30 juni 2008

Amendementje

Voor rokers is het vandaag niet alleen voor de longen een zwarte dag, want ze mogen vanaf morgen niet meer roken in de horeca.


Een slechte regel. Hij is namelijk simpel. Gewoon niet meer roken in een café. Als je dit leest, dan weet zowel de roker als de niet-roker waar hij aan toe is. Dat kan toch bijna niet goed zijn. Dat kan toch haast niet de bedoeling zijn?


Daarom zal blijken dat de regel in ons land met geen moeilijkheid te handhaven blijken zijn. Ik voorspel dat de regel over een jaar (1-7-2009) zo ongeveer zal luiden:


Er mag niet gerookt worden in cafés, tenzij het etablissement een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2 (behoudens etablissementen met een inhoud meer dan 140 m3, met meer dan 2 bedienende personeelsleden in tenminste 75% van de periode tussen 16.00 uur en 00.00 uur of met een bar waaraan het krukken 12 of meer bedraagt), tenzij er een bijzonder evenement plaatsvindt (wedstrijden van het Nederlands elftal niet zijnde met als inzet des Keizers Baard, bierfeesten als bedoeld in art. 44B van het Wetboek van Feesten en Andere Partijen, carnaval, mits het betreffende café zich ten zuiden van de afrit van de meest zuidelijk gelegen brug over één der grote rivieren niet zijnde grote sloten bevindt, dagen wanneer we bang zijn geworden dat de hemel op ons hoofd valt, dagen wanneer een koning dan wel koningin ingehuldigd wordt, alsmede wanneer er clubavonden gehouden van verenigingen, genootschappen of stichtingen die blijkens de statuten hun bestaansrecht ontlenen aan het nuttigen van rookwaar, alsmede wanneer er clubavonden gehouden van verenigingen die zeggen dat ze blijkens hun statuten hun bestaansrecht ontlenen aan het nuttigen van rookwaar, alsmede wanneer het gezelschap voor meer dan 40% uit niet ingezeten in Nederland bestaat zodat het Nederlands recht niet op hen van toepassing verklaard mag worden), tenzij er in het dag, maand, jaar of uur een 3 voorkomt (behoudens dagen, maanden, uren en jaren waarin meer dan drie drieën voorkomen of minder dan één zes), tenzij men gewoon asbakken neerzet en z'n gang gaat en de niet-rokers niet assertief genoeg protesteren, tenzij het een zogeheten terras betreft, een ruimte met niet meer dan twee muren en geen dak dan wel niet meer dan één muur en wel een dak, waarbij onder dak ook wordt verstaan meer dan 60 m2 uitgehangen zeildoek en/of meer dan 30m2 opgespannen gewoon plastic dan wel meer dan 27,5 m2 opgespannen landbouwplastic – waarbij aangetekend mag worden dat als het plastic zwart is, bij de maximale toegestane toegedekte oppervlakte 20% mag worden bijgeteld, waarvoor benevens geldt dat geen terrasverwarming aangebracht waarvan het totaal vermogen niet meer bedraagt dan 175 kWh, gemeten terwijl de installatie een temperatuurverschil van minimaal 8,5 graden met de buitenlucht overbrugde waarbij de temperatuur van de buitenlucht niet lager dan – 6,1 of hoger dan +18,9 graden bedroeg, tenzij de rookwaar bestaat uit sigaretten die wat betreft teeruitstoot voldoen aan de Euro-4 norm, of aan de Euro-3 norm mits het geluid van het zuigen aan de sigaret de 62.3 dB niet te boven gaat, en natuurlijk tenzij middels bijzondere politieverordeningen dan wel bijzondere gemeenteverordening dan wel bijzonder Koninklijk Besluit aanvullende cq. afwijkende bepalingen van kracht zijn.


Dat ziet er een heel stuk beter en vooral Nederlandser uit. Ook regelgeving lossen we samen wel op.

