27 februari 2009

Weer een jaar wijzer

Het is al lang geleden dat ik me verheugde op jarig worden, maar dit jaar heb ik er wel weer eens zin in. Vanaf morgen ben ik namelijk The Answer To The Ultimate Question of Life, The Universe, And Everything.


Als dat geen mooie leeftijd is, weet ik het ook niet meer.


Wat de vraag is waarop ik vanaf morgen het antwoord ben, weet ik helaas nog niet, maar misschien volstaat het dat ik de Hitchhiker's Guide To The Galaxy weer eens herlees. Hoewel, erg gemakkelijk bleek het niet te zijn, zo ondervond Arthur Dent toen hij Prak ontmoette:


(…)

"It's… well, it's a long story," he said. "but the question I would like to know, is the Ultimate Question of Life, The Universe and Everything. All we know about it is that the Answer is Forty-two, which is a little aggravating."

Prak nodded again.

"Forty-two," he said, "yes, that's right."

He paused. Shadows of thought and memory crossed his face like the shadows of clouds crossing the land.

"I'm afraid," he said at last, "that the Question and the Answer are mutually exclusive. Knowledge of one logically precludes knowledge of the other. It is impossible that both can ever be known about the same Universe."

He paused again. Disappointment crept into Arthur's face and snuggled down into its accustomed place.

"Except,"said Prak, struggling to sort a thought out, "if it happened, it seems that the Question and the Answer would just cancel each other out, and take the Universe with them, which would then be replaced by something even more bizarrely inexplicable."

(…)

Een goede ruil

"Het ziet er naar uit dat Rik weggaat," zei Rutger. Hij begon zijn tweede bordje macaroni op te scheppen.

"Rik?" vroeg Eva met volle mond. Ze peinsde. "Dat was toch die jongen die zo goed was."

"Dat is inderdaad die jongen die zo goed is," zei Rik. "Zo'n jongen die je niet weg laat gaan, hooguit misschien als het werk op is, maar dat is het niet."

Hij zag Eva kijken.

"Wil jij ook nog wat?" vroeg hij haastig. Hij hield zijn opscheplepel in de pan. Soms zei ze wel eens: "Ja lekker ik heb nog wel zin in wat". Eigenlijk hoopte hij dat vandaag niet zo'n dag was.

"Waarom moet hij dan toch weg?"

Ze zag Rutger kijken.

"Nee, ik hoef niet meer hoor. Als je nog wel maar wat sla overlaat?"


Rutger knikte grootmoedig. Hij zei dat de problemen met contracten te maken hadden. Rik was extern en binnengekomen via zijn vorige werkgever. Deze werkgever deed nu moeilijk. Rutger probeerde Eva uit te leggen hoe het zat, maar die breidde al snel met een hulpeloos gezicht haar armen uit.

"Nou ja, de kern van het verhaal is dat die vorige werkgever dwars ligt en dat het er nu op uit kan draaien dat Rik niet meer bij ons kan blijven werken, omdat hij dan een boete van 5000 Euro per dag moet betalen."

"Hij is vast niet zo goed dat hij zoveel per dag verdient," zei Eva.

"Nee," zei Rutger. "Zó goed is hij nou ook weer niet."

Hij pakte de slakom en schepte Eva nog wat salade in. Hij wist dat ze dol was op de zwarte olijven, dus daar schrapte hij er extra veel van bij elkaar.

"Het bezuinigt wel op personeelskosten," zei Eva. "Als een dure kracht als Rik weggaat…"

"Het werk gaat niet weg," zei Rutger scherp. "Rik doet dingen waarvan het bedrijf echt wel wil dat ze gedaan worden. Iemand als Rik verdien je gewoon terug. Crisis of niet."

"Er moesten toch externen uit?"
"Er ging onderzocht worden of er externen uit konden," verbeterde Rutger. Hij keek Eva nu scherp aan.

"Je klinkt haast als mijn baas," zei hij. "Je klinkt als de advocaat van de duivel, " liet hij erop volgen, wat guitiger dan zijn vorige uitlating. Eva keek hem sussend aan. Het leek wel alsof het gedoe met Rik Rutger echt aan zijn hart ging.


"Ik heb trouwens nog een nieuwtje," zei hij. "We hebben een vacaturestop, maar toch komt er een nieuwe interne medewerker bij."

"Oh," zei Eva. "Dan is die nieuwe interne medewerker zeker zo goed dat ze voor hem een uitzondering hebben gemaakt…"

"Je kent hem," zei Rutger. "Dus je kunt zelf oordelen."

"Wie is het dan?"

"Willem in 't Diepe," zei Rutger en Eva zei om te beginnen "Hè?" Haar vork die olijfjes had geprikt, staakte zijn activiteiten. Ze ging achterover zitten met iets van verslagenheid. Heel erg goed kende ze Willem in 't Diepe niet eens. Ze hadden vier keer handjes geschud en hij bleek vier keer haar naam vergeten te zijn. Hij had haar vier keer met zijn ogen uitgekleed.

"Dat kan niet," zei Eva beslist. Ze keek met donkere ogen voor zich. Meneer in 't Diepe was namelijk de reden dat ze de examinatoropleiding was gaan volgen. Ze wilde eigenlijk gewoon behandelaar blijven, maar er was een reorganisatie gaande en het gerucht ging dat deze in 't Diepe tot afdelingschef benoemd zou worden. Er was niemand die hem als chef wilde, maar hij had verreweg de meeste dienstjaren.

"Rutger, dan kan echt niet," zei Eva fel. "Zeg me dat dit niet waar kan zijn."

