31 mei 2008

Surrealisme in Surhuisterveen

Ik besloot om in Surhuisterveen even te pauzeren. Het is een wat groter dorp dan de omliggende dorpen en op deze zaterdagmiddag was het er best druk. Voetgangers liepen langs winkels, bejaarden zaten op bankjes, auto's dromden samen in rijtjes. Met mijn rug naar de weg pakte ik mijn bidon en zette hem aan mijn mond. Ergens achter me uit één van de auto's klonk uit een stereoinstallatie "Olé olé olé". Hierna zingzegde een blikkerige stem "We are the champions, we are the champions". De zanger had een zwaar Fries accent en kon absoluut geen wijs houden. Ik was te weinig nieuwsgierig naar het volksvermaak om me te willen omdraaien.


Ik nam drie teugen water voor evenzovele olés, een geluid dat nu vlakbij me gekomen was, zodat ik de bas in de auto kon horen bonken. Ik verwachtte "We are the champions" maar in plaats daarvan hoorde ik "Nee niet pauzeren je moet doorfietsen."


Ik draaide me om.


Ik keek in het bolle, wat rode gezicht van een goedlachse jonge vent. Gekleed in een blauwwit voetbalshirt hield hij een oranje megafoon vast en hij zat samen met zijn maat in een felgroen 45 kilometerautootje, veel te klein voor grote Friese kerels. Ik staarde het autootje na.


Het "Olé olé olé" verwijderde zich al verzwakkend, maar het "We are the champions, we are the champions" waarmee de man de EK-koorts in Surhuisterveen probeerde aan te wakkeren, klonk luidkeels en vals als voorheen. Ik kreeg er niet echt zin in het EK van.

23 mei 2008

Sonoor

Dit verhaal is begonnen met de laatste cursieve alinea die door Wenz geschreven is. Aan mij de taak om te verzinnen wat er aan vooraf ging. Dat kostte een paar zweetdruppels, maar het eindresultaat is een mooie samenwerking en een goed verhaal.

Het ruilmateriaal voor dit verhaal, een laatste alinea van mij terwijl Wenz moest verzinnen wat daar aan vooraf ging, staat op haar log en wel hier.


Hartgrondig geeuwend liet hij zijn hoofd tegen het raampje rusten en keek hoe het landschap aan hem voorbij vloog. Waarom zo vroeg? Schapen die hem met minstens honderd kilometer per uur voorbij raasden. Waarom in vredesnaam reisde hij het halve land af voor een date? Het zou toch niks worden. Waarom had hij toen zij een plaats halverwege voorstelde, een plaats genoemd die op driekwart lag? Zo bijzonder leek ze helemaal niet. Hij herinnerde zich haar eerste mail. Een antwoord op zijn eerste mail waarin hij haar had gevraagd wat ze belangrijk vond in een man. Eigenlijk niks, concludeerde hij na haar verhaal te hebben gelezen. Verder dan algemeenheden kwam ze niet. Ze viel op stemmen, dat had ze wel gezegd. Een goede kop was leuk en aardig, maar het geluid van een stem bepaalde of haar snaren beroerd raakten of braken. Dat had hij trouwens wel een heel mooie zin gevonden.


Drie uur later keek hij op z'n horloge. Zij ook. Allebei lieten ze hun ogen ronddwalen. Het café was groot, vol en lawaaierig. Aan de grote tafel zat een groep mensen met een hoop kinderen en die kinderen zaten elkaar gillend achterna het halve café door. Het was hier verschrikkelijk. Zij was wel aardig maar zij leek zich net zo slecht op haar gemak te voelen als hij. Haar voorstellen naar een andere gelegenheid te gaan durfde hij niet zo goed, want dan zou uitkomen dat hij deze stad eigenlijk helemaal niet zo goed kende. Waarom loog hij nou ook over zoiets?


"Doe je eigenlijk iets creatiefs?" vroeg ze opeens. Het klonk nogal dringend. Het klonk alsof het zijn laatste kans was. Bij een teleurstellend antwoord zou ze zeggen dat hij niet de man was met wie ze verder wilde en ze zou haar eigen weg weer gaan.

"Ik zing in een kerkkoor," zei hij.

"Een kèrkkoor," herhaalde ze. Haar ogen werden groot.

"Kerkkoor Sonoor," zei hij een beetje wanhopig. "Luister…"


Maar ze was hem in de rede gevallen met "Nou zing dan maar eens wat." Het had uitdagend geklonken, met een zweem van spot. Eigenlijk had het geklonken alsof ze hem wilde vernederen omdat ze haar tijd zo hartgrondig met hem verdeed. "Goed," had hij gezegd. Hij had zijn jas open gedaan en zijn ogen dicht. Hij was gaan zingen. Om te beginnen zacht.