23 juni 2008

De muur

Kaj raakte de muur met zijn hand. De stenen waren glad en een beetje warm. Het strelen van de stenen voelde zacht, maar toen hij zijn nagels in het cement zette, zwikten ze om en deden ze pijn. Het lukte hem niet om korreltjes cement los te krassen.


Eerst had hij helemaal niet doorgehad dat er een barrière op de vlakte was, verblind als hij was door de felle zon. Vervolgens was er een regenbui gekomen met een fikse wind tegen zodat hij verder struikelde met halfdichte ogen. Na een tijdje dreef de regen over en luwde de wind en op dat moment hoorde hij de stem weer, de stem die hem naar de vlakte hadden gelokt met zoetigheid en met beloften. Nu bracht de stem hem ertoe om nog verder te lopen, verder de vlakte op en verder weg van het bos waar hij voorheen zijn tijd had doorgebracht. Op een windvlaagje werd een geur van wijn aangevoerd en een gefluisterde flirt. Kaj luisterde en raakte geïntrigeerd. Hij raakte geïnteresseerd. Hij raakte betoverd. Hij breidde zijn handen uit naar de stem en wilde het op een rennen zetten, recht in de richting van de belofte van mooie dingen die hij gefluisterd hoorde worden op de wind.


Maar toen doemde de muur op.


Hij keek naar links en naar rechts, maar hij zag geen eind aan de muur. Hij zag geen poort. Hij zag geen handvaten of beugels of spijkers of oneffenheden die hem een kans boden om over de muur te klimmen. Hij hoorde opnieuw de stem, van achter de muur. Wat een fijne stem, wat een mooie stem. Kaj wilde bij die stem zijn. Hij haalde zijn sleutelbos uit zijn zakken en kerfde met het metaal. Er liet een klein beetje stoffig cement los, maar het was een hopeloos grijs hoopje. Toen maakte hij met zijn handen een trompet en riep over de muur naar de stem of ze een touw wilde gooien. De eigenares van de stem giechelde, maar vervolgens bleef het stil en er kwam ook geen touw langs de muur omlaag zakken.

"Ik wil je spreken", riep Kaj.

"Dat kan", riep de stem terug.

"Ik wil je leren kennen."

"Dat mag."

"Ik wil je zien."

Kaj luisterde met zijn handen als een schelp aan zijn oor, maar het bleef stil.


Toen pakte Kaj de lege fles uit zijn zak, waarin het water had gezeten voor onderweg. Hij tastte in zijn borstzakje naar zijn pen en zijn opschrijfboekje. Hij scheurde het laatste velletje uit het boekje, dacht na, kauwde op zijn pen en schreef iets op wat hij zelf best heel lief vond. Hij vouwde het velletje papier op tot een reepje en duwde het in de fles. Vervolgens gooide hij met een fikse zwaai de fles over de muur heen. Hij hoorde de plof.


Toen het nacht geworden was zat Kaj met zijn rug tegen de muur en hij luisterde naar de stem die voor de vierde keer zei dat zijn briefje zo mooi was. Hij praatte met de eigenares van de stem. Ze vertelde honderduit over de leuke en fijne dingen die achter de muur waren. Er lag een prachtig land achter de muur. Grote rivieren. Mooie dorpjes. Fijne knusse huisjes. Toen hij vroeg hoe hij aan de andere kant van de muur kon komen bleef het even stil.

"Vroeger was er een grote oorlog," zei de stem. "Maar sinds dat we de muur hebben is er vrede, althans we zien nooit meer troepen die roven en plunderen. En watersnood was er vroeger ook, een vreselijke vloed die alles wat leefde liet verdrinken."

"En nu?

"Nu is het vrede en het is droog, dankzij de muur."

"Dus de muur kan niet weg?"