"Ik heb begrepen dat ze hem op het hoofdkantoor hebben proberen te ontslaan, maar die zaak hebben ze voor de rechter verloren. En nu moet hij ergens heen. Hij heeft recht op minimaal een coördinatorfunctie. Hij wordt bij ons gedumpt. Het maakt blijkbaar niet eens uit dat er een vacaturestop is."

Rutger prikte boos met zijn vork alle resterende hamblokjes bij elkaar.

"Ze hebben onder andere Rik intern willen maken," zei hij. "Maar toen stond de vacaturestop dat wel in de weg". Zijn vork martelde de hamblokjes.

"Krijg je veel met hem te maken?"
"Gelukkig niet," stoof Rutger op. "Als ik mocht kiezen tussen Willem in 't Diepe en een chimpansee als coördinator, dan ging ik voor de chimpansee want dan kost het je alleen nootjes en bananen."

Eva stiet een lachgeluid uit, maar haar ogen stonden nog steeds donker. Ze herinnerde zich nu weer dat elke keer als ze langs zijn kamer liep, die ogen opkeken, hoe hard ze zelf haar best ook deed om niet te kijken. Tracking, locking, following.


"Er is één voordeel, je zult wel leuke moppen gaan horen," zei ze.

"Ik heb wel wat gehoord over die moppen van hem," zei Rutger. "Maar geen juichende recensies…"

"Wat is een ander woord voor geilen op aanslagen?" vroeg Eva met een imitatie van Willems stem, in de buurt van de Vieze Man. Rutger kon een grijns niet onderdrukken. Hij had Willem in 't Diepe een keer of drie gesproken. Of beter gezegd, aangehoord, want Willem was iemand die gesprekken voerde om zijn eigen sores te berde te brengen. Als je zelf wat zei, deed hij deed niet eens moeite om te veinzen dat hij luisterde.

"Hamasturberen," zei Eva en in het geheel niet onverdienstelijk imiteerde ze Willems vette grijns. Haar gehoor keek zoals meestal sprakeloos toe.

22 februari 2009

Herman

"Kennen jullie Herman nog?" vroeg Suzan opeens, zomaar ergens tussenin het eerste en het volgende glas wijn te veel. Ze was een blondine met vormen die alleen op strategische plaatsen wat bovengemiddeld uitvielen.

Het duurde even voor er reacties kwamen, maar al gauw zat iedereen te knikken. Ja, Herman, die kenden ze nog wel…

"Wel altijd aardig", zei Anouk, donker en stoer en Michèle – ook donker, maar tenger en romantisch - was het daar mee eens.

"Maar niet echt een lekker ding," zei Lianne die van zichzelf in niet eens heel erg aangeschoten toestand wel eens gezegd had dat ze een cadeau was voor alle mannen, en er waren vrouwen die toen niet in de lach waren geschoten. Birgit, hoogblond, neusgecorrigeerd en als altijd tip top opgemaakt, viel haar beste vriendin bij met "Nee, niet wat je noemt Stier Herman."


Terwijl de grappenmaaksters begonnen te schudden, kwamen er van de anderen kwalificaties als:

"Een beetje vaag wel altijd," en

"Ik heb nooit hoogte gekregen van die jongen" en

"Je kon best leuk met hem kletsen maar ik vond het eng als hij te dichtbij kwam".

Het werd eventjes stil. Er werden wat blikken gewisseld, waarvan je je kon afvragen wat ze te betekenen hadden en of het waard was dit te weten. Er werden glazen aan monden gebracht.

"Ik kwam hem laatst tegen in de trein," zei Suzan.


"Oh nu weet ik het weer," riep Michèle uit. "Herman is die jongen die altijd bezig was aan een boek."

"Een thriller, niet, met een plot dat je eerst helemaal niks weet en alleen maar kleine aanwijzingen krijgt, totdat je half gek wordt, maar dan wordt alles duidelijk en blijkt alles te kloppen."

"Hij schreef toch fantasy? Er kwam toch een trol in voor of zo, Kobold of zoiets?"

Het gezelschap kon het niet eens worden over de aard van het boek dat Herman schreef. De een dacht aan een historische roman, de ander aan science-fiction, een derde aan een zwart boek vol walging en existentialisme.

"Nee dat kan echt nooit, hij maakte immers altijd grapjes."

Herman vertelde altijd wat anders over het boek waarmee hij bezig was, herinnerde men zich nu. Op het ene feest ging zijn boek over iemand die aan het eind begreep hoe Grote Vragen in elkaar staken. Een andere keer was de hoofdfiguur een anti-held, iemand die niets geloofde en niks wilde, al helemaal niet de wereld begrijpen. Hij kreeg het op de een of andere vage manier altijd wel gedaan om wilde seks met fantastische vrouwen te hebben, maar dat was eigenlijk alleen om erachter te komen dat ook dit zinloos was. De nieuwe bijbel, was ook nog zo'n plan, een boek over godsdienst en waarom deze primitieve menselijke uitvinding zijn langste tijd gehad had. Naar verluid had hij die plannen laten varen omdat hij bang was de aandacht te trekken in een moslimland.

Uiteindelijk kwam Herman tot de conclusie dat de grote dingen in het leven nog even moesten wachten. Nee, die kleine dingen waren ook de moeite waard. Hij had nu al drie verhaaltjes af en hij ging als een speer.

"Hij heeft mij een keer verteld dat hij te veel dronk om 's middags te kunnen schrijven, en 's avonds kwam het er niet van".

"Oh, hij heeft mij juist verteld dat hij meer moest gaan drinken en experimenteren met drugs, want hij had ervaringen nodig."


Intussen zat Suzan te schuddebollen van het lachen. "Weet je wwwat het…". Haar wijnglas kantelde vervaarlijk zodat Lianne bij wie het gezelschap te gast was, haar tot de orde riep. "Weet je wwwat…", begon ze weer maar Lianne zei dat ze haar glas moest neerzetten. Ze wees naar het tafeltje. Suzan keek wat verstrooid naar haar glas en besloot het weer stevig vast te pakken.