Al snel stopte ze met om zich heen kijken. Haar gêne raakte vergeten bij het horen van de stem van deze man. Eerst was zijn stem zacht, nogal weemoedig, maar naarmate de stem aan kracht won, proefde ze zijn kracht, zijn trots, zijn levenslust. Zijn passie, toen ze versteend zat terwijl zijn stem door het café schalde, zo hard dat mensen op- en omkeken maar de kinderen gilden en renden onverdroten door. De woorden in het Latijn, een taal die ze niet verstond, waren vast voor God bedoeld maar leken nu voor haar. Ze zag zijn ogen opengaan en rechtstreeks kijken in de hare, voor ze weer dichtgingen en het volume van zijn stem afzwakte tot nauwelijks nog te horen. Nog één keer klom zijn stem in een glijvlucht omhoog naar een laatste, voor een mannenstem onbarmhartig hoge noot. Hij balde zijn vuisten terwijl hij de noot aanhield tot zijn lied klaar was. Hij vroeg haar hoe ze het vond. Ze voelde rillingen langs haar rug gaan terwijl ze knikte en hoofdschudde tegelijk, terwijl geen samenhangende zin haar lippen passeerde. Ze stamelde alleen.


"Laten we alsjeblieft hier weggaan," had ze uiteindelijk gezegd. Ze waren de straat opgegaan. Ze waren gaan lopen. Ze waren in gesprek geraakt. Opeens hadden ze elkaar van alles en nog wat te vertellen. Horloges hingen urenlang om polsen zonder dat er nog op gekeken werd.


"Sonoor." Ze liet het woord fluisterend over haar tong rollen, proefde het, herhaalde het tot het een plekje in haar hoofd vond waar het onder vrienden was. Sonoor. Vanochtend had ze nog nooit eerder van dit woord gehoord. Maar vanochtend kende ze hém ook nog niet, zijn stem nog niet, zijn ogen nog niet. Ze liet haar hoofd tegen het raampje rusten en keek hoe het landschap aan haar voorbij vloog. Schapen die haar met minstens honderd kilometer per uur voorbij raasden. Rijen auto's die zo uit een speelgoedwinkel leken te komen. Het landschap was zoals altijd, maar haar blik was veranderd. Haar perceptie was veranderd. Zij was veranderd.

16 mei 2008

Het fileprobleem

Er wordt vaak beweerd dat de files een groot probleem zijn dat eindelijk eens opgelost zou moeten worden. Onzin. Files zijn een zegen.


Een file is een excuus om te laat op het werk te komen en te vroeg weg te gaan. Verzin maar eens een andere excuus dat dezelfde mogelijkheden geeft en dat door jouw baas met hetzelfde gemak geaccepteerd wordt.

Als je in een file staat, heb je een schaars moment voor je zelf. Nadat je ontbeten hebt, de vuilnisbakken buiten hebt gezet en de kinderen naar school hebt gebracht, is het tijd om de ochtendstress te laten zakken en de werkstress nog even voor je uit schuiven door achter aan te sluiten bij het stapvoets voortkruipen naar je werk. Even nog weer de ogen dicht. Beetje peinzen. CD'tje draaien, stiekem sigaretje roken want thuis en op het werk ben je vanzelfsprekend gestopt. Omgekeerd heb je 's avonds na alle vergaderingen en deadlines nog even een rustig uurtje autokruipen voordat de managementtaken thuis een aanvang nemen.

Files zijn emotie. Aan een heleboel van mijn collega's merk ik nooit iets van hartstocht als ze praten. Behalve als ze 's ochtends binnenkomen en ze hebben ergens vast gestaan. Files verbroederen bovendien. Er is geen dankbaarder gespreksonderwerp dan te vertellen waar en hoe lang voor welk knooppunt je hebt stil gestaan. Je hebt aandacht. Je ziet herkenning bij de luisteraars. Zelfs erkenning als je echt lang hebt gestaan, of als er sneeuw in het spel was, dichte mist of een bijna kettingbotsing wegens ijzel. De groep mensen rondom jou groeit en bij het elkaar vertellen over fileleed ontstaat een verbroedering die in kantoren bij geen enkel ander onderwerp ontstaat. Alleen als het Nederlands elftal van Duitsland wint is de euforie groter, maar dat gebeurt heel wat minder vaak dan files.