Het bleef even stil. Toen zei ze dat er misschien plannen waren om de muur af te breken. Het klonk Kaj als muziek in de oren, maar toch meende hij ook dat de stem een beetje trilde van onrust. Maar met een diepe zucht dacht hij aan de grote rivieren, schitterend in de zon. Hij dacht aan een knus huisje voor hem en de stem. Nog even wachten tot de sloopplannen een aanvang namen en dan zou een grote bal een bres slaan en als het stof was neergedwarreld dan zou hij het land achter de muur zien en de eigenares van de stem en alles zou goed komen.


Het werd uiteindelijk stil aan de andere kant van de muur. Kaj was ook moe. Kaj keek over de vlakte en langs de muur. Hij voelde zich niet fijn om de plek waar hij was. Het was nogal dor en nogal weinig beschut. Hier wachten maakte hem onrustig. Hij voelde zich niet veilig. Hier wachten was veilig, had de stem gezegd, maar toch voelde het wachten als wachten op sluipschutters en zoeklichten en honden. Teruggaan naar het bos wilde Kaj niet, want dan zou hij de stem niet meer horen met de verhalen wat er achter de muur was. Wat hij wilde was over de muur gaan, maar wat hij wilde kon niet. Nog niet. Eerst moest die muur geslecht worden. Er waren plannen, had de stem gezegd.

"Wanneer dan?"

"Dat weet je nooit met bouwplannen."

"Maar dit zijn sloopplannen."

"Dan weet je het ook nooit."

"Zou je geen touw kunnen gooien?"

"Ik weet het niet. Later misschien"

"Later misschien," herhaalde Kaj en hij merkte vertwijfeling in zijn stem. En de stem merkte het ook.


Kaj keek naar de muur nadat hij de stem weer even had gesproken. Veel zei ze niet. Tussen de stiltes van haar woorden hoorde Kaj haar zeggen "Kijk niet naar de muur". Dus keek Kaj naar de muur. Hij keek ook naar het oranje van de lucht en de silhouetten van verre zwarte machtig schreeuwende vogels die wel van de ene naar de andere kant van de muur konden komen. Maar terwijl hij keek naar de prachtige lucht bleef hij denken aan de muur en hoe hij er overheen zou kunnen komen. Hij balde zijn vuisten. Hij dacht dat er een dag zou komen dat hij de muur omver kon trekken. Sterker nog, hij dacht aan de vloed bedwingen en wereldvrede brengen zodat de muur onnodig was geworden. Maar hij wist dat dergelijke gedachten uitspreken gelijk stond aan loze beloften uitspreken. Hij kon de muur niet slechten of vrede brengen of beloven dat het water nooit meer zou stijgen. Dat kon hij niet. Hij kon alleen maar wachten. Tot de muur inderdaad afgebroken werd. Of totdat de stem hem vertelde waar de poort was. Of dat ze toch nog een touw gooide. Of totdat toevallig een kanonnenverkoper langskwam, zodat Kaj de grootste kon kopen om een gat in de muur te schieten.


Moedeloos sloot Kaj zijn ogen en deze keer doezelde hij weg.


Toen hij ze weer opende, zag hij stenen. Eerst dacht hij dat het de stenen van de muur waren, maar nadat hij zijn ogen beter wakker had gewreven zag hij dat deze stenen schotser en schever zaten en dat deze cementranden ruw waren in plaats van glad. Er was een tweede muur, ontdekte Kaj. Een kleintje maar, een halve onafgemaakte cirkel om hem heen. Maar wie had hem gebouwd? Hij keek naar zijn handen en zag dat ze eeltig en beschadigd waren, de nagels afgebroken. Kaj had de muur zelf gemaakt in zijn slaap. Hij voelde zich droevig worden. Haastig strekte hij zijn hand uit naar de stenen en hij merkte dat hij met wrikken en wringen de bovenste stenen los kon krijgen. Hij zette zich aan de arbeid om de muur weer af te breken, maar na een paar stenen aarzelde hij. Hij keek om en terug en zag een vrije doortocht naar de vlakte en het bos, maar hij aarzelde. Hij keek voor zich naar de muur die nog even ongenaakbaar als voorheen de horizon aan het oog onttrok. Hij luisterde of hij de stem weer hoorde maar het was stil. Hij aarzelde.