"Weet je wat het eerste wwwas dat hij zei?" vroeg ze met glinsterende ogen, blind voor Liannes donkere blik. Ze deed eigenlijk nooit wat Lianne zei.

"Dat hij bezig was met een boek?" vroeg Birgit.

"Echt?" vroeg Anouk.

Michèle lag vervolgens als eerste van het gezelschap in een deuk en de rest deed met haar mee.

Anouk was de eerste die haar spraak hervond. Ze verdedigde Anouk Herman door te stellen dat het in ieder geval niet saai was, een boek te willen schrijven. "Nee, dan al die dooie lullen die in de ICT zitten en daar nog trots op zijn ook."

"Wat is er mis met iemand die in de ICT zit," stoof Birgit op, want haar vriend zat daarin en als Anouk wat zei, kwamen er wel vaker driftblosjes op haar met poeder nog bleker gemaakte wangen.

"Daar zit Herman nu ook in, in de ICT," zei Suzan. "En ik heb een half uur lang ge-Oracle moeten aanhoren over databases. Van alles met sleutels. Die vraag van mij of hij nog steeds schreef, heeft me gered!

"Had hij een net pak aan dan," wilde Lianne weten.

"Dat is allang niet meer zo in de ICT, dat van die mannen in blauwe pakken…," begon Birgit, maar Suzan beaamde dat Herman gekleed in een pak tegenover haar in de trein had gezeten. Dit was voor de vriendengroep een bijna surrealistische gedachte.

"Dus hij had zich ook geschoren?" opperde Michèle.

"En misschien zelfs gewassen," bracht Birgit in, met een venijnige blik met Anouk die – zo herinnerde iedereen zich inmiddels – vroeger meer met Herman op had dan de rest. Iedereen had kennis gemaakt met zijn avances, die men zich, vroeg of liever gezegd laat, en aangeschoten, had moeten laten welgevallen. Iedereen had Herman op haar manier afgewezen. Of?


Het was nooit opgehelderd of de no-nonsense wildebras, altijd in voor een stuntje, soms wel iets te veel met Herman had gedaan. Niet dat ze niet vrij was om te doen en laten wat ze wilde, maar ze had toen een vaste en stabiele verkering met Arie, pas sinds kort haar ex-man.


Maar Anouk negeerde Birgits fonkelende ogen. Ze wilde weten hoe het stond, met dat nieuwe boek van Herman.

"Ik heb wel gelachen hoor," zei Suzan eerst, maar toen Anouk aandrong en de rest niet openlijk ongeïnteresseerd leek of probeerde van onderwerp te veranderen, speelde Suzan na hoe Herman in de trein, met zijn altijd wat hyperactieve stem die soms zo contrasteerde met zijn ietwat slome voorkomen, over zijn boek had gepraat:

"Nou, er is dus een moord gepleegd en er zijn dus zes verdachten, of nou ja, ik kan er nog meer verzinnen maar ik heb er liever juist minder, want als je weinig verdachten hebt en de lezer kan toch niet raden wie het gedaan heeft, is dat des te spannender natuurlijk… ik kan ook wel de president laten vermoorden in een voetbalstadion, dan heb je 60 duizend verdachten… Anyway, terug naar het onderwerp. Ik heb dus zes mensen die het gedaan kunnen hebben, en er zijn er twee die al snel afvallen als verdachte, dan heb je er dus vier over. En één van die vier is de moeder van het slachtoffer en dat gaat me dus net even te ver, om het hààr aan te doen, het gedaan te hebben, ze is namelijk lief, echt lief, weet je wel… Dus heb ik er nog drie, maar ja, degene met het slechtste alibi is degene die al de bad guy lijkt en die het dus juist niet gedaan moet hebben, of je moet weer trapjespsychologie gaan toepassen maar dan wordt het zo ingewikkeld… Ik heb er dus twee, en voor één van die twee, een man, heb ik een ijzersterk motief verzonnen, ikzelf dan, het verhaal weet het nog niet, als je begrijpt wat ik bedoel, maar het alibi van die man is eigenlijk ook ijzersterk, echt zo'n alibi waar je trots op bent dat je het verzonnen hebt. Ik zit dus met het probleem, dat ik de moord eigenlijk het liefst in de schoenen van die andere, de vrouw, schuif, maar zij kan niet datzelfde motief hebben, dat ijzersterke motief, en dat alibi kan ik haar ook niet geven, en het alibi dat ze wel heeft, is eigenlijk een beetje saai. Ze is überhaupt eigenlijk een beetje saai. Ik moet meer over haar verzinnen. Ik moet haar beter leren kennen…"

"Wat een belangwekkende problemen zeg," smaalde Lianne en ze stak haar fraaie neusje de lucht in, maar Michèle, die in haar puberteit botersmeltende liefdesverhaaltjes schreef, scheen wel iets te snappen van de keuzes waarvoor Herman stond.

"Het is best moeilijk om zo'n verhaal geloofwaardig te houden," bracht ze in.

"Tja, en als het niet geloofwaardig is, wordt het nooit opgemerkt, en verdien je dus niks," zei Anouk.

"Net alsof dat wat uitmaakt," spuwde het allerfraaiste neusje, Birgit, haar venijn. "Als je toen vroeg hoe ver het boek nou was, dan was hij altijd op pagina 3 of zo, en als je vroeg hoe lang hij nog nodig had, dan keek ie je aan alsof je een complete fucked up bitch was…"

Anouk keek Suzan aan, alsof ze haar wilde vragen of het deze keer anders was met Herman. Suzan keek wat ongemakkelijk in haar glas (Hoe zat dat met die wodka-jus-nacht op 3 Noord, dat uit de klauwen gelopen feest waar iedereen het nu nog steeds wel eens over had… Was Herman toen met Michèle meegegaan of met Lianne of leek dat achteraf allemaal maar zo?).


