27 maart 2009

Revu

Ooit was Revu het blad dat mijn wereld groter maakte. Mijn wereld was toen nog klein. Ten eerste was ik nog een kind. Ten tweede woonde ik in een klein Fries dorpje. Ten derde ging ik net als mijn ouders elke zondag twee keer naar de kerk. Mijn hele wereld bestond uit nuchtere, nijvere, hardwerkende blanke mensen die elke zondag twee keer naar de Gereformeerde kerk gingen. Onze ontspanning bestond uit zwemmen, uit Ganzenbord en Monopoly, en een ijsje, als het tenminste geen zondag was want kopen op zondag mocht niet. We waren lid van de bibliotheek. En we hadden de leesmap.


Mijn moeder vond het maar niks, de Revu en de Panorama uit de leesmap. Soms bladerde ze ze wel eens door, maar de bladen gingen altijd weer snel terug in de map om ingeruild te worden voor de Libelle of Margriet. Mijn vader noemde de Revu "profaan". Ik vond dat een mooi mysterieus woord, want ik wist niet wat het betekende maar voelde aan de manier waarop hij het uitsprak dat het iets betekende waarmee ons soort mensen niet geassocieerd wilden worden. Mijn vader maakte van de Revu een verboden vrucht. Vandaar dat op zekere leeftijd, ik denk vanaf ongeveer mijn tiende, de Revu een magische aantrekkingskracht op mij begon uit te oefenen.


Met rode oortjes ging ik hem doorbladeren. Ik zag foto's van mensen die er anders uitzagen dan mensen die elke zondag twee keer naar de kerk gingen en ik las hun uitspraken die klonken alsof ze zelfs helemaal nooit gingen. Ik las gespierde taal. Ik las liederlijke taal. Ik las vloeken in vette vrolijk gekleurde letters, terwijl ik er nog heilig van overtuigd was dat vloeken niet mocht en dat dit bovendien iets was wat niemand vrijwillig zomaar zou doen.

Ik las en zag van allerlei dingen die niemand uit mijn dorp of in mijn nabije omgeving deed. De Revu hield er destijds van om de "gewone man" te choqueren met verhalen en foto's over mensen met een extreem andere levenswijze. Ik herinner me nog goed dat ik las en over mensen die van hun haren hanenkammen maakte en foto's zag van de veiligheidsspelden in hun lip en wang en neus. Dat was punk, een nieuwe extreme rage uit Engeland. Met een mengeling van verbazing, fascinatie en geschoktheid las ik over een band die zich Sex Pistols noemde en die blijkens de beschrijving muziek maakte waar de honden geen brood van lustten, maar desalniettemin in heel Engeland beroemd en vooral berucht geworden waren, want ze deden rauwe uitspraken en vernielden hotelkamers. Ik was te jong en groen om me een voorstelling van hun muziek te kunnen maken. Ik fantaseerde erover en kwam uit op een of andere atonale brij. Jaren later bleek de Sex Pistols lekkere muziek en herkende ik mijn fantasie van destijds terug als free jazz, wat ik tot op de dag van vandaag absoluut niet te pruimen vind.


Na de rock 'n roll kwam de drugs. Huiveringwekkende maar toch ook wel enigszins romantische verhalen over zwervers. Rijke stinkers die coke snoven om nog harder te kunnen werken. Verhalen over Herman Brood die zo vaak in Revu stond dat het leek alsof hij een vaste rubriek had. Met rode oortjes las ik over zijn spuitavonturen. Wat een leven had die man.

Met de interesse voor seks was het trio seks, drugs & rock 'n' roll compleet, na Vader, Zoon en Heilige Geest een nieuwe Drievuldigheid in mijn leven. Naar de tieten waar mijn ouders met steeds meer dedain op afgaven, ging ik steeds meer verlangen. In de Panorama stonden veel meer en grotere tieten dan in de Revu, maar omdat de Revu altijd meer dan rudimentaire moeite deed om ook nog een verhaal bij de plaatjes te hebben, bleef dat blad me beter bevallen. Al brak er een periode aan dat ik de Revu af en toe mee naar boven nam met andere intenties dan de spannende verhalen lezen.