Hij wist niet wat te doen.

20 juni 2008

Eindpunt

Hoewel ik geplaagd werd door slaperigheid en tegenzin, want ik werk normaal niet op vrijdag, viel me de auto op. Gekke plek om geparkeerd te staan. Op een tegel- en stoeprandje tussen een afrit van de ringweg en het fietspad. Een niet zo'n drukke afrit, maar toch. Eén set wielen nog net op de weg. De andere set wielen ruimschoots op het fietspad, zodat ik een beetje bij moest sturen om te voorkomen dat een ram van mijn de fietstrapper de auto nog ouder zou laten lijken dan hij al leek. Ik vroeg me af bij wie de bestuurder na het verlaten van zijn auto op bezoek kon zijn gegaan. Links was een school maar ook een hoog hek. Rechts was een minimeubelboulevard maar ook een groot parkeerterrein. Achter me waren de huizen 200 meter voorbij en voor me begon een park. Vreemd dacht ik, voor ik doorfietste en voor ik aan iets anders dacht.


's Middags op de weg terug stond de auto er nog steeds. Een Mercedes. Een kenteken met cijfers-letters-cijfers en in het midden EA . Stokoud, dacht mijn niet beroepsgedeformeerde ik. Ongeveer tweede helft jaren 70 dacht mijn wel beroepsgedeformeerde ik. Mijn beroepsgedeformeerde ik bleek een optimist, want na googlen vond ik voor nummertje, nummertje, EA, nummertje, nummertje uitgiftejaar 1973. Ik visualiseerde de Mercedes zoals hij vroeger was, een imposante kar die opzien wekte als hij langszoefde op de snelweg met zilvergrijsharige papa aan het stuur en mama die zei dat papa niet zo hard moest rijden. 1973 was oliecrisis en autoloze zondag dus hard rijden was duur. In 1973 verhuisden mijn ouders en dus ook ik van de ene kant van Nederland naar de andere. Een nieuwbouwwijk met prachtige grote hopen zand om in te spelen. Een nieuwbouwwijk die ik later terugzag in de film de Noorderlingen.


De fout geparkeerde auto prikkelde de fantasie. Wat kon er gebeurd zijn? In de schemer van het einde van de nacht rolde de voormalig imposante kar, tegenwoordig APK-tartend stuk oud roest amechtig pruttelend de uitvoegstrook van de ringweg in. De bestuurder van allochtone afkomst gaf de versnellingspook een slinger en trapte het gas in, want dat was de remedie op het brik weer in gang te zetten. Tot nu toe tenminste. Deze keer jankte de motor hoog en nijdig voordat het stil werd onder de motorkap. Alleen maar wat getik. De laatste kinetische energie gebruikte de bestuurder om de rechterwielen het tegel- en stoeprandje op te manoeuvreren. De auto kwam hobbelend stil te staan. De bestuurder keek in zijn achteruitkijkspiegel. Hij luisterde naar de stilte. Hij stapte uit. Vertwijfeld begon hij rond te lopen in het eerste licht van de dag.


Tragisch dat zo'n auto ondanks al het verkeer om hem heen zo eenzaam leek.


Ik bedacht ongeveer hetzelfde scenario maar nu met een dusdanig groot gezin dat de Mercedes een klein autootje was. Ik bedacht twee mannetjes met vijfuurschaduw die na de onvoorziene stop de benen namen omdat anders uit zo komen dat ze met een flinke slok op achter het stuur zaten. Een dame. Een dame in iets roods, nogal verschoten omdat het steeds langer geleden was dat ze kleding uit boutiques kon betalen.


