30 september 2008

De onderstroom

De onderstroom is er. Ik voel hem gaan. Ik voel water dat stroomt, dat niet bevroren is, of opgedroogd, of achter een grote grijze dam beteugeld tot stilstaand, veroordeeld tot langzaamaan groener en viezer. Ik voel dat ik in beweging wil blijven, wil blijven ontwikkelen, een beetje veranderen op zijn tijd als dat nodig is, of gewoon leuk. Op lome dagen is het okee dat de onderstroom kabbelt, vaak is niet te veel doen prima. Alleen moet het niet elke dag een lome dag zijn. Soms moet het harder gaan, dan moet de stroming zo sterk zijn dat er takjes en bladeren en plastic zakken meegevoerd worden. Soms moet je water zien langstrekken en kijken naar de kleuren, naar de golfjes die breken op een onverwacht zanderig stuk, naar het licht van de zon dat breekt op het oppervlak, oogverblindend schitterend.


Ik voel wel wat redenen om te bevriezen of op te drogen. Ik voel de neiging om weg te duiken, mezelf in te graven, het systeem met vier spitsen in te ruilen voor countervoetbal. Ik voel zin om op te gaan in zinloos tijdverdrijf, zin om op te raken door zinloos de tijd weg te tikken. Als de klok maar doortikt, is het goed. Alsmaar televisie aan. De hele avond computerspelletjes spelen om met een leeg hoofd maar met een vreemd volle buik in bed te liggen. De grondhouding is en blijft inertie. Bewegen is een keus en nooit een vanzelfsprekendheid.

Schrijven is de onderstroom opzoeken en kijken wat er zoal voorbij drijft. Soms is het een mooi bootje. Soms op echt spannende dagen een heel eiland om te verkennen. Soms ook is het een vieze plak wier, een dier in nood of een lijk. Vroeger toen ik nog een onbeschreven blad was, begon ik te schrijven en ontdekte wat mijn sores waren. Mijn dromen. Mijn geheim. Schrijven is wroeten in de drek en de modder loswrikken zodat het water daarna weer wat vrijer stroomt. In die zin is schrijven leven.


Vroeger dacht ik niet na over lezers of over publiek. Vroeger dacht ik niet na welke woorden bekoorden, welke woorden koud lieten en welke woorden irriteerden. Vroeger schreef ik wat ik wilde en dus kwam schrijven neer op precies doen wat ik wilde. Schrijven was vrijheid. Vroeger voelde ik me heerlijk vrij als ik schreef.


En nu?


Nu lijkt dat wel eens anders. Het verschil met vroeger is niet zozeer dat ik me bewust ben van een publiek, en ook niet dat terwijl ik zit te schrijven al bang ben voor de reacties. Voor schrijven is dat geen rem (eventueel wel voor publiceren, maar meestal ben ik wat dat betreft niet zo bang uitgevallen).

Vroeger kende ik nog geen grenzen, maar nu begin ik te leren wat ik kan. Of beter gezegd, wat ik niet kan. Ik merk dat ik niet elk onderwerp aankan. Ik merk dat niet alles onder mijn handen in goud verandert. Er zit ook wel eens stukje zilver tussen. En ook nog wel erger dan dat. Brons en blik en schroot dat zelfs de ijzerhandel niet wil opkopen. Iets niet kunnen frustreert. Iets niet kunnen maakt schuw en remt af. Als ik denk aan een onderwerp waarbij het een vorige keer bleef bij het op de achterkant van de pen kauwen, dan ga ik er niet eens meer voor zitten om te proberen er deze keer wel wat van te maken. Zij het dan misschien schroot of blik.

En er is er nog iets.


Ik ben gaan nadenken over bekoren, of andersom gezegd, het vermijden van woorden die koud laten of irriteren. Ik ben gericht geraakt op bekoren. Ik wil niet te vervelend worden, te zouteloos, te dilettantistisch. Ik ben normen gaan hanteren. Niet alleen kwaliteitsnormen. Ik denk na over het allemaal wel een beetje interessant houden en een beetje voor elk wat wils. Ik denk aan aardig gevonden worden.

Terwijl ik schrijf, denk ik al aan behagen. Terwijl ik schrijf, zit ik erop te hopen om alvast gelezen worden. Ik tel mijn comments en ben teleurgesteld want er zijn lang niet genoeg balsemende woorden voor een full body massage, hooguit mijn grote teen mag zich wentelen in narcisme. Ik tel mijn lezers en ben teleurgesteld, want er zijn lang niet genoeg lezers om te verwachten dat ik nog eens als een beroemd man zal ontwaken uit de droom ooit beroemd te worden.


Jammer. Ik hoopte op iets meer. Ik verwachtte iets dat een beetje groter was.