De interesse voor de Revu, inmiddels Nieuwe Revu, hield vrij abrupt op, ik denk toen ik vijftien was. Verhalen in boeken waren spannender en rijker dan de verhalen in tijdschriften. De leesmap kon mijn wereld niet langer groter maken. Ik had andere lectuur, andere media en andere activiteiten nodig. De Nieuwe Revu verdween uit mijn leven, om weer terug te keren toen het blad sensatiezucht had ingeleverd voor de wens een kwaliteitsblad te zijn. Als ik me goed herinner zo'n 10-12 jaar geleden begon ik het blad regelmatig te kopen omdat er best goeie verhalen stonden en ook mooie foto's. Mooi gemaakte foto's waarbij de tieten niet bloot hoefden te zijn om er toch van te genieten. Trouwens weer drugsverhalen. Het was niet de affiniteit met verslaving waarom ik Paul Blanca's verhalen zo graag las, want inmiddels had ik ondervonden dat ik van soft drugs al zo leip word dat ik die hard drugs echt niet hoefde. Maar de verhalen waren ziedend en zinderend. Ze waren geschreven met de vaart van de hartslag kort na de inspuiting, zo voelde het. Heerlijk om zo'n goede schrijver te lezen. En er was meer. Drie pagina's Nieuwe Revu was achtereenvolgens Boudewijn Büch, Jan Rot en Gummbah. Geen Drievuldigheid maar wel fijn om te lezen en te kijken.

Frenk van der Linden met zijn interviews. Hij haalde meer uit mensen dan menigeen. Als hij een politicus interviewde, dan kwam er ook iets uit, meer dan prietpraat en prutspoeperij om de volgende verkiezingen te halen.


Met het verstrijken van de 20e eeuw ging het bergafwaarts met Nieuwe Revu. Als ik ging zitten met de Nieuwe Revu had ik hem vaak in 20 minuten al weer uit, en de 20 minuten werd 10. De kwaliteit was weg. De verhalen waren niet meer spannend en hadden geen sjeu meer. Een goed geschreven artikel werd steeds zeldzamer. Na een artikel van Paul Blanca dacht ik vaak "Kon ik maar zo schrijven," maar nu dacht ik dat ik beter zelf in dat blad kon gaan staan met een verhaal.

Ik zegde mijn abonnement op en werd een paar weken later opgebeld, in het kader van een actie van de redactie. Ze hadden in korte tijd veel leden verloren en ze probeerden het tij te keren. Ze wilden me terug, maar ik zei nee. Voor de tweede keer verdween de Nieuwe Revu uit mijn leven zonder dat ik taalde naar een terugkeer.


De laatste vijf jaar heb ik het blad maar een keer of vier gelezen en daarnaast kijk ik het soms even in als ik in de snackbar wacht op patat shoarma. Het huidige niveau ken ik niet goed. Ik weet eigenlijk niet of de Nieuwe Revu, die trouwens weer Revu heet, tegenwoordig spannend is om te lezen.

Maar volgende week ga ik het blad weer kopen, want dan gebeurt wat ik een jaar of zes geleden geërgerd verzuchtte: Ik ga er zelf in staan met verhaal. Mijn fifteen minutes of fame voor volgende week bestaat uit één kolom Revu.

22 maart 2009

Naamplaatje

Tik-tik-tik.

Het was koud, want dit stuk straat was door de zon op dit uur nog niet bereikt. Het zou niet lang meer duren, want bij het café waren ze al bezig de tafels en stoelen buiten te zetten. Tussen de hoge gevels echode het gebrom van de auto's. Een Mercedes, dacht Hans en hij luisterde het geluid een beetje weemoedig na. Om even later in elkaar te krimpen bij het horen van een hectische housedreun. Hij hoorde het onderstel van de bijbehorende auto piepen bij het nemen van de verkeersdrempel. Toen de auto vervolgens vol gas gaf, resoneerde de sportuitlaat als gorgelwater in zijn maag. Langzaam spoot het geluid van hem weg en werd het weer stil in zijn straat. Relatief stil, want het geluid van hoge hakken kwam hem tegemoet op het trottoir aan de andere kant van de straat. Ta-dak-dak-ta-dak-dak-ta, luisterde hij. Het geluid wilde geen maat houden met zijn eigen tik-tik-tik.