Ik sluit niet uit dat er collega's zijn die zich van kant zouden maken als de files morgen opgelost zouden zijn.


Toch zijn files ook een vloek. Althans, de voertuigen die wij aangeschaft hebben om mee in de file te staan, zijn een ramp. Ze maken allemaal met elkaar samen een hels lawaai en ze verpesten de lucht met hun uitstoot.

We moeten niet de files oplossen. Oh nee, alsjeblieft niet. Maar de uitstoot moeten we wel oplossen. Daar worden we kortademig en allergisch van en bovendien zal een gedeelte van de bevolking een aantal jaartjes vroeger dodelijk ziek worden dan zonder de uitstoot. Dus niet weg met de files maar weg met de uitstoot.


Ik stel voor om voor alle benzine- en dieselslurpers de BPM te vervijfvoudigen en voor de middenklasseslurpers wordt de BPM verdubbeld. Met de opbrengst wordt de kostprijs van een Toyota Prius symbolisch gemaakt en voor de aanschaf van een elektrische auto krijg je zelfs geld toe. Autobijslag. Het zijn wel lullige voertuigen, maar voor filerijden gaan ze ruimschoots hard genoeg. Bovendien zullen door deze maatregel de files nog talrijker en langer worden, dus 120 laat staan 180 rijden wordt toch een zoete herinnering uit de tijd dat alles mooier en beter was.

Het imagoprobleem lossen we op door een reclamecampagne. Gewoon een jaar lang twee spotjes uitzenden. Eentje waarbij een bekende begerenswaardige Nederlandse in bikini de cabrioletvariant uitprobeert, een andere waarin een bekende begerenswaardige Nederlander al rijdend in gele tanga naar meisjes knipoogt. Het duurt misschien even, maar we zullen de elektrische auto vanzelf sexy gaan vinden.


Voor mensen die het calvinistische idee dat ze op tijd op hun werk zouden moeten komen, niet willen loslaten, maken we het leasen van een fiets met trapondersteuning fiscaal aftrekbaar. Dan zoef je met 25 kilometer per uur langs de file en word je nog niet eens moe ook.

12 mei 2008

Schrap me

Er was eens een verhaal. Het begon met één zin, maar van het een kwam het ander. Zo werd één zin meer zinnen, werden meer zinnen een alinea, en er kwamen steeds maar zinnen bij tot er een aantal alinea's ontstaan waren die samen een inleiding, kern en slot vormden. De laatste zin was een mooie zin die een afsluiting vormde van het voorgaande. Het verhaal was klaar. Het bevatte twee personen, één probleem, twee mogelijke oplossingen, één dramatische wending en last but not least één happy end. Het verhaal leek met alles toegerust te zijn wat het nodig had. Het controleerde voorzichtig dat alles bewoog zoals het moest en dat er niks afviel of losliet. Vervolgens besloot het dat het tijd was om uit te vinden hoe de wijde wereld eruit zag.

"Ho ho," zei de schrijver van het verhaal. "Nog een beetje bijschaven hoor."


Het verhaal liet zich gewillig terugleiden naar de schrijverstafel waar het her en der werd bijgeschaafd, bijgepunt, gekortwiekt en verlengd. "Ben je nou klaar?" vroeg het verhaal maar de schrijver zei dat hij toch nog even die dramatische wending onderhanden wilde nemen, want die was hem bij nader inzien toch niet dramatisch genoeg. Met een hoorbare zucht ging het verhaal wederom stilzitten. Er werd aan het verhaal geschoren. Vervolgens gebeurde er een tijdje niks, maar de schrijver zei ook niet dat het verhaal weg mocht.

"Wat is er?" vroeg het verhaal.

"Het is niks," zei de schrijver.

"Wat? Wat is niks?"

"Jij!"

"Ik? Niks?"

"Nou het is op zich wel goed. Het bevat wel een paar aardige elementen. De titel is wel leuk. Maar…"


Bij navraag bleek dat de schrijver het verhaal toch wel een beetje vlak vond, een beetje gewoontjes eigenlijk. Het was geloof ik toch niet geschikt voor publicatie. De schrijver had wel eens betere verhalen gezien. Het was niet het beste verhaal dat de schrijver ooit geschreven had. Het was een verhaal waarbij de schrijver ernstige twijfels had of zijn publiek het graag zou willen lezen.