En nu? Nu het dan allemaal niet zo groots en meeslepend blijkt te zijn, maar weer stoppen? Terug naar de televisie, terug naar het tijdverdrijf van spelletjes? Nee. Want misschien hoopte ik dan op iets meer, feit blijft dat ik toch gewoon lezers heb. Aanloop hebben is hartstikke leuk. Af en toe is een lezer hier wel eens een half uur, vertellen mijn statistieken. Als ik optel, kom ik op twee keer fifteen minutes of fame, terwijl de norm één keer is.

Nog belangrijker, lezers zijn nooit de reden geweest dat ik ging schrijven. De reden voor woorden is de onderstroom. Het zoeken naar waar het stilstaat en verrot, of zoeken waar de mui is, vanwaar de draaikolk. Ik wil blijven verkennen. Ik wil blijven zoeken. Als iemand zegt dat er geen woorden voor zijn, wil ik blijven proberen het tegendeel te bewijzen. Koppig en hardnekkig. Schrijven en me vrij voelen kan ook wanneer ik nul lezers heb.


Dus ik blijf. Ik blijf schrijven. Als het daarbij lukt af en toe iemand te bekoren, dan is dat mooi meegenomen.

28 september 2008

Mooiste liedjes aller tijden 2008 (200-191)

Met gepaste trots presenteert Jack Of Hearts u zijn persoonlijke lijst van 200 mooiste liedjes aller tijden. 200 ruige rockers, stoere stampers, tranentrekkende tracks en blaartrekkende ballades. 200 Liedjes om nooit te vergeten en altijd met u mee te nemen op het oor. Liedjes om bij te afwassen of om alles waarmee u bezig bent uit handen te laten vallen om stilletjes te luisteren. Liedjes om mee te blèren, liedjes om bij rond te springen, liedjes om van te huilen, liedjes om van te houden of nog weer eens even te denken aan diegene van wie u ooit hield.


Niet dat mijn mening ook maar enigszins gezaghebbend is, maar het is gewoon leuk is liedjes op een rijtje in een lijstje te zetten. Ik vind het zelf altijd wel leuk om lijstjes van anderen te bekijken. Om te herkennen, te beamen, het er hartgrondig mee oneens te zijn.


Ik knip de lijst in 20 stukjes van 10, vandaag om te beginnen de slechtste 10 van mijn mooiste liedjes (maar ook die zijn al ver-schrik-ku-luk mooi) en op 31 december de allerbeste 10 liedjes die ooit gemaakt zijn. Ik beloof nu alvast dat het niet gaat eindigen met uitgekauwde klassiekers als Bohemian Rhapsody of omhooggevallen klassiekers als Avond.


Ik heb 2 jaar geleden op dit log ook al een lijst gepubliceerd, waarnaar ik soms zal verwijzen, hoewel ik geen puf heb om van mijn hitparade een getallenparade te maken. Als je de vorige lijst nog eens wilt bekijken, volg dan de labels "Top 200".


En dan nu de onderste 10 van de Top 200 van 2008


200. Babyshambles – Delivery (2007)

Band van Pete Doherty, bekend van The Libertines, en behalve van muziek ook bekend van drugs en schandalen. De Libertines wisselden prachtige nummers af met rotzooi en wie dacht dat Pete Doherty zijn leven gebeterd had, heeft het mis, want ook Babyshambles wisselen prachtige nummers af met rotzooi. Delivery is het mooiste nummer van de plaat Shotter's Nation, zwanger van blues en verlangen.


199. Patti Smith – Dancing Barefoot (1979)

Poëtische ode aan maniakale aantrekkingskracht en verliefdheid op het idolate af.


198. Moody Blues – Tuesday Afternoon (Forever Afternoon) (1967)

Ik hou niet van supergroepen die hoogdravende concept-LP's maken vol vaag gedreutel onder de noemer meesterwerk. Ik hou dus helemaal niet van The Moody Blues, ik vind er zelfs geen reet aan. Maar dit nummer is een uitzondering. Dit nummer is een kruising van een verhaal en een muzikale zwerftocht, een mengeling van speels en serieus, iets zwaars dat ondraaglijk licht klinkt.


197. Fischer Z – Marliese (1981)

Helden van het eerste uur. Fischer Z komt meerdere malen voor op mijn eerste bandjes, opgenomen van de radio. Liedjes waarvan het intro ontbreekt omdat de DJ daar doorheen praatte en waar het eind een abrupte klik is. Dat eind probeerde je dan later op het deck van een vriendje dat meer zakgeld kreeg en dus de dure optie uitfaden bezat, nog een beetje recht te trekken. Het digitale tijdperk is dan beter en makkelijker, maar wel minder romantisch.