Hans reikhalsde toen hij het pleintje bereikte en de zon in zijn gezicht voelde. Hij merkte dat hij van weeromstuit nog altijd zijn ogen tot spleetjes kneep. Hij deed ze weer open. Hij verdubbelde zijn tik-tik-tik bij het tussen de bloembakken laveren. Hij bereikte de ribbeltegels en voelde de wind, nog kil, langs zijn broekspijpen waaien. Spillenbenen in te wijde pijpen, leek het. Misschien klopte dat, want hij was het afgelopen jaar nou niet bepaald vaak buiten geweest. Hij werd weemoedig van de gedachte dat hij ook zijn broeken op Marktplaats zou moeten zetten. Zijn duikpak, fietskleren en skispullen achterna. En zijn boeken natuurlijk. Al die boeken.

Om zijn emoties in bedwang te houden, snoof Hans frisse lucht op als een roker rook. De geur van spek vulde zijn neus en als vanzelf dreef hij een beetje naar links af. Hij rook nu ook ham. Hij herinnerde zich de etalage, op dit uur schemerig onder de zware overkapping, vol van het roze en rood van allerhande vlees. Zo veel vlees dat Hans de geuren niet meer kon onderscheiden. Tot hij lever rook en dat was vervolgens het enige dat hij nog kon ruiken. Hij wilde weg, maar tikte een fietsenrek aan. Voetje voor voetje zocht hij zijn weg. De wind bezorgde hem de geur van de chocolaterie. Hij moest zijn ongeduld bedwingen. Het liefst was hij recht het plein overgestoken, maar hij moest diverse fout geparkeerde en ten slotte een omgevallen fiets ontwijken. Toen zijn stok langs de wielen tikte, voelde hij dat ze kromgebogen waren. Hij hoorde één van de spaken als een stemvork op het trottoir vallen.

Van links hoorde hij gepraat naderen. Papiamento of Surinaams? Hij tikte wat haastiger voort en schrok toen het gepraat daardoor juist recht op hem af kwam. Hij luisterde om uit te vinden of de zwijgende metgezel links of rechts van de prater liep, maar kromp uiteindelijk besluiteloos ineen.

"Oh sorry meneer," hoorde hij met iets van verbazing. Kennelijk had de jongen hem helemaal niet gezien. Zijn schouder werd aangeraakt, sneakers landden vlak naast het puntje van zijn stok en een ketting rinkelde op de borst van de jongen, terwijl hij om Hans heen danste. De jongen hernam op dezelfde zorgeloze toon als voor de botsing het gesprek in zijn mobiel.


"Meneer," hoorde hij bij het passeren van de supermarkt. Hans bleef stug voor zich kijken en hoorde "Hallo, meneer", luider en dwingender. De stem was dichtbij hem gekomen. Ondanks het dwingend was het een fijne stem. Een jonge stem. De mevrouw die bij de stem hoorde, was nu zo dichtbij dat hij haar eau de toilette rook. Hij rook ook iets anders, iets wat hij niet meteen thuis kon brengen.

"Leest u de Telegraaf wel eens, meneer? Ik mag hem u aanbieden. Twee weken gratis, geheel vrijblijvend."

Krantenpapier, dacht Hans. Hij hoorde het ritselen terwijl de vrouw, zowat een meisje nog, haar arm waarover de kranten gedrapeerd lagen, naar hem uitstrekte. Ze hield hem de krant voor alsof het een worst was. Onnozele hals, dacht hij, maar voelde zijn behoefte aan aandacht. Haar aandacht bijvoorbeeld, aandacht van een leuk jong ding. Als hij haar aanbod zou aannemen, had hij haar aandacht nog even. Vervolgens kreeg zijn ergernis de overhand. Hij schudde zijn hoofd, hief zijn stok op en zwaaide hem heen en weer. In zijn gedachten blikkerde de stok als een toornige staf in de zon.

"Oh," hoorde hij bedremmeld. Hij hoorde haar laarzen schrapen op het trottoir. Haar laarzen en de geur van haar eau de toilette trokken zich schielijk terug.