"Zie je wel," smaalde Birgit. "Hij is alweer bij pagina 3. Nog maar 300 pagina's te gaan. En 3000 dagen. Maar het zit allemaal in mijn hoofd hoor." Haar laatste uitlating probeerde ze Hermans hyperactief te laten klinken.

"Wees blij dat ie de ICT nog heeft," smaalde Anouk terug. "Altijd vastigheid".

Birgit wierp haar vriendin een vernietigende blik toe, want Birgits vriend dreigde na zes jaar trouwe dienst ontslagen te gaan worden.

"Herman zei dat hij misschien ontslag zou nemen, als het boek eenmaal goed in de steigers stond. Hij klaagde dat hij RSI kreeg, als hij overdag voor zijn werk achter de computer zat en dan 's avonds voor zijn hobby ook nog."

"Tja, er is altijd wel wat met die slappe zak," zuchtte Lianne met een veelbetekenende blik op het plafond. Birgit staarde chagrijnig voor zich heen en Anouk had zo te zien ook iets om over na te denken.


"Het is een loser, die Herman," zuchtte Suzan toen, en ze keek rond. Twee administratieve medewerksters, iemand van human resources, en een medewerkster van een call center. Zelf was ze secretaresse.

"Kwam ik maar in een verhaal voor,"zei ze toen. "Desnoods van hem."

20 februari 2009

Het spreekwoord luidt dan ook Oost West thuis best

In de bodemloze bouwput van de Noord-Zuidlijn zijn behalve wat historische panden al zoveel miljarden verdwenen dat nu de optie in beraad is om de put maar gewoon weer dicht te gooien en de hele zaak met de mantel der mislukking te bedekken. Kost trouwens ook al 1 miljard, de put gewoon dichtgooien.

Maar stel dat het onderzoek naar of het nog zin heeft om door te gaan, afgerond is en ze besluiten van wel, wanneer zou de lijn dan klaar zijn en de stad weer een beetje begaanbaar?

Ze zijn begonnen in 2003 en toen dachten ze in 2011 klaar te zijn. Dat is dus 8 jaar werk.
Nu zitten we in 2009 en wanneer denken ze nu klaar te zijn? 2017. Mmm, nog steeds 8 jaar werk.

Jongens, morgenochtend stap ik met mijn schepje op de eerste trein en zo halverwege de ochtend meld ik me op de Vijzelgracht om een handje te helpen met dat weer dichtgooien. Ik hoef er geen geld voor, zodat het met dat miljard misschien dan nog een beetje meevalt.

17 februari 2009

Narcisme voor gevorderden

Ze wil gewoon wat elke vrouw wil: Iemand anders dan ik.

13 februari 2009

Web presence

Hij was de man die het verst het perron op gelopen was. Ondanks dat hij in zijn eentje tegen een pilaar leunde, werd hij zich nerveus van alle ruimte achter zijn rug. Hij liep verder totdat hij helemaal aan het eind van het perron was, waar de stationsoverkapping ophield en de wind vrij spel had. Hij draaide zich om, zodat hij het perron zag en hij in zijn rug alleen maar rails had, honderden meter spoorweg tussen hem en de wereld.


Hij sloeg zijn kraag op en deed zijn sjaal beter om. Met zijn handen beschermend rondom de top van zijn sjekkie stak hij een sigaret op. Dat mocht niet, want hij stond niet bij een rookzuil. Terwijl hij gretig inhaleerde, voelde hij blikken van stationschefs. Hij hoorde hen roepen, hoorde het snerpende geluid van een fluit. Hij zag uit de massa ver weg mannen in uniformen zich losmaken, naar hem op weg. Ze vroegen zijn naam maar hij antwoordde dat hij die liever niet zei. Hij zei dat hij niemand tot last was, hij was tientallen meters bij de dichtstbijzijnde passief meerokende longen vandaan.


Hij was al meer dan tien jaar niemand tot last.


Hij dacht weer terug aan die dag dat de zitting was. Tijdens de middagschorsing rookte hij met de parketwachters een sigaret. De meneer, een brede stoere kerel met een snor, gaf hem een vuurtje en de mevrouw, een blozende rondborstige blondine, leunde tegen de wachtkamerstoelen en zodra hij haar aankeek, zei ze tegen hem dat zij ook een dochter van elf had. Hij kon het niet volhouden haar in de ogen te kijken, want die ogen vertelden hem wat zij voelde bij de gedachte dat iemand als hij bij haar dochter in de buurt zou komen.

Toen zei ze tegen hem dat hij wat haar betreft vergast mocht worden. Ze zei het koel en kalm en bloedserieus. Hij had opgekeken. Hij had geprotesteerd. Hij had zich verdedigd. Hij had herhaald wat hij ook aan de rechter verteld had, dat hij wist hoe jong ze was, maar dat zij hetzelfde had gewild als hij. En hij voelde zich misselijk worden toen hij die woorden uitsprak.


Er was wel wat veranderd. Niet aan zijn fantasieën, maar wel aan de manier waarop hij ermee omging. Hij had na zijn gevangenisstraf een nieuw huis en een nieuwe baan gevonden, administratief werk. Hij was opgehouden met zich ophouden in de buurt van scholen en met door speelgoedzaken wandelen. Hij meed kinderen. Hij ze bewust links liggen en negeerde de aandrang diep binnenin hem om hen aandacht te trekken, naar hen te kijken, een glimlach te ontlokken. Hij had zijn lesje geleerd. Hij geloofde nu dat het beter voor iedereen was dat hij zijn fantasieën niet in daden omzette. Het was wel goed zo. Hij kon het wel aan zo. Als nou iedereen hem maar met rust liet en ook niet ging zeuren over wat er thuis op zijn PC op zijn harde schijf allemaal stond, dan was het prima zo. Geen centje pijn.