196. Blondie – One Way Or Another (1978)

In die dagen keek je AVRO's Toppop met Ad Visser, gewapend met grote grijns en Lous Haasdijk-bril. Abba, Tavares en Village People en andere even vrolijke als brave dansacts. Maar dan kwam Blondie en dan klopten jongensharten sneller en verloren gedachten hun calvinistische braafheid. Later in mijn bedje onder de lakens, moest ik wel eens aan Blondie terugdenken en dan wilden mijn handen wel eens niet boven de lakens blijven.


195. TC Matic – Elle Adore Le Noir (1985)

Een lichte tango in een zware drankdoortrokken nacht, waar de meisjes van plezier de wanhoop verleiden tot een dans.


194. Foetus – Descent Into The Inferno (1985)

Jim Thirlwell was in diverse gedaanten die allemaal het woord "Foetus" in de naam hadden zitten, een soort van Marilyn Manson-achtige shockrocker, die 100 stijlen met elkaar vermengde en het geluid van 100 orkesten probeerde te creëren. Zijn muziek balanceerde op de grens van geniale fusion en geluidsterreur en in zijn teksten roerde hij de extreemste thema's aan, maar ze zaten wel vol (zwarte) humor en poëtische vondsten. Om aandacht te trekken zette hij hakenkruizen op zijn platenhoezen, publiceerde foto's waarin hij aan het kruis hing en hij wist het zelfs gedaan te dat een van zijn nummers bij notabene de VPRO geboycot werd omdat er redevoeringen van Hitler doorheen gesampled waren.

Er was een periode dat ik deze man en zijn muziek mateloos interessant vond.


193. Queens Of The Stone Age – No One Knows (2002)

Toprock in het hard-zachter-hardst genre.


192. Klein Orkest – Over De Muur (1984)

Gedateerde tekst nu de Muur al bijna 20 jaar neergehaald is, maar hij blijft mooi en ik brul hem nog steeds moeiteloos mee.


191. Pere Ubu – Non-Alignment Pact (1978)

Had ik vroeger op een bandje, maar nadat de bandjes de deur uitgingen verdween het nummer behalve uit mijn collectie ook uit mijn geheugen. Vorig jaar zomer keerde het terug, omdat ik terugkwam van vakantie, in gesprek raakte met een jongen van amper 20 die ook op fietsvakantie geweest was en die helemaal idolaat bleek te zijn van dit bandje, alhoewel 1978 wel heel erg voor zijn tijd is (het is ook al een aantal jaren voor mijn tijd).

Een punkklassieker van het intelligente soort.

26 september 2008

Bij de kapper

De kapster deed Ruud haar jas om en in zijn nek stopte ze een papiertje tussen het boord. Via de spiegel keek ze hem aan en ze vroeg hem hoe hij het wilde hebben.

"Ruig," dacht hij. "Bovenop de wasdroger bijvoorbeeld, of onder de douche tegen de gladde muurtegels op."

"Van achteren en aan de zijkanten opgeschoren," zei hij. "Maar bovenop moet het wat langer blijven. Springerig."

"Zoals altijd dus," zei ze en Ruud beaamde dat. Ze vroeg of hij koffie of wilde of thee, maar Ruud zei dat hij al vol zat.

"Met koffie," voegde hij er verduidelijkend aan toe. "Niet met thee hoor."


Terwijl ze haar schaar in zijn donkerblonde haren zette, maten haar ogen via de spiegel de lengte die ze af ging knippen.

"Thee drink ik niet. Alleen als ik ziek ben. Als je mij thee ziet drinken, is het niet goed met mij."

"Ik vind thee wel lekker," antwoordde de kapster en daarna klonk alleen haar schaar die dwars over zijn hoofd bewoog om zijn royale haardos uit te dunnen.

"Nou ik niet dus," dacht Ruud, maar hij besloot het niet te zeggen. Waarom irriteerde haar opmerking hem, dacht hij, en hij kwam tot de conclusie dat hem irriteerde dat ze het niet met hem eens wilde zijn. Weer iemand die het niet met hem eens wilde zijn. Weer iemand die niet luisterde. Weer iemand die niet deed wat hij zei.

" Pronte borsten," dacht hij. Mooi woord, pront, hij had het laatst ergens gelezen, maar wist niet meer waar.

"Wat zegt u?" vroeg ze en hij haastte zich te zeggen "oh niets", terwijl hij via de spiegel haar blauwe ogen wijd geopend zag vragen. Hij voelde dat hij warme wangen kreeg en zag dat hij bloosde.

"Echt niks hoor," zei hij vergoelijkend. Hij vertrok zijn mond in een lachstand zodat zij ook glimlachte en verder ging.