"Ook toen ik nog wel kon lezen, was dat niet de Telegraaf," beet hij in haar richting. Hij was opeens hels geworden.

"Mijn excuses, meneer," hoorde hij haar zeggen, al een heel eind bij hem vandaan. De gedachte haar achterna te gaan en haar nog eens haarfijn te laten weten hoe dom ze was, loste op in het besef dat hij haar onmogelijk zou kunnen achtervolgen.

Hij zette twee stappen in de richting van de chocolaterie en overwoog zichzelf te trakteren op truffels en een zakje gemengde bonbons.

"Doe maar wat, Jessica. Doe de drie soorten maar die jij zelf het lekkerst vindt."

"Hoe weet u dat ik Jessica heet?"

"Ik ken jou nog van voor mijn oogziekte. Toen kon ik jouw naamplaatje wel lezen."


Hij was al voorbij de chocolaterie. Hij wilde niet meer terug. Wat zou Jessica wel niet van hem denken als ze zou horen dat hij zich haar naam van het plaatje herinnerde? Jessica zou er trouwens toch wel niet zijn. Had ze geen vrij op vrijdag? Hans dacht na, maar kon zich dat niet herinneren.

Hij had het open stuk plein bereikt, met middenop de fontein. Daarachter hoorde hij skateboards ploffen, hoewel hij zich van voor zijn oogziekte het bordje herinnerde waarop stond dat dit verboden was. Misschien was het bord weggehaald, dacht hij en voelde iets van paniek.

"Misschien hebben ze plannen om alles te gaan veranderen," dacht hij, of erger nog: "Misschien hebben ze alles al wel veranderd."

De stok tikte tegen de rand van de fontein. Hij voelde met zijn hand hoe koud de stenen waren. Ze voelden net als vroeger. Met enige moeite draaide hij zich om vervolgens liep hij voetje voor voetje achteruit tot zijn achterste botste met de rand. Hij leunde en liet zijn lichaam ontspannen, om naar het spetteren en bruisen van het water te luisteren. Door iets te doen wat hij vroeger ook wel eens deed, zou hij misschien wel een idee krijgen wat hij aanmoest met later, dacht Hans. Hij richtte zijn gezicht naar de zon en kneep met zijn ogen tegen het licht.

21 maart 2009

Lieber Josef

Deze week was meneer Fritzl in het nieuws, de man die haar dochter toen ze achttien was bij haar haren pakte en meetrok naar zijn hol, of eigenlijk zijn kelder, om vervolgens een gezinnetje met haar te stichten en haar vierentwintig jaar vast te houden.

Eén van de faits divers, tussen neus en lippen door verteld door de Een Vandaag verslaggever, was dat meneer Fritzl is zijn cel aardig wat huwelijksaanzoeken gekregen had. Daar schijnt hij trouwens niet alleen in te staan ook figuren als Charles Manson (die vandaag zijn 40-jarige jubileum in de cel viert) en Ted Bundy ontvangen heel wat meer liefdesbrieven en huwelijksaanzoeken dan ik pleeg te ontvangen.


Wat mij intrigeerde aan dat bericht, was niet het feit op zich. Ik weet dat ik nu geacht wordt een zin neer te schrijven in de trant van "Ik kan er met mijn verstand niet bij, maar ongelooflijk genoeg ontvangt deze vreselijke verkrachter en moordenaar nog liefdesbrieven ook". Maar dat vind ik helemaal niet ongelooflijk. Zo'n man fascineert. Het is niet voor niks dat zijn wandaden breed uitgemeten de media halen, want we smullen van dit soort verhalen. Niet veel mensen zullen durven toegeven dat ze in hun vrije leventje, in hun luxe huisje, van alle gemakken voorzien, wel eens zitten te fantaseren dat een type moordenaar annex verkrachter de deur komt forceren om hen aan de haren mee te slepen. Griezelig zwelgen in het proces van een serieverkrachter is wel sociaal geaccepteerd, mits je natuurlijk op gezette tijden met gepaste toorn beweert dat deze man moet worden opgehangen en gevierendeeld. Een liefdesbrief schrijven aan iemand die toch nooit meer vrijkomt, is eigenlijk best een gevaarloze kick.