Plotseling was ik verbaasd. Want we waren in Nederland. Regeltjesland. Waarom hadden niet al 1000 mensen de politie en 112 gebeld? We weten toch zo goed hoe het hoort en het was overduidelijk dat deze auto niet geparkeerd stond waar het hoort. Waarom was de Wegenwacht of de politie of het takelbedrijf nog niet langs gekomen om de wagen weg te slepen? Zelfs geen bon achter de voorruit. Inconsequent hoor, als je wat verderop op de singel parkeert zonder geld in de meter te doen dan staat een parkeerwachter binnen 2 minuten te schrijven.


Eigenlijk was het een trots in plaats van tragisch stuk roest. Het brik stond daar toch mooi inmiddels al urenlang de regels met wielen te treden.

16 juni 2008

Fietsenrekonderhoud

Het betrof slechts een controle voor de zekerheid, een goedmoedig langs de tanden tikken met twee metalen tangetjes. Volgens de etiquette een halfjaarlijks ritueel, maar voor mij was het vijfentwintig jaar geleden dat ik achterover lag in zo'n stoel, niet bij machte om bij het eerste dreigende gevaar op te springen en me uit de voeten te maken. Rationeel was er geen gevaar. Rationeel was een man met mij bezig die zich net als ik aan de wet moest houden, iemand die geen nodeloos pijn zou toebrengen, iemand die streefde naar een positief imago en klantvriendelijk wilde werken. Onderbewust was het licht uit de lucht gefilterd omdat er zo veel gevaar in rond zweefde. Zo lang ik mijn verstand erbij hield, was er niets aan de hand. Helaas ontdekte ik dat een neiging om de fantasie de vrije loop te laten ook zijn schaduwzijden heeft.


Ik wist weer waarom ik vijfentwintig jaar lang niet zo'n trek had gehad in dergelijke behandelingen. Toch vijfentwintig jaar aan deze stress uitgespaard. Zo is mijn levensverwachting toch mooi met een paar maanden gestegen ten opzichte van het scenario dat ik die vijftig controles wel met bonzend hart zou hebben ondergaan. Voor het eerst sinds dat ik op de stoel achterover was gaan liggen had ik een gedachte die me vrolijk maakte.


"Het ziet er allemaal best vrij aardig uit," herhaalde de tandarts met een zweem van verbazing. Uit de foto van mijn tanden had hij ook al de conclusie getrokken dat ik geen gaatjes had. Er was alleen een stuk van een kies afgebroken. Hulde voor de diagnose. Zonder metalen tangetjes of tandfoto had ik deze diagnose ook al over de telefoon aan hem verteld. Ik mocht opstaan, want mijn 20 minuten ingeplande tandheelkundige zorg waren voorbij. Nuttig bestede tijd. Pas in een vervolgafspraak zou de afgebroken kies gerepareerd worden. Daarna mag ik ook nog een keertje komen voor mondhygiëne.


"Het ziet er allemaal best vrij aardig uit," herhaalde hij voor een derde maal, een beetje afwezig alsof hij een diepgekoesterde fantasie van een niet gesaneerde patiënt met twee rijen zwarte stompjes terug in de ijskast moest zetten.


Morgen mag ik weer achterover in de stoel, maar nu voor een echte behandeling. De beloning voor de angsten en pijn die ik ga doorstaan zal een terugkeer zijn in het land der gesaneerden. Een mooi land. Een beloofd land. Maar vanavond lach ik nog even als een boer die kiespijn heeft.

13 juni 2008

Oranjegekte is …. (2)

Een oranje onderbroek kopen op de dag dat na één goed wedstrijdje tegen de wereldkampioen Onze Jongens tegen de vice-wereldkampioen gaan spelen.