"Waarom zegt ze u tegen mij?" dacht hij, maar zij vroeg hem of hij altijd op vrijdag vrij was. Hij zei ja.

"Lekker," zei ze.

Hij bevestigde dat. Hij vertelde haar zijn rooster. Zij vertelde hem dat ze op zondag en maandag vrij was.

"Lekker," zei hij op zijn buurt en de schaar sprak. Ze vroeg of hij nog vakantieplannen had.

"Of bent u al geweest?" vroeg ze erachteraan en Ruud knikte. Ze wilde graag weten waar hij geweest was.

"Mongolië," zei hij. Hij keek in de spiegel, zag haar opkijken en voelde pijn aan zijn kruin bij haar laatste knip.

"Dat is weer eens wat anders dan Lloret de Mar," zei ze.

"Dat kun je wel zeggen," zei Ruud.

Ruud wachtte, maar ze vroeg niet verder. Integendeel, ze knipte met een geconcentreerde langs zijn slaap, in de buurt van zijn oor. Groot en rozerood. Als ze mis zou knippen, dan zou het bloeden als een rund. Of als ze raak zou knippen. Het is maar hoe je het bekijkt, het is een kwestie van gezichtspunt.

"Je bent niet geïnteresseerd," zei Ruud. De kapster keek op.

"In Mongolië," zei hij.

"In mij," zei hij en het klonk verwijtend.


Hij zei tegen haar dat hij had gelogen. Hij was niet in Mongolië was geweest. Zelfs niet in Lloret de Mar. Hij zei dat hij op geen enkele interessante plaats geweest was. Hij had niks te melden. Haar blauwe ogen begonnen tekenen van ontsteltenis te vertonen toen ze hem aankeken via de spiegel. Ze wilde wegkijken maar er was iets in zijn ogen dat haar ogen opnieuw dwong die van hem te bekijken. Ze moest wel. Hij betaalde haar om naar hem te moeten blijven kijken.


"Weet je…," begon hij en hij zocht naar woorden om uit te leggen wat hij bedoelde, wat hem bezielde. Wat hem aanzette tot wippen terwijl hij moest stilzitten. Wat hem zo kwaad maakte. Al sinds het moment dat hij vanochtend zijn ogen opensloeg, was hij kwaad geweest. Gefrustreerd ook.

"Sorry," zei Ruud toen. "Ik moet jou ook niet lastig vallen met mijn problemen. Jij bent nog jong. Jij voelt je nog niet alsof het nooit meer wat zal worden."

"Met wat?" vroeg ze, maar Ruud gaf niet meteen antwoord.

" Ik heb net een vast contract gekregen," zei ze met iets van trots. Ze deed haar schaar de lucht in, met de benen half opengezet.

"Dat is lekker," zei Ruud.

"Heeft u geen baan meer dan?"

"Een baan heb ik," zei Ruud. "Dat nog wel. En de kredietcrisis doet me ook niks."

"Het doet me geen reet. Geen fuck," zei hij erachteraan, met de kwaadheid die hij voelde. Hij keek haar aan. Hij wilde dat ze gechoqueerd en ontsteld was, maar zo zag ze er niet uit. Koeltjes leek ze. Ze leek te overwegen of hij nog meer rare dingen zou zeggen als ze verder ging met knippen. De manager roepen scheen ze niet te overwegen.

Hij zakte wat verder onderuit en zei: "Ik wil stilzitten en geschoren worden".

"Geknipt toch?" zei ze.

"Ja, geknipt natuurlijk," zei hij en hij zat stil.

"Toe maar," zei hij even later.


"Is het de liefde?" vroeg ze. "Dat is het altijd hè?" zei ze voor ze weer naar haar schaar keek in plaats van zijn ogen en hem vroeg of de bakkenbaarden eraf mochten.

"Het is altijd het gebrek aan liefde," corrigeerde hij en hij voelde zich een lul omdat hij zo pedant was. Omdat hij het niet op kon brengen om aardig voor haar te zijn. Het was een mooi meisje, maar misschien omdat ze mooi was had hij zin om vervelend te doen, haar uit haar evenwicht te brengen en van haar à propos.

"Weer één die ik niet kan krijgen," dacht hij. "Weer één die me niet ziet staan". Vervolgens dacht hij aan zelfmedelijden. Zelfmedelijden voelde als slechte leningen die weggekocht moesten worden wilde hij zich weer wat beter voelen. Maar voor hem was er geen overheid met een grote zak geld. Hij stond er alleen voor. Hij wist dat hij in de put zat en zichzelf dieper in de put aan het denken was. Hij moest dat patroon doorbreken, dat wist hij ook.

"Weg met ballast," dacht hij. "Weg met alles dat zwaar maakt."