Tot hij plotseling op die site stond. Met naam, adres en delict.

Hij had het gehoord van Theo, die er zelf niet opstond, want Theo was nooit veroordeeld. Eerst had hij het luchtig opgenomen, maar in de uren daarna was hij steeds nerveuzer geworden. Toen Theo aanstalten maakte om op huis aan te gaan, had hij hem gevraagd of hij die avond niet wilde blijven, alleen vanavond maar. Het duurde een paar seconden van schichtig rondblikkende ogen voordat Theo een smoesje verzonnen had.

En dus was hij alleen toen hij de jongens buiten hoorde schreeuwen. En dus hoorde niemand zijn onderdrukte gil toen de eerste modderkluit tegen zijn ramen uiteenspatte. Op een gegeven moment besloot hij om het licht uit te doen, maar dat was een verkeerde zet, want dat was het sein voor de jongens om van modderkluiten op stenen over te gaan. Hij vluchtte naar de keuken, want bij de ramen achter was het nog rustig. Hij schrok op bij elke nijdige tik van de kleine kiezeltjes op zijn woonkamerramen. Vreemd genoeg voelde hij opluchting toen er eindelijk een steen gegooid werd die groot genoeg was om zijn raam te versplinteren, want inderdaad vonden de jongens het toen genoeg en gingen weg. Maar vervolgens zat hij wel vier maanden met een dichtgespijkerd raam, want ook glaszetters hadden Internet en een voor een weigerden ze om te komen.


Hij was inmiddels wel een beetje gewend aan de wegkijkende ogen en de haast waarmee mensen hun kinderen bij elkaar zochten wanneer hij in hun buurt kwam. Zijn leven was altijd al een leven alleen geweest.

Maar als hij 's ochtends in bed lag, werd hij soms panisch bij de gedachte aan opstaan, want wie weet was er weer iets nieuws gebeurd. Misschien waren zijn vuilnisbakken wel weer omgekeerd. Misschien was zijn auto weer met een autosleutel bewerkt. Misschien waren zijn bloemetjes weer eens uit de borders gerukt.

Nu wilde hij verhuizen. Hij moest wel. In een andere stad vond hij een redelijk huis in een achterafbuurtje. De verkoper leek enthousiast, zeker nadat hij de vraagprijs geboden had. Het leek geregeld. Een dag later kreeg hij een telefoontje. De koop kon helaas toch geen doorgang vinden. Nee, geen hogere bieder, maar de verkoper had er gewoon toch niet zo'n goed gevoel bij…

"Kan het zijn dat u op Internet gekeken heeft, dat u mijn naam ergens heeft gezien?" had hij gevraagd, en daarna hoorde hij hoe de verbinding verbroken werd.


En nu? Hij wist het niet meer. Hij had zijn huis te koop gezet en had een bod van een huisjesmelker die de woning wel wilde verbouwen tot studentenwoning. Ondanks dat het bod ver onder de marktprijs was, zou hij heel graag ja zeggen want dan was hij ervan af. Maar waar moest hij dan heen? Huren betekende legitimeren, maar legitimeren betekende dat deuren zich sloten. Met trillende vingers tastte hij naar zijn doosje maagtabletten, dat alweer bijna leeg was.


De trein denderde binnen terwijl hij zijn tablet weg kraakte. Hij zag mensen oprukken in de richting van de deuren. Zoveel mensen. Hoe dichter hij ze bij elkaar zag komen, hoe meer schroom hij voelde zich aan te sluiten bij de massa. Het pak mensen bij de deuren leek zich collectief af te sluiten voor hem, hoewel niemand naar hem omkeek toen hij als laatste aanstalten maakte in te stappen. Hij vatte moed.


Toen zag hij toch een ogenpaar. Het waren de grote ogen van een nieuwsgierig kind die omkeek en hem aanstaarden. Hij staarde terug in die ogen. Hij wilde wegkijken maar zijn hunkering was te groot. Hij voelde zich betoverd door die grote blauwe ogen, die onbevangen nieuwsgierig naar hem bleven kijken totdat mama aan haar arm trok en ze weer voor zich keek en de trein instapte.

Hij bad in stilte dat ze de coupé binnen zouden gaan maar zag met lede ogen dat ze een plekje zochten op de klapstoeltjes op het balkon. Hij aarzelde, hoewel hij nu ruim baan had om als laatste van de reizigers in te stappen. Hij zag op het balkon één laatste vrij stoeltje op hem wachten, recht tegenover dat meisje, dat van mama een lolly kreeg voor de reis. De sensatie dat vandaag de dag kon zijn dat zijn dromen opeens uitkwamen, dreigde hem van zijn verstand te beroven. De deuren stonden wijd open, maar zijn voeten weigerden dienst toen ze de treeplank moesten beklimmen. Hij hoorde het meisje iets aan mama vragen.


Hij draaide zich bruusk om, aarzelde toch nog een keer, maar zag, toen hij aanstalten maakte alsnog snel de trein in te glippen, de treindeuren sluiten. Verderop ging de conducteur wijdbeens op het perron staan en bracht zijn fluit aan zijn mond.

"Nee," zei hij met een bezwerend gebaar, maar vervolgens hoorde hij zijn fluit rollen en snerpen. Hij hoorde over het geluid heen de stem van het meisje van de webpagina zijn naam voorlezen, zijn adres, zijn delict. Hij moest moeite doen om rustig te wandelen, niet te rennen, toen hij terugkeerde naar zijn plek aan het eind van het perron.