Wat mij intrigeerde, was de vraag wat zo'n vrouw nou zo schrijven aan meneer Fritzl. Over welke boeg ga je het gooien met zo'n man? Even proberen hoor. Even kijken hoe het zou kunnen gaan…


Lieber Josef,

De mannen die op mij vallen, zijn altijd van die watjes. Ze doen gewoon alles wat ik zeg. Soms best handig, maar vaak heb ik er flink de balen van. Kwam ik maar eens een echte man tegen, denk ik dan. Maar nu hoeft dat niet meer, want nu heb ik jou gevonden, Josef.


Ik heb jaren moeten zeuren om de eerste. Toen die er eindelijk was, begon ik voorzichtig over de tweede, maar dat ging helaas niet door. Want meneer bleek een knipje gelegd te hebben. Met een heel verhaal erbij over verantwoordelijkheid en dat het financieel allemaal wel moest kunnen. De overbevolking en het milieu haalde meneer er ook nog maar even bij.

Ik wil er minstens vier, heb ik altijd gedacht. Maar met die man die ik nu heb, kan ik dat dus schudden. Vandaar dat mijn hoop op jou gevestigd is, Josef, want jij maakte er zeven.


Ik haat zon. Ik ben gothic en ik kan 's zomers nauwelijks vijf minuten buiten komen, want dan begin ik al te verkleuren en dat kunnen we echt niet hebben. Vandaar dat het me heerlijk lijkt om altijd in een vochtige kelder te mogen blijven.


Maar ja ik zeg dat dus heel vaak. Dat ik hoofdpijn heb. Dat is niet zo, maar toch zeg ik het dan. Vervolgens blijkt mijn man opeens toch naar mij te luisteren. Bij jou zou dat heel anders gaan. Jij zou niet naar me luisteren en daarom vind ik jou zo'n heerlijke man.


Maar ze begreep jou niet. Ik begrijp jou wel Josef. Jij kent tenminste de oude waarden nog. Het gezin is belangrijk. Het gezin is alles. Een man zonder gezin is niks. Je voelde je te jong om gezinsloos verder te moeten. Je wilde doodgewoon een gezin hebben, een tweede leg, een kind kan dat zien. Helaas ben je haar nu kwijt, maar ik ben er nog wel, Josef. Als je belangstelling hebt voor een derde leg, dan sta ik tot jouw beschikking hoor.


Ik weet dat je berouw hebt. Ik voel het, want ik ben heel gevoelig. Ik weet dat je nu beseft dat je fouten hebt gemaakt. Daarom moet je bij komen. Ik wil dat je bij me intrekt, Josef. Je begrijpt dat deze keer niet jouw vrouw de kelder in gaat. Deze keer ben jij het zelf, Josef. Ik hoop dat je nog gezond genoeg van lijf en leden bent om het vierentwintig jaar vol te houden.

20 maart 2009

Nu nog Middelstum

Maar straks gaan die fiets en ik samen de Mont Ventoux op

16 maart 2009

Sun Worshipping

Between two tall office buildings there were two houses much lower, and over there the sun could reach the street, and suddenly it also reached your face. The yellow light evicted sorrow from your cheeks and lied about ten years off your age. The working week with all its hassles was over. Now your eyes were allowed to dream half closed. Now your lips were allowed to yearn for warmth.

You opened your coat a little, so the sun was allowed to your neck, was allowed to touch your freckles one by one. You were wearing a business coat. A white blouse underneath, of which one button too much was open, businesswise. The collars shone brilliantly bright, but they did not succeed to receive attention from my eyes. Those were looking at the clothing of which only a glimpse was to be seen. A glimpse of another side to you than the anthraside, the colour of your business coat. The sun was lucky. At where it permitted itself to shine, I no longer dared to look, because I started to feel slightly embarrassed. The sun, however, could continue watching you, without ever being labeled a voyeur.