"De bakkenbaarden kunnen weg," zei hij tegen de kapster, want ze begon enige tekenen van ongeduld te vertonen.

"Dat scheelt toch weer een gram", dacht hij er cynisch achteraan.

"Je moet ergens beginnen," dacht hij.

"Wat zegt u?"

"Je moet ergens beginnen," herhaalde hij en ze keek hem een beetje vragend aan, voor ze haar mesje openklapte en het lemmet naar de haartjes op zijn slapen bracht. Je kon niet zien of ze zorgvuldig gespaard waren of toevallig gegroeid.


"Wat is de overeenkomst tussen bakkenbaarden en zelfmedelijden?" vroeg hij.

"Dat weet ik niet," zei ze.

"Je kunt niet zien of het zorgvuldig gespaard of toevallig gegroeid is," zei hij. Haar lach die al begonnen was omdat ze een clou verwachtte, gleed van haar gezicht.

"Dat is een doordenker," zei ze. "Weet u echt zeker dat de bakkenbaarden weg moeten?"

"Heel zeker," zei hij. Hij bekeek de haartjes terwijl ze verdwenen. Hij voelde zich iets beter.

23 september 2008

De kredietcrisis voor dummy’s

Wat zou een socialist in hart en nieren tegen me zeggen als ik met mijn hele giro- en spaarrekening naar het casino zou gaan om alles op nummer 13 te zetten, maar helaas, het balletje viel op een ander nummertje?

Ik dacht namelijk als het balletje nou wel op nummer 13 valt dan ben ik schatrijk, kan ik eindelijk een mooi jacht kopen en hoef ik lekker nooit meer te werken.


Zou hij zeggen dat de staat nu in het geweer moet komen om mij te redden van de ondergang? Dat met het geld van de belastingbetaler aangewend moet worden om mijn plotselinge cash flow probleem te verhelpen? Ik dacht het niet. Ik verwacht gevleugelde kreten als eigen schuld dikke bult aan te moeten horen.


Voor deze ene keer zou hij wars van staatsinmenging wezen.


Maar wat zegt de kapitalist in hart en nieren als de grote banken van zijn land met hun hele financiële reserve naar het casino zijn gegaan om alles op nummer 13 te zetten, maar helaas, het balletje viel op een ander nummertje?


Eigen schuld dikke bult? Zou hij zoals immer wars van staatsinmenging wezen?


Nee, de belastingbetaler zal helaas voor de schuld moeten opdraaien. Wanneer de collectezak langskomt, gelieve een extra duit in het zakje te doen, want die arme directeuren van die banken hebben het namelijk heel erg moeilijk. Het is best zielig als je al je geld kwijtraakt. Tot overmaat van ramp moeten ze ook nog weg. En in die kringen gaat dat niet met een grote welverdiende schop onder de kont, maar met een zak vol miljoenen.

16 september 2008

Z’n gangetje

Hij wist nog goed dat hij reed op een brede voorrangsweg waar het net een beetje donker werd. Als hij zijstraten passeerde, passeerde hij haaientanden. Zijn koplampje met sensor twijfelde tussen aan en uit, wist hij nog. Hij wist nog dat hij omkeek naar de lucht achter hem, schoongeveegd op wat schapenwolkjes na. De wolkjes kleurden geel, oranje en rood. De langzaamaan diepblauwe lucht kondigde een koude nacht aan, gevolgd door opnieuw een mooie dag om te fietsen.

Hij wist zeker dat hij zich ook weer omdraaide, dat zijn aandacht terugkeerde bij de weg en waar hij ging. Hij zoefde lekker. Hij zoefde relatief weerstandsloos. Hij zette nog een beetje aan in de hoop een kick van zijn eigen snelheid te krijgen.


Vanaf toen wist hij het niet precies.


Hij wist nog wel dat hij zich ervan bewust dat hij lag. Hij was zich er ook van bewust dat dit een vreemde plek was om te liggen. De stemmen van de mensen om hem heen, dichtbij en ver weg, herinnerden hem aan de brede voorrangsweg, herinnerde hem aan het zoeven. Maar wat gebeurde er tussen dat zoeven en nu?

Hij had geen pijn. Hij begon zich af te vragen of zijn indruk van daarnet, dat dit een goed teken was, wel klopte. Zijn onrust werd gevoed door al die stemmen vlakbij, die ook onrustig klonken, opgewonden en vol hectiek. Iemand noemde straatnamen. Even later werden diezelfde namen herhaald, nu luider en langzamer en overdreven gearticuleerd. Eén van de straatnamen herkende hij als de naam van de brede voorrangsweg.