Terwijl de verkoper het kledingstuk opvouwt kijkt hij op en vraagt lachend of het voor vanavond is. Ik begin te grijnzen. Binnen de kortste keren filosoferen vier mannen (twee verkopers en twee klanten) over "onze" kansen.

"Het wordt weer 3-0," zegt de ene verkoper en de ander knikt. De klant waarschuwt echter voor te veel optimisme. "We gaan echt niet weer winnen met 3-0…"

"Maar we gaan dus wel winnen?" vraag ik. Daarover blijkt gelukkig geen discussie te zijn. Natuurlijk gaan we winnen. Vervolgens filosoferen we nog even of onze tegenstander in de finale Kroatië of Portugal zal worden. Of toch nog Duitsland. Zeker als we onoverwinnelijk zijn spelen we heel graag tegen Duitsland.


Ik zal vanavond mijn nieuwe aanwinst aantrekken, want ik wil natuurlijk niet dat het aan mijn morele steun ligt als we niet winnen.

Oranjegekte is…

Dat de mensen van Buienradar N.V. het plaatje van Nederland oranje hebben gekleurd.

(De buien dragen trouwens de kleuren van Frankrijk, wat ik geen gunstig voorteken vind).

08 juni 2008

Een handicap

Het schooljaar was al drie weken begonnen toen er toch nog een nieuwe leerling kwam. Op dinsdagochtend het eerste uur werd ze door de rector de klas in gebracht. Ze werd overgenomen door de biologieleraar, die ook de klassenleraar was. Hij begroette haar hartelijk alsof hij het meisje al eerder ontmoet had. Hij keerde zich naar de klas en zei dat Anja hun nieuwe klasgenoot was. Ze begon wat later met het schooljaar omdat ze ziek geweest was. Het meisje onderging de aandacht van haar medeleerlingen stokstijf. Haar lengte was imposant, tegenover de leraar was ze maar een klein beetje kleiner. Harm keek onder de tafels door en zag dat ze geen hoge schoenen of laarzen droeg.


 

De biologieleraar keek de klas rond op zoek naar vrije plekken. Harm keek naar de lege plek naast die van hem. Hij keek om en zag dat achter hem ook nog lege plekken waren. Helemaal lege banken. Harm merkte dat het meisje aangestaard werd terwijl de leraar samen met het meisje zijn rij met banken langsliep. Er werd zelfs wat gefluisterd. Zo bijzonder was ze toch niet, dacht Harm. Geen punkharen of zo.


 

"Het lijkt me gezellig dat je naast Harm gaat zitten," zei de biologieleraar. De blik van het meisje kruiste die van Harm één seconde. "Ze vindt het niet gezellig," dacht Harm. "Natuurlijk niet." De leraar zag ook dat het meisje weifelde. "Of wil je echt liever alleen zitten?" Ze schudde haar hoofd en lachte een beetje. Ze haalde haar tas van haar schouder en legde die naast de bank. Haar lange dunne benen die in een strakke spijkerbroek verpakt worden, wurmden zich de krappe ruimte onder de lessenaar in. Harm keek opzij. Het meisje deed even later hetzelfde. De rode blos van verlegenheid op haar wangen viel meer op dan haar glimlach ter begroeting. Wat nog meer opviel was de moedervlek op haar rechterwang. Harm snapte nu waarom de klas daarnet staarde. Hij besefte dat hij het nu zelf deed.

"Uh, hallo," zei hij, en hij keek zijn boek in, want de biologieleraar was inmiddels verder gegaan met de les. Zij zei ook iets wat vast een begroeting was en viste snel haar boek uit haar tas.


 

Het duurde twee weken voordat Harm zijn schrift vergeten was en ze een paar woorden wisselden terwijl zij hem blaadjes uitleende. Harm zat geregeld te peinzen over dingen die hij tegen Anja kon zeggen, maar er was nooit iets bij wat interessant genoeg was en wat hij ook nog durfde te zeggen. Langzamerhand kregen ze af en toe contact. Ze wisselden aantekeningen uit of hielpen elkaar als ze in de klas oefeningen moesten maken. Als hen een aanleiding verschaft werd om te praten, deden ze het ook wel. Ze scheen het ook nog wel leuk te vinden. Voor even dan, want hun gespreksstof doornemen duurde nooit lang.