10 februari 2009

De vooruitgang

"Is het hier?" vroeg Eva. Ze hadden de bosrand bereikt, van een jong bosje dat er uitzag alsof het vreesde de winter niet te overleven.

"Nee, het is over de beek," zei Rutger beslist.

Ze hadden hun bergschoenen aan, dus ze besloten dwars over het drassige weiland te baggeren. Eva stopte abrupt om met haar ogen half dicht naar de verderop opvliegende vogels te turen. Ze gebruikte haar hand als zonwering toen tussen de opgetaste pakketten donkergrijze wolken plotseling de zon prikte. Rutger keek om.

"Rietganzen denk ik," zei hij terwijl hij naar Eva keek en hoe mooi ze was, zo in die felle zon. In de stralen was al iets van warmte te voelen, een voorbode van betere tijden.

"Heb jij verstand van vogels?" vroeg ze en Rutger haalde zijn schouders op. "Niet zo hoor, maar ik zit wel eens voor het keukenraam op een stoel in mijn tuin te kijken. Ik vind het wel rustgevend om naar rondhuppende musjes te kijken."

"Goh," zei Eva. Ze lachte. Het was haar dat had ik niet achter jou gezocht lach.


"Hier dan?" vroeg ze een kwartiertje later hijgend. Ze hadden een zompig paadje vol diepe tractorsporen bedwongen en vervolgens een bosje met bruine bladeren en polsdikke dode takken op de grond. Aan de rand van het bosje was de beek. Ze hadden het bruggetje genomen en ze stonden nu middenin een weiland met gras dat al heel lang niet gegeten was door koeien of schapen. De rietganzen zaten in het weiland voorbij de sloot dat een stuk kaler was.

"Misschien wel," zei Rutger. Hij dacht na. Hij keek Eva aan maar dacht vervolgens na over de vraag of ze straks als ze weer thuis waren zin zou hebben om met hem naar bed te gaan. Maar nee, hij werd niet geacht zich daarover het hoofd te breken.

Hoe stond het ook al weer op het kaartje in de krant? Hij probeerde voor de geest te halen hoe de beek ook al weer kronkelde, maar dat lukte hem niet goed. Maar toen herinnerde hij zich de molen. Hij tuurde om zich heen en zag een stukje verderop, aan de rand van het smalle stroomdal van de beek, inderdaad de molen staan. Kleiner dan hij gedacht had. Veel meer vervallen ook. Hij wees.

"Daar is de molen," zei hij, "en dus… ". Rutger keek om zich heen en al mompelend in zichzelf reconstrueerde hij het kaartje.

"Ja, hier is het," zei hij even later beslist. "Hier komt de snelweg."


Ze kwamen tegenover elkaar te staan en ze waren allebei stil. Wel een minuut lang spraken ze geen van tweeën. Ze keken naar de lucht, naar de rietganzen, naar elkaar.

"Waar denk jij aan?"

"Ik hoor de herrie al," antwoordde Rutger. "Al dat zoeven en gieren."

Hij draaide een kwartslag en keek voor zich alsof hij al een snelweg vol met auto's zag. Hij keek de auto's tegemoet en na, steeds sneller, totdat het geluid van Eva's lach het gesnater van de rietganzen overstemde.

"Je mag blij zijn als ze zo hard kunnen rijden," zei Eva. "Ik denk dat ze ook heel vaak zullen stilstaan. Een lint van koplampen zo ver het oog reikt." Eva zette weer haar handen voor haar ogen. Ze tuurde. De rotganzen leken stil te worden van haar visioen. Heel even leek het alsof de polder, met haar bosjes en weilanden en met de beek, een minuut stilte in acht ging nemen. Maar toen won de wind aan kracht en in grillige vlagen bracht ze het geluid van de ganzen mee terug.

"Leve de vooruitgang," zei Eva. Ze klonk treurig. Haar vingertoppen botsten met die van Rutger. Rutger ving haar handen op en streelde ze. Zonder wanten waren ze koud. Ze waren rood.

"We hebben elkaar nog," zei hij en Eva schoot in een heldere lach, wat de melodramatische toon in zijn stem teniet deed.

"Kom," zei ze toen ze uitgelachen was. Ze liepen naar de sloot aan het eind van het weiland. Langs de oever was een pad dat vergeleken met de vorige paadjes tamelijk droog leek. Zodra ze het pad namen, voelde hij haar vingers kietelen. Haar hand nestelde zich knus in de zijne.

06 februari 2009

En toen

Het was op een moment dat het speelkwartier was op de Lagelandschool, een moment dat het regende dat het goot, een moment dat heel Groep 1 massaal in het fietsenhok verzameld stond, een moment dat de meisjes met natte haren kauwgom ruilden en de jongens met natte haren ruzieden over kwart procentjes knikkers. Op dat moment schraapte de klasseoudste, Jan Peter, zijn keel, nam het woord en zei dat de School met de Bijbel hem om hulp gevraagd had.

"Ze willen dat we met hen mee het bos ingaan. De Tweestromenlandschool zit daar weer heel vervelend te doen. Naar verluid bouwen ze hutten op plaatsen dat het niet mag en zijn ze heel brutaal tegen fietsers en kampeerders."

"En last but not least," zei hij gewichtig, want hij had met zijn papa en mama een jaartje in het buitenland gewoond, "Ze hebben hele grote katapulten."

Toen Jan Peter gevraagd werd hoe hij dat wist, zei dat de klasseoudste van de School met de Bijbel hem dat verteld had, en die had het weer van Xia J., het meisje van Chinese afkomst dat een Polaroidcamera had en wel eens het bos inging. Ze had de katapulten van die belhamels van de Tweestromenlandschool gefotografeerd. Naar verluid.