De stemmen maakten hem onrustig. Het feit dat hij niks voelde, nu ook. Zijn onrust werd paniek toen hij besefte dat hij zijn rug wel voelde liggen, maar zijn benen niet. Hij herademde toen hij zijn elleboog voelde. Daar jeukte het. Het tintelde. Vervolgens vlamde er pijn op. Vreemd dat het voelen van pijn hem zo geruststelde.


Pas toen sloeg hij zijn ogen open. Het voelde als iets wat hij een minuut geleden ook al gekund zou hebben, maar hij was er simpelweg niet opgekomen het te doen. Hij keek in de gezichten van mensen die om hem heen stonden of hurkten. Een oudere mevrouw lachte hem welwillend toe. Een jongeman keek weg met een getroffen blik. Vanaf dat moment jeukte het in zijn gezicht. Hij proefde iets in zijn mond wat wel eens bloed zou kunnen zijn.

"De ambulance is in aantocht," zei iemand.

"Het komt wel goed," zei een ander geruststellend.

Een derde riep "Hoe heet je, ze willen weten hoe je heet, kun je ons dat vertellen?"

"Sam," dacht hij, maar hij zei het niet. Dat kon hij niet. Dat wist hij zonder proberen. Zijn ogen vielen weer dicht.


Het was beter zo. Het zien van de gezichten van al die mensen maakte hem vooral onrustig. Hij zou wensen dat hij ook hun stemmen niet kon horen. Hij hoorde tamelijk ver weg bij hem vandaan iemand zeggen dat het maar twee biertjes waren. Hij herhaalde dat drie keer en zei toen dat het er dan misschien drie waren geweest. Hooguit drie.


"Het komt wel goed," herhaalde een vrouwenstem. Hij probeerde te lachen in de richting in de richting van haar stemgeluid, maar lachen kostte te veel moeite. Hij voelde dat ze hem aanraakte, zijn pols, vlak onder het stuk arm waar hij nu heel veel pijn had. Hij probeerde op te houden met piekeren over het feit dat hij zijn benen nog steeds niet voelde.

Sam had als verstokt fietser soms gefantaseerd dat hij ooit onder een auto zou komen. Hij had altijd gedacht dat hij woedend zou zijn wanneer hij geschept door een auto die even niet oplette, op de weg zou liggen, met maandenlange revalidatie voor de boeg en een vooruitzicht van misschien wel nooit meer fietsen. Nu was het zo ver, maar woedend was hij niet. Hij was zoals altijd. Hij liet het leven komen zoals het zich aandiende.


Toen dacht hij aan doodgaan. Een sirene ver weg werd in hoog tempo luider.


Met alle kracht die hij kon mobiliseren, balde hij zijn vuist rondom de hand van de vrouw die had gezegd dat het goed zou komen.

13 september 2008

Ein möpchen Musik

Stel het is een nog grijze ochtend en je bevindt je in een Duits dorpje dat z'n geld verdient aan skiërs, maar in tijden dat het met de sneeuwhoogtes slecht gesteld is, wil het ook best verdienen aan fietsers en wandelaars. Je loopt door één van de twee winkelstraten. Je oor vangt muziek op. Je kent de muziek, maar je kunt het niet meteen thuisbrengen.


Je ogen draaien in de richting van de muziek en zien de onvermijdelijke molens met ansichtkaarten. Naast en onder de molens staan boxen, groot en zwart, de apparatuur die ervoor zorgdraagt dat deze winkelstraat die zich liever nog een keertje op zijn zij zou willen draaien, met een moppie muziek opgepord wordt tot opstaan.

"Oh nee," denk je op zo'n moment. Je kreunt het maar de wekker weet niet ophouden. Inmiddels ken je ook het liedje. Het is een heel bekend liedje, Losing my religion. Alleen de uitvoering is een klein beetje minder bekend. Ditmaal wordt het gezongen door een mannenkoor vol tenoren die begeleid worden door een drummachine op standje één en synthesizers die een klanktapijt met zo veel echo produceren dat zelfs James Last het een beetje te veel van het goede zou vinden. De boxen ronken ervan, van al die echo.

"Oh nee".


Denk een studio vol Duitsers met samen 750 jaar shantykoorervaring, die een soort aardappel in de keel hebben gestopt ten einde de Engelse tekst van het liedje ook Engels te laten klinken. Misschien dat deze exercitie voor Duitse oren gelukt is maar mijn oren betreuren het ontbreken van nasynchronisatie .

Terwijl aan de andere kant van de straat de eigenaar van de winkel met een etalage vol boxers en leggings rinkelend de rekken met afgeprijsde stukken naar buiten rijdt, gaat het in close harmony of liever gezegd close vals nog een octaafje hoger.