Nadat hij haar één keer een wiskundesom uitgelegd had, vroeg ze hem daarna regelmatig om raad. "Ik snap iets nog niet," begon ze dan, waarna ze samen het probleem doornamen en ze eigenlijk best snel van begrip bleek. "Je bent een goede leraar," zei ze één keer en toen was het Harms beurt om een rode blos van verlegenheid op zijn wangen te hebben.


 

Ze keken elkaar vaak niet aan als ze woorden wisselden. Anja scheen te snappen dat Harm vooral haar moedervlek zag als hij dat deed. Ze zouden andersom moeten zitten, dacht Harm, hij links en zij rechts in de bank. De poster met het Periodiek Systeem der Elementen raakte vast minder in de war van haar vlek dan hij. Waarom snapten de leraren zoiets niet, want dan werden ze wel andersom gezet. Waarom bracht Anja het niet ter sprake bij de klassenleraar?


 

Hij observeerde haar wel eens in onbewaakte ogenblikken. Dat ging vanzelf. Zijn ogen gingen terloops naar links toe, zoals ze ook wel eens terloops naar rechts of naar voren gingen. Statistisch gezien moest links dan af en toe aan de beurt komen, toch?

Vaak droeg Anja haar halflange blonde haren los en als ze haar gezicht op haar linkerhand liet leunen en op haar pen kauwde, dan bedekten haar haren de rechterkant van haar gezicht en dus ook de vlek. Als hij buiten schooltijd aan haar dacht, zag hij haar zo. In het diepste geheim van zijn gedachten was Anja een mooi meisje. In het diepste geheim van zijn gedachten praatten ze gaandeweg over van alles, over veel meer dan wiskundesommen en over hoe ze de SO hadden gemaakt .


 

Het was februari geworden. Anja was vandaag heel erg stil. Zelfs mensen die heel erg stil zijn hebben dagen dat ze heel erg stil zijn, dacht Harm terwijl hij op zijn pen kauwde en nadacht over limieten, iets wat Anja zonder zijn hulp toch onmogelijk meteen kon begrijpen?

Het zevende uur was Biologie en aan het eind vertelde de klassenleraar dat Anja de school voor een tijdje zou gaan verlaten. De klas reageerde gepast verdrietig. Er waren her en der vragende ogen, maar de leraar maakte geen aanstalten uit te leggen waarom.

Het duurde een paar seconden voordat Anja reageerde op Harms vragende ogen. Haar gezicht was vuurrood. Aan haar cijfers kon het toch echt niet liggen, want ze haalde regelmatig hogere cijfers dan Harm.

"Waarom?" vroeg hij uiteindelijk, en zij wees op haar vlek.

"Ik word geopereerd," zei ze heel zacht. Harm knikte begrijpend.


 

Het was april toen Theo van school gestuurd werd. Tom die daarom alleen in een bank overbleef, kwam naast Harm te zitten.


 

Het was begin mei toen Harm net als de rest van de klas naar Anja staarde, terwijl ze door de biologieleraar naar de achterste lege bank begeleid werd. Zodra ze zat, keerde Tom zich om, om tegen haar te zeggen dat het goed was dat ze terug was. Harm hoorde Anja lachen en tegen Tom praten. Het gesprek ging maar door en door, naar Harms gevoel. Hoe langer Harm wachtte hoe minder hij durfde zich om te keren. Het duurde tot halverwege de volgende schooldag dat hij in een onbewaakt ogenblik kon zien dat op een klein littekentje na Anja's wang nu helemaal gaaf was.

Clicky

Clicky Web Analytics