While my eyes shifted attention to the incoming bus, I saw a smile cover your face. A tiny smile of amusement. A sense of mockery. Your face turned sorrowful again when the bus with shrieking brakes blocked access of the sun to your skin. Your shoulder detached itself from the post to which it had been leaning. I considered looking back at you, the moment I boarded, a moment when you were still waiting in line. I didn't. Later, on my way home but the end of the way not nearing, I might want to think back at you with my closed. And then I needed the sun to be there.

(Voor wie denkt, ik ken dit stukje, die heeft gelijk. Het is ook in het Nederlands op dit blog te vinden. Bij wijze van huiswerk voor Engelse les heb ik het stukje vertaald. Ik publiceer alles, dus ook foute prepositions, schandalig misbruik van de past perfect en tekstvondsten die way too high grabbed zijn).

13 maart 2009

Schroomvallig

Schroomvallig is een schitterend woord. Nederlandser kan nauwelijks, met zoveel klanken die buitenlandertje pesten. Er is ook iets heel fijns aan een klinkervolgorde o-a-i. Het doet me denken aan een liedje, bijvoorbeeld een fijn liedje van The Beatles. Het eerste wat dan opkomt is o-a-i Obladie-oblada, maar dat vind ik geen fijn liedje. Het is ook helemaal geen schroomvallig liedje. Wat wel een schroomvallig liedje is, is bijvoorbeeld dat liedje met de woorden Your day breaks, your mind aches. Staat hoog in mijn top zoveel van mooie liedjes. Schroomvallig staat hoog in mijn top zoveel van mooiste woorden.


Maar daar is dan ook alles mee gezegd. Want als je zoals ik schroomvallig bent, dan zeg je niet. Je houdt het meestal bij kijken. Observeren. Altijd de toeschouwer. Je spreekt je niet uit, je denkt alleen maar. Wat je had willen zeggen, hou je binnen. Er is best veel ruimte voor binnenhouden. Voorlopig genoeg ruimte, alsof je net groter bent gaan wonen. Totdat je op een dag ontdekt dat het zo vol geworden is dat alle ongebruikte hoeken en gaten al vol zitten met rotzooi, en op de plekken waar je ruim baan zou willen hebben, waar je de kont zou willen keren, ligt en staat ook allemaal rotzooi. Je slalomt jouw huis door en ziet zoveel rotzooi dat je niet weet waar het opruimen zou moeten beginnen.

Opgekropt raken is het resultaat van schroomvallig zijn. Opgekropt is wel en geen mooi woord. Als je het zachtjes zegt, voelt het precies als de emotie, wat eigenlijk heel knap is voor een woord. Daarom is het een mooi woord. Maar de emotie is naar en daarom is het woord dat ook.


Het opgekropte gevoel bedrukt en bezwaart. Het verlangen om je uit te spreken, jouw mening te laten horen, knaagt. Je denkt eraan. Je denkt aan ontkiemen, ontbolsteren, tot bloei komen. Je fantaseert lentetje spelen. Hoe zou het zijn om zomer te voelen? Het lijkt wel alsof andere mensen wel andere kleuren kennen dan grijs.

Hoe is het om vol te zijn met blijheid, met een lach? Je denkt aan een publiek en gezichten en ogen die je durft te weerstaan. Je denkt aan een lach op jouw gezicht waarmee je laat zien te genieten van aandacht. Maar in de realiteit trekt jouw buik samen bij het idee.

Er vanaf komen duurt lang. Het kost tijd. Het vergt geduld.


Schroomvalligheid wordt onderschat. Het is destructief om er te veel van te hebben. Het verblindt en verstikt. Niet kunnen uiten en niet kunnen delen laat je zoeken naar dwaalsporen tot je helemaal de weg kwijt bent. En dan is het zoveelste dwaalspoor een dood spoor.

Bij sommige schroomvallige jongens raakt de tijd verstreken en het geduld op. Met vuurwapens eisen ze hun aandeel aan aandacht op. Zo'n jongen probeert van zijn pijn af te komen door haar in een kogel te stoppen. Hij richt op een bevallig voorhoofd en voelt zich Cupido als hij de trekker overhaalt. En nog eens. En hij richt zijn wapen op en rent en richt op elk bevallig voorhoofd dat hij ziet.