"Oh neeeeee", schreeuwt het diep binnen in je, terwijl je uiterlijk kalm blijft en doorloopt. Wat sneller. Nog sneller. Snelst, want jouw oren buiten bereik van deze auditieve terreur brengen, is het devies. Als het "Zets mie in zie corner" de lucht maar net zo schaars meer vult als de vogel ver weg, kijk je naar de wolken, waartussen volgens de weersverwachting de eerste stukken blauw zichtbaar zouden moeten zijn.


Loodgrijs is de lucht.

07 september 2008

Liedje in het hoofd

Zoals heel veel mensen, heb ik meestal een liedje in mijn hoofd. Vroeger vond ik dat irritant, maar tegenwoordig weet ik dat ik alleen op zware piekerdagen geen liedjes in mijn hoofd heb, dus wel liedjes in mijn hoofd hebben is een goed teken.

Soms blijft een liedje in mijn hoofd zitten nadat ik het gedraaid heb, maar een liedje in mijn hoofd krijgen gebeurt vaker nadat ik het ergens toevallig hoor. Een voorbeeld. In mijn vakantie zat ik op zeker moment in een Belgische friettent op friet met twee gehaktballen te wachten (ja ik doe duur in mijn vakantie, één gehaktbal nemen is mij te Hollands zuinig). Op de radio begon een liedje te spelen wat door de twee bedienende dames harder werden gezet. Ze vroegen aan de klanten of dat goed was en ik vond het best en de rest van de wachtenden ook. Toen zetten ze het liedje nog wat harder zodat het lawaai van de frituur en afzuiginstallatie en pratende mannen bij de fruitautomaat erdoor overstemd werd. Het was een liedje waarbij ik niet de titel en uitvoerende kon herinneren, maar ik had het geloof ik al wel eens eerder gehoord. Wel een leuk liedje, in ieder geval werd ik er vrolijk van. Het had wel iets. Ook iets niemendallerigs en iets wat misschien te gemakkelijk was, maar het had daarnaast zeker ook iets aanstekelijks, iets puurs en iets onbespotens.


De dagen na mijn snackbarbezoek, tijdens het fietsen door het Ardens heuvelland, kwam het liedje geregeld terug in mijn hoofd. Door de wind meegevoerd uit het dal. Het ritme van het liedje als metronoom wanneer het tempo daalde en het einde van het binnenblad in zicht kwam en soepel trappen zwoegen werd. Het ritme van het liedje was iets te snel voor dit soort momenten, maar daar weet mijn hoofd wel raad mee. Liedjes in mijn hoofd worden geremixt totdat ze passen bij de omstandigheden. Zodoende kon het liedje ook in mijn hoofd kruipen tijdens de afdaling, wanneer mijn fiets vanzelf liep en de kilometers moeiteloos gevreten werden en het leven goed was.

Na thuiskomst kostte het niet veel moeite om het bewuste liedje op te sporen. Omdat het op de radio was en door snackbarbedienden leuk gevonden werd, nam ik aan dat het liedje in de hitparade stond. Dus googelde ik een top 40 lijstje en de grootste kandidaat uit dat lijstje vond ik Amy MacDonald – This Is The Life, omdat de naam van de zangeres zowel singerigsongwriterig als Schots klonk, wat aardig paste bij de sfeer van het liedje en het accent waarmee het gezongen werd. Eén download later klonk in mijn huiskamer dezelfde stem en gitaar als in de inmiddels weer verre friettent had geklonken en hetzelfde vakantiegevoel kwam terug, hoewel ik nu thuis zat, de werkweek weer begonnen was en de regen enthousiast tegen de ramen sloeg.


De directe aanleiding voor dit stukje is echter een ander liedje in mijn hoofd. Het liedje dat er nu in zit en niet uit wil. Een liedje uit de jaren 80, dus wie weet heeft het feit dat het in mijn hoofd zit, wel iets te maken met het verantwoording afleggen over linkse aksie cq. misdaad, een bezigheid die sinds mijn vakantie opeens in zwang is geraakt. Hoewel, van Frank Boeijen werd in de jaren 80 veel gezegd maar niet dat het een anarchistische kraker was.

De aanwezigheid van één van zijn liedjes (Kronenburg Park) in mijn hoofd is raadselachtig, want ik ben nooit fan ben geweest van Frank Boeijen, integendeel. Ik heb nooit LP's of CD's van de goede man aangeschaft en ik heb het liedje ook nooit op een cassettebandje gehad. Ook heden ten dage heb ik het liedje niet in mijn muziekcollectie zitten. Ik heb het liedje vroeger alleen maar veel op de radio gehoord. Tot vervelens toe.