"Pff," zei het verhaal. "Alsof jij daar wat van weet. Van die anderhalve man weet ik het niet, maar die paardenkop vindt alles leuk…"

"Nou doe je cynisch," zei de schrijver bedroefd en hij sloeg zijn Grote Verhalenboek dicht zodat hij zijn al te bijdehante creatie niet meer hoefde te horen of zien.


Twee dagen later werd het verhaal toch weer opengeslagen. Voordat het haar schrijver kon begroeten, werden de namen van de personen veranderd, kreeg de man een hondje toegevoegd, de vrouw kreeg roestig rode in plaats van kastanjebruine haren en allerlei zinnen werden langer gemaakt en sommige korter. Nadat de schrijver klaar was, las hij peinzend de herziene versie van zijn verhaal door.

"Ik zal het je maar meteen vertellen," zei het verhaal. "Het is niet beter dan de vorige versie."

"Het is nog veel slechter," gromde de schrijver. Vervolgens brak zijn stem maar het verhaal kon aan het gezicht van de schrijver wel zien dat hij dacht dat hij er niks van kon en dat hij nergens voor deugde en dat hij nooit een groot schrijver zou worden, die uitgegeven zou worden, onverwachts de Libris literatuurprijs zou winnen en als Bekende Nederlander in panels van spelshows zou mogen plaatsnemen.


"Ik vind dat ik best een beetje charmant ben," probeerde het verhaal de schrijver te ontdooien.

"Je bent zo lelijk als de nacht," zei de schrijver ijzig.

"Heb ik niet een paar mooie woordjes en heb ik niet een paar mooi lopende zinnetjes," vroeg het verhaal met haar grootste ogen.

"Clichés die als dikke stront door een trechter gaan," zei de schrijver. Hij mompelde in zichzelf gekeerd. Hij pakte de bladzijde waarop het verhaal opgeschreven stond. Hij vouwde een hoekje om. Terwijl hij daarmee bezig was sloeg zijn nauwgezetheid om in agressie en hij scheurde het hoekje af. Het verhaal kreunde pijnlijk, want er waren drie letters geamputeerd.

"Toe maar," steunde het verhaal. "Je wilt me niet. Ik weet het. Ik voel het. Maar heb alsjeblieft het fatsoen om me pijnloos uit mijn lijden te verlossen…"

De schrijver keek neer op zijn creatie met ogen vol moordlust met handen die jeukten. "Hmm," zei hij uiteindelijk. "Ik kan het niet." Hij haatte wat hij zag, maar datgene wat hij haatte kon hij niet vernietigen. "Ik kan echt niks," huilde hij bijna en hij sloeg zijn boek met een naargeestige klap dicht. Het verhaal aanvaardde een kwijnend bestaan in de donkere anonimiteit van een in de onderste lade van een kast op zolder bewaard verhalenboek.


Twee dagen later op een nog vroege ochtend werd het boek tevoorschijn gehaald en opengeslagen. Het verhaal zei niets toen ze oog in oog met de schrijver kwam. Ze zag dat de schrijver achter zijn PC had plaatsgenomen en was begonnen met tikken. Hij tikte snel, de ratelende letterstroom alleen onderbroken als er per ongeluk onderbroeken kwam te staan. Nadat de slotzin en de punt ingevoerd waren, aarzelde de schrijver. Zou hij… Die ene zin ergens in het midden, die kon toch wel beter? En nu hij erover nadacht, dat begin, dat…


De schrijver schudde zijn hoofd, haalde nog eens diep adem en slingerde zijn verhaal het Internet op. Het voelde als het gooien van een boemerang, maar hij wist dat zijn creatie niet zou terugkeren.

02 mei 2008

Tijd

De tijd verbleekt groen en paars

Tot nauwelijks waarneembare slierten

Voor op licht gefocust geraakte zintuigen


Tijd is een geduldige vriend


Na het nodige gesomber en buiige regen

Sprak een weervrouw warmtefront

Ik zag haar door een geel rietje rood vocht opzuigen


Tijd is relatief, kan alle kanten op


Jongen rent steeds verder voor vader uit en kijkt om

Is het niet meer wil of niet meer kan of

Niet meer willen naar excuses niet te kunnen ombuigen?


Papa voelt tijd zich als vijand ontpoppen

Komt tot sjokken vervolgens tot staan

Meeuw schreeuwt in valvlucht de stilte in duigen


De tijd staat stilstand is achteruitgang


Zoon schudt weerbarstige blonde haren, slentert

Pirouette terug richting papa met voeten die tijdrekken want

Voeten fantaseren het duin op te rennen, op de top te juichen

Clicky

Clicky Web Analytics