"Waarom noemt u Xia niet gewoon Jonker?"

"Ze doet graag geheimzinnig," antwoordde Jan Peter.

"Dat is niet het issue," zei Jaapje. "De issue is dat de School met de Bijbel ons om hulp gevraagd heeft, en als een bevriende school zoiets doet, dan moeten wij alles wat in onze macht ligt doen om behulpzaam te zijn."


Als Jaapje iets zei, dan gebeurde het meestal niet, want Jaapje werd eerlijk gezegd niet zo serieus genomen. Jan Peter ook niet altijd, maar naast Jan Peter stond altijd Menno, een jongen die nooit wat zei maar hij was wel een kop groter dan de grootste belhamels en ook nog een stuk breder.

"Jaap heeft gelijk," zei Jan Peter, maar hij vond daarmee geen weerklank. Vervolgens probeerde hij een gloedvol betoog, maar de klas was unaniem van mening dat als ze allemaal het bos in zouden gaan, dan zouden hun kleertjes vies worden en hun mama's boos en al zou iedereen natuurlijk zijn kruisboog meenemen, die katapulten klonken toch wel heel erg eng hoor. Deed vast heel veel pijn als je daardoor geraakt werd.

"Mijn idee," zei Jan Peter met zijn hoogste en meest opgewonden stemmetje, "We doen alles wat in onze macht ligt. Het zou niet opportuun zijn om militaire steun te geven, maar natuurlijk geven we wel politieke steun, want de jongens en meisjes van de School met de Bijbel zijn onze beste vrienden".

"Maar worden onze kleertjes daar vies van?" vroeg de klas en Jan Peter zei van nee. "Geen vieze kleertjes," oreerde hij. "Geen mama's die boos worden. Geen militaire steun. Maar wel politieke steun," Waarna iedereen hem met open mond aankeek, maar ja, iedereen had dan ook zessen en zevens voor taal en Jan Peter had voor zijn laatste opstel een tieneneenhalf gekregen.

"Geen militaire steun, maar wel politieke steun," herhaalde Jaapje triomfantelijk. "Nou daar kunnen jullie toch onmogelijk nee op zeggen."

Maar als Jaapje iets zei, gebeurde het meestal niet en ondanks dat Menno nog een keer zijn spierballen liet rollen, moest Jan Peter aan het einde van het speelkwartier toen de bel luidde, ondervinden dat maar de helft van de klas het met hem eens was. De andere helft, die iets groter was dan die ene helft maar Jan Peter hield het gemakshalve maar even op fifty-fifty, moest er allemaal niks van hebben. Er waren er zelfs een paar die niet eens geloofden dat Xia die katapulten echt gezien had, laat staan gefotografeerd.


De dag daarop nam Jan Peter tijdens het speelkwartier opnieuw het woord. Aan zijn gezicht, de wallen onder zijn ogen schuilgingen achter de spiegelende glazen van zijn hoornen bril, kon je duidelijk zien dat hij door zijn mama veel te laat naar bed gestuurd was. Want de klasseoudste van de School met de Bijbel was langs geweest, samen met Xia J. en Jan Peter had de foto's gezien, zei hij, maar toen de klas vroeg waar die foto's waren, zei Jan Peter plechtig dat dit geheim was.

"Maar hoe groot zijn die katapulten dan?" wilde iedereen graag weten en vervolgens gleden Jan Peters bleke polsjes uit de mouwen van zijn schooluniform, zo breeduit strekte hij zijn handen om de klas aan te wijzen hoe groot de katapulten van de belhamels van de Tweestromenlandschool waren.

"Nou dan moeten we de School met de Bijbel die politieke steun van jou maar geven," zei Annabel, "Want ze hebben veel meer leerlingen dan wij en je wil niet weten wat er gebeurt als die lui boos op ons worden."

Vervolgens werd Annabel helemaal rood, want Jaapje had haar gezoend.


Een dag later nam Jaapje het woord en met enige triomf deelde hij zijn klasgenoten mede dat hij iets bij de School met de Bijbel ging doen. Mentorassistent. Niemand wist wat het was, maar Jan Peter zei dat het een grote eer was en dus klapte de klas in haar handen en zongen ze Jaapje toe en hij mocht zelfs voor deze ene keer meedoen met hinkelen in het grote hok.


Op een mooie vrijdagmiddag stond een hele groep leerlingen van de School met de Bijbel klaar om het bos in te gaan, maar eerst werden ze nog even toegezongen door Groep 1 van de Lagelandschool. De maandag daarop was het grote nieuws dat die nare lui van de Tweestromenlandschool helemaal in de pan waren gehakt. Vooral de klasseoudste, die een vreselijke etterbak was, zelfs volgens de grootste brutaaltjes van de Lagelandschool, hadden ze enorm te grazen genomen. Ze hadden hem vastgebonden aan een boom en hem compleet verrot geslagen.

"Zijn verdiende loon," zei Jan Peter vroom. "Want zo gaan we op onze school niet met elkaar om."

"En waar waren de katapulten nou? Ze zijn toch wel allemaal vernietigd?" vroeg Annabel.

"De katapulten zijn nog niet gevonden," zei Jan Peter. "Maar maak je geen zorgen, we blijven zoeken."


Toen Jan Peter in Groep 2 terecht kwam, werd hij tot klasseoudste gekozen. Hij had wel wat last van gekissebis over dat van die politieke steun toen, want nadat men alle greppels in het bos doorgelopen was en alle hutjes had doorzocht, waren er nog steeds geen katapulten, hoewel Jan Peter bleef beweren dat hij ze zelf gezien had, op de foto's van Xia J. Het was zelfs zo dat de klasseoudste van de School met de Bijbel bij het schoolhoofd had moeten komen om eens uit te leggen hoe dat nou allemaal zat.