Vroeger vonden heel wat mensen Frank Boeijen leuk, maar tegenstanders had hij ook best, en die hadden altijd één gemakkelijk object van spot. Frank Boeijen zong namelijk niet al te verstaanbaar. Ik herinner me nog dat ik in die tijd met een vriendje een zogenaamd radiostation had (preciezer gezegd, op bandjes namen we radioprogramma's op) en één van onze grapjes was een jingletje van Frank Boeijen, door onszelf ingezongen, wat ongeveer klonk als:

".enk nie. wi…."

".enk nie. zwa…"

".enk nie. zwa..wi…"

"Maa. In de kluj van ju haaj"

"Maa. In de kluj van ju haaj"

Waarin zeer goede verstaanders wellicht zijn grote hit uit ongeveer 1983 zullen herkennen.


Maar dit terzijde. Terug naar de stadio, terug naar Kronenburg Park, het liedje dat ik in mijn hoofd heb. Ik blijk de tekst ook helemaal te kennen, ondanks de vermeende onverstaanbaarheid. Met name één specifieke tekstregel uit het liedje keert voortdurend in mijn hoofd terug:

"De woorden die bij jou horen zijn goedkoper dan ik dacht".


Vroeger heb ik nooit ook maar "één seconde" (zong hij) bij deze zin stilgestaan, maar nu word ik er alert op gemaakt, word ik erdoor getroffen, gegrepen wellicht.

Is dit een geweldige zin of een geweldig staaltje poëzie van de koude grond? Hoewel het woorden-horen rijm wel een beetje zeer aan mijn taalcentrum doet, neig ik inmiddels naar het eerste, want ik ontdek dat het een zin is die een breed toepassingsgebied heeft. Frank Boeijen gebruikt de zin om er een hoer mee te karakteriseren, want Kronenburg Park is een liedje over hoeren. Maar afgezien van tijdens wandelen langs een roodverlicht raam, blijken er talloze momenten te zijn waarop je deze zin kunt denken of uitspreken:

  1. Als je naar een toespraak van John McCain kijkt
  2. Als je naar een toespraak van Sarah Palin kijkt
  3. Maar ook net zo goed als je naar een toespraak van Barack Obama kijkt
  4. Bij de meeste reclamespotjes
  5. Als je bij de afhaalchinees een Panorama pakt en een artikel begint te lezen
  6. Als je in een overleg zit en de zeurkous van de zaak is op de praatstoel gaan zitten
  7. Als je de onderwerpregel van een spammailtje leest
  8. Als je een topman van een groot bedrijf over de noodzaak tot loonmatiging hoort spreken
  9. Als je Wouter Bos hoort praten over de maatregelen die het kabinet tegen de graaicultuur gaat nemen
  10. Als je een foldertje van de Postcodeloterij ondanks Nee-Nee sticker op de deurmat jackpot ziet schreeuwen
  11. Als je bij wijze van projectevaluatie mensen uitspraken hoort doen over hun glansrol destijds, terwijl jij er toen ook bij was en er dus een beeld van hebt
  12. Nadat je per ongeluk www.geenstijl.nl hebt ingetikt
  13. Als je de teksten bij de plaatjes van McDonalds menu's leest
  14. Als Erica Terpstra jouw breedbeeld volledig vult terwijl ze "Wat was het fantastisch" zegt
  15. Als je na een tijdje afwezigheid weer eens nieuws over Emile Ratelband leest, anders dan het nieuws dat de man dood is
  16. Als je Hyvesprofieltjes leest
  17. Als je Gerard Joling geïnterviewd ziet worden in De Wereld Draait Door
  18. Als je in datzelfde programma iemand ziet vertellen hoe het rechtstechnisch mogelijk is dat hij aan Harry Mulisch geld kan vragen voor een verhaal dat door hemzelf geschreven is
  19. Als je Radovan Karadzic iets tegen een rechter ziet zeggen
  20. Als Philip Freriks vervolgens zijn jolige bruggetje naar weerman of –vrouw slaat

Met andere woorden, in ieder geval heel vaak wanneer de TV aanstaat. Als ik nou ooit nog een keer een beetje bekend wordt met schrijfsels, lijkt het me een aardig grafschrift (hoewel ik daarvoor misschien geld moet betalen aan een op dat moment waarschijnlijk ook al dode Frank Boeijen).


Tip: de zin doet het ook heel aardig als commentaar zijn bij een minder geslaagd stukje van een niet bevriend medelogger.


Update: Ik lees op Wikipedia dat het verschijnen van de single "Kronenburg Park" aanleiding was een actiecomité "Popster ken uw stad" op te richten, want het park heet namelijk Kronenburger Park.

Ik heb zo'n vermoeden welke verzuchting ik zou slaken wanneer ik van de notulen van de vergaderingen van dit groepje ga doornemen...

Clicky

Clicky Web Analytics