zich af te melden.

"Weet u zeker dat u zich wilt afmelden?" las Laurens.

"Weet u zeker dat u geen inhoud heeft, dat u een lege huls bent?" zei hij.

De muisaanwijzer bewoog omzichtig om de knoppen heen, alsof het nog alle kanten op kon. De aanwijzer vatte moed, ging recht op "Ja" af en begon haar te liefkozen. Laurens drukte de knop in. Hij voelde zich opgelucht toen hij de mededeling op het scherm las dat hij geen lid meer was van het opiniepanel.

11 april 2008

Mistral

Op de viersprong zag hij mensen. Hij volgde hun voorbeeld en nam plaats op een rotsblok, die bedacht chaotisch verspreid lagen in de berm tussen het kortgeschoren gras. Hij knikte met een welwillend gezicht een groet, maar reageerde niet op blikken die wellicht uit waren op een praatje. Hij haalde zijn veldfles tevoorschijn en bekeek de lucht terwijl hij een paar gulle teugen nam. Het was droog geworden maar het sombergrijze wolkendek dreigde met een terugkeer van regen. Met slecht weer was het slecht toeven op de vlakte.


Hij bekeek de wegwijzers. Linksaf was terug de vlakte op, een aantal dagen aan kilometers verwijderd van een nieuw dorp en een nieuwe samenscholing van mensen. Hij ging tegenwoordig meestal terug linksaf, omdat hij mensen liever meed dan dat hij hun drukte trotseerde. Ondanks dat de regen koud kon zijn en de wind verkleumend hield hij van de vlakte. Het meest als het droog en stil was. Ook dan was de lucht vaak grijs, maar hij raakte ontroerd wanneer aan de horizon een paar gaten in de bewolking vielen zodat een paar brede banen van licht hem lokten. Dan keek hij naar het licht en verbeeldde zich door een gulle zon verwarmd te worden.


Nu lonkte rechtsaf. Daar was de stad, al vlakbij, en daar was de drukte, al voelbaar. De drukte die hem nerveus maakte maar soms had hij de drukte nodig om te voorkomen dat de nachten alleen op de vlakte hem krankzinnig maakten. De geluiden van de nacht die het alleen zijn als een vloek lieten klinken in plaats van een zegen.

Hij voelde angst voor de stad en tegelijk angst voor de eenzaamheid van de vlakte en de terugkeer van de regen. Vervolgens voelde hij verlangen naar de stad. In de stad was het weer vaak zo veel beter. De stad was de plek waar de zon scheen. Als hij bang was voor de stad, was hij dan eigenlijk niet bang voor de zon en voor de warmte?


Op het grote plein had hij spijt. Hij keek naar mensen en besefte dat zijn ogen lonkten, maar ze zagen geen gezicht waarop een lachje speelde en ze zagen geen ogen die zijn blik beantwoordden. Hij zag nergens de belofte van een gulle zon twinkelen. Hij zocht de verkeerde mensen uit voor het lonken. Hij zocht de zon bij mensen die hun warmte aan iemand anders dan aan hem wilden tonen. Hij begreep nu weer waarom hij daarnet bij de wegwijzer die angst gevoeld had. Hij stampvoette in het besef dat hij zich klein en hulpbehoevend voelde. Hij rechtte zijn rug en verhardde zijn ogen. Hij ging terug de markt op.


Nu was zijn houding ontoeschietelijk en zijn lichaamstaal het ongenaakbaars, een taal die niemand sprak in dit land. Een vriendelijk woord van een groenteman liet hij onbeantwoord. Een verraste blik pretendeerde hij niet te zien en het vervolg daarop, een verrast "Wilco", de stem van een oude kennis al achter zijn rug, pretendeerde hij niet te horen. Hij liep door. Hij had haast. Hij had dingen te doen.

Hij veinsde onopmerkzaamheid voor de toenadering in de ogen van een visverkoopster. Mooie ogen. Maar hij had geen tijd voor mooie ogen. Nadat hij zijn inkopen had gedaan en zijn rugzak weer vol zat liep hij met een krachtige, doelbewuste pas van het plein af. Hij negeerde de mensen die hij tegenkwam in langzaamaan rustiger straten. De laatste grote witte huizen van de stad gingen bijna helemaal schuil achter bomen en struiken. Hij begroette het gras van de vlakte als een vriend, maar betrapte zichzelf op het verlangen naar mooie ogen. Hij riep de laatste mooie ogen die hij gezien had terug in zijn herinnering. In zijn fantasie sprak hij de visverkoopster wel aan. Moeiteloos vond hij de juiste woorden en van een twinkeling kwam een lichtstraal, waarna het een kwestie van tijd en nog een paar welgekozen woorden was voor een zon zijn hart in gloed zette.


De groet die de reizigers op de rotsblokken hem toeriepen, verstoorde zijn fantasie. Zijn arm wuifde plichtmatig en uitsluitend beleefd. Hij ging linksaf en zag dat de lucht aan de horizon grauw was. Hij mompelde dat het goed was. Hij hoefde geen zon. Hij had genoeg aan af en toe een straaltje licht tussen de wolken door. Hij concentreerde zich op snakken naar stilte zodat hij snakken naar warmte kon vergeten. Hij had geen warmte nodig. Zijn jas was prima. Hij knoopte hem tot het bovenste knoopje dicht en stelde tevreden vast dat hij het inderdaad niet koud had.


Hij zat op een rotsblok, maar nu op een plek waar andere reizigers zich maar zelden waagden. Hij zou hier voorlopig blijven. Hij hield er rekening mee dat hij nooit meer terug zou gaan. Er was hier niemand, maar dat was prima. Hij had genoeg aan de wind door zijn haar te voelen waaien.

Hij voelde en hoorde de wind en het leek alsof de wind een toonladder woei. Het was best een leuk deuntje. Hij luisterde en floot een deuntje terug naar de wind. Een beetje verbaasd en een beetje opgewonden stelde hij vast dat de wind met zijn deuntje samenspeelde. Hij wachtte even en probeerde een nieuw deuntje, wat joliger en wat moeilijker om te fluiten. De wind hield even in en even was het stil, maar toen haalde de wind adem en blies de zachte noten van een liedje om hem heen, een liedje wat hij vrolijk en nauwelijks vals begon mee te fluiten.


Na een tijdje meefluiten met de wind voelde hij zich warm worden. De wind voelde warempel alsof het zon was. Hij keek met samengeknepen ogen op naar de lucht alsof zonlicht hem ging verblinden, maar de lucht boven hem bleek egaalgrijs, zoals meestal op de vlakte. Hij keek om maar de lucht boven de stad lag voorbij de horizon. Het was niet mogelijk om aan de lucht te zien of het daar zonnig en warm was.


Wilco voelde de stad weer lonken. Maar er was geen haast bij, vond hij, er was geen haast om de lange weg terug naar de stad te aanvaarden. Hij zat hier goed op zijn rotsblok. Zo lang de wind warm en muzikaal bleef, was het hier goed toeven.


Clicky

Clicky Web Analytics