"U moet ook naar het schoolhoofd," zei Annabel, maar Jan Peter zei dat daar niets van in kwam. Hij liet Menno eens flink met zijn spierballen rollen totdat iedereen nogal bleek naar hem keek. Vervolgens zei Jan Peter dat er in het fietsenhok niet meer gesproken mocht worden over katapulten.

"Waarom niet?"

"Dat is een afspraak die wij samen maken," zei Jan Peter gewichtig. "En aan afspraken moet je je houden. Want zo gaan wij op deze school met elkaar om."

En toen ging de bel. De mam van Jan Peter stond tussen de andere mama's bij het hek. Ze was blijkbaar bij Intratuin geweest want ze had een grote bloempot onder haar arm. Ze zwaaide naar haar zoon en zei: "Snel Jan Peter, hier komen, want je moet nog naar de kapper".


En toen kwam Jan Peter in groep 3 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.

En toen kwam Jan Peter in groep 4 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.

En toen kwam Jan Peter in groep 5 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.

En toen kwam Jan Peter in groep 6 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.

En toen kwam Jan Peter in groep 7 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.

En toen kwam Jan Peter in groep 8 terecht en werd hij tot klasseoudste gekozen.


En toen begonnen zijn medeleerlingen nog maar weer eens te zeuren over die katapulten van vroeger, en dat van die politieke steun, en of dat nou allemaal wel zuivere koffie was geweest, die besluitvorming toen. Jan Peter werd er gek van. Horendol. Steeds maar weer die vragen hoe dat nou was gegaan op die avond dat de klasseoudste van de School met de Bijbel langs geweest was en hij zo vreselijk laat naar bed was gegaan. Steeds maar weer die suggestie dat hij naar het schoolhoofd zou moeten om uit te leggen hoe de vork in de steel zat.

"Ik wil niet naar het schoolhoofd," zei hij kalm, en hij zei ook "Ik peins er niet over" en "Daar komt niets van in".

De afgelopen jaren was dit afdoende gebleken, en anders was er altijd Menno nog, maar nu hielden ze echt niet op.

"Het was gewoon een smerig dealtje om Jaapje een mooi baantje te bezorgen," schreeuwde Annabel, die nu punk was, met heel wild haar, en ze had een gebroken geweertje geschilderd op de wang waar Jaapje haar ooit gezoend had. Anderen schreeuwden dat ze gewoon de waarheid wilden weten. "Je hebt toch niks te verbergen, Jan Peter?" vroeg Abje, een vriendje van Jan Peter. Hij stond er nu schraler dan ooit bij, met zijn bleke polsjes ver uit de brede mouwen van zijn schooluniform hangend. Maar vervolgens draaide Abje zich schielijk om:

"Wat heb ik nou gezegd over roken in het fietsenhok?" voer hij uit tegen Romke en Remke die vervolgens schielijk hun sigaretten uitmaakten.


En toen schraapte Jan Peter zijn keel en beloofde plechtig dat hij morgen in het speelkwartier aan zijn klas zou vertellen hoe de vork in de steel zat en wat de waarheid was. En wie weet ging hij dan ook nog wel naar het schoolhoofd toe.


En toen was het een prachtig zonnige dag en het was heel druk in het fietsenhok.

"U gaat opening van zaken geven," zei Annabel verheugd en Jan Peter repliceerde verheugd dat hij inderdaad aan waarheidsvinding ging doen. Het was inmiddels namelijk al zo ver dat de meester Jan Peters opstellen niet eens meer nakeek en gewoon meteen een tieneneenhalf opschreef.

"Ik heb de meneer van de damclub bereid gevonden de zaak te onderzoeken," zei Jan Peter. "Hij zal nog eens het bos ingaan om te kijken hoe dat nou zat met die katapulten…"

En nog maar eens een keer breidde Jan Peter zijn armen uit om te laten zien hoe groot ze waren. De klas keek elkaar aan. De meneer van de damclub? Wie was dat? Kende de klas de meneer van de damclub? Annabel nam de leiding en keek de klas rond. ? Wie van de leerlingen zat er eigenlijk op dammen? De enige die zijn vinger opstak was Jan Peter zelf. En even later Menno ook, maar dat kwam hem op hoongelach te staan.

"Hoezo de meneer van de damclub?" viel Annabel naar Jan Peter uit. "Hoezo gaat de meneer van de damclub het bos in om te kijken hoe het nou zat met die katapulten? Die meneer van de damclub is gewoon een vriendje van uzelf. Ik wil helemaal geen meneer van de damclub. Ik stel u de vraag hoe dat nou zat met die foto's van Xia J. en u moet daar gewoon antwoord op geven…"

"Ook voor vragen over de besluitvorming van destijds kunt u zich wenden tot de meneer van de damclub," zei Jan Peter plechtig en hij keek toe hoe Annabels ogen steeds groter werden terwijl haar mond met een klap dichtviel.

"Het is een zeer gerespecteerde meneer," zei Jan Peter. "Hij zit ook in het kerkkoor. Het is een goede meneer. Ik zou bijna zeggen een gave gozer."

Annabel en ook haar vrienden en vriendinnen keken Jan Peter sprakeloos aan.

"Hij brengt aan het eind van het schooljaar een rapport uit, de meneer van de damclub," zei Jan Peter. "Dus nog eventjes geduld, nog maar 214 nachtjes slapen voordat jullie nieuwsgierigheid bevredigd zal worden en jullie alles zullen weten."

Clicky

Clicky Web Analytics