Om te ontdekken dat de pijn alleen gestopt kan worden door de loop op zijn eigen voorhoofd te richten en de trekker over te halen. Het biedt geen troost om mensen mee te slepen in jouw val. Dat weet zo'n jongen in zijn laatste seconden. Dat is wat hij geleerd heeft. Jammer voor die mensen. Jammer dat die jongen proefondervindelijk moest uitvinden dat zijn plan niet werkte. Had hij dat van te voren niet kunnen bedenken? Het ontnuchterende is dat het antwoord nee is. Als alle ruimte om te dromen en fantaseren opgekropt geraakt is, is er geen weg meer naar anderen. Anderen raken gaat niet. Alleen een extreme manier om anderen te raken zou misschien nog kunnen werken.


Soms vraag ik me wel eens af waarom ik zelf op mijn zeventiende niet ervoor koos om vuurwapenheld te worden, de opening van het avondnieuws. Rare gedachte? Ik voldoe precies aan het profiel van zo'n jongen, hoor. Een heel aardige jongen. Doet niemand kwaad hoor. Wel een beetje teruggetrokken en niet zo goed gekend, maar verder niks mis mee. Nooit gedacht dat hij zoiets afschuwelijks zou kunnen doen. Integendeel. Gezeglijke jongen. Braaf. Best lief eigenlijk. Oh wat is ie lief. Lief, lief, lief, lief, lief. Als je dat woord snel en staccato herhaalt, kun je het laten klinken als een mitrailleur.


Gelukkig maar dat deze lieve jongen anderen probeert te raken met verhaaltjes.

08 maart 2009

Waterkou (2)

Het was de eerste zwoele dag van het jaar. Het was nog veel te licht en zonnig om deze dag al vaarwel te zeggen, dus ik besloot de stad in te gaan. Ik was niet alleen. Overal kuierden mensen, onthaast door de weldadige warmte. Bleke armen waren bloot. Lichamen werden in plaats van de dikke jassen van vorige week bedekt door dunne topjes, nog wat kreukelig van de hele winter onderin een klerenkast liggen.

Ik ging de hoek om en passeerde een terras waar nauwelijks een plek vrij was. Ik hoorde "hai" en zag een bekend gezicht, ogen verborgen achter een zonnebril. Mijn eerste gedachte was dat jou tegenkomen op uitgerekend deze dag het begin van betere tijden moest betekenen. Mijn tweede gedachte was valse hoop en mijn derde ook. Ik maakte aanstalten om door te lopen, maar vond het bij nader inzien welopgevoed om wat beleefdheidsfrasen uit te wisselen. We kenden elkaar tenslotte en kwamen elkaar met enige regelmaat tegen. Even later tikte je op een stoel en je vroeg me waarom ik niet even kwam zitten. Ik keek je verbaasd aan. Zo toeschietelijk had ik je in geen tijden meegemaakt. Nog even overwoog één been alsof doorlopen, maar vervolgens plofte ik op de stoel naast jou en vroeg je wat je wilde drinken.

Het werd gezellig. Ongedwongen zelfs, iets wat ik met jou nog nooit meegemaakt had. Ergens tijdens het derde bier, of misschien was ik de tel al wel kwijt, zeiden we zelfs tegen elkaar dat we nog nooit zo makkelijk gekletst hadden. Jouw zonnebril verduisterde wat jouw ogen dachten.

"Jij hebt me altijd wel leuk gevonden, nietwaar?" zei je en ik ontkende dat niet.

"Tot nu toe heb je me altijd afgewezen," zei ik en ik hoorde dat ik de nadruk had gelegd op "tot nu toe". Ik zag jou minzaam knikken.

Ik kon het niet meer nalaten jouw bleke blote armen te bekijken. Je leek nu al zomersproetjes te hebben, maar je zei dat dit wintersproetjes waren. We raakten in een twistgesprek waarin jij onzin verkondigde, maar mij lukte het nooit helemaal om jouw beweringen te ontzenuwen.

Wat was je mooi, dacht ik een stilte later. Ik werd boos op mezelf. Ik moest daar toch echt eens mee ophouden, met dat soort gedachten. Als ik dat bleef denken, zou ik nooit vrij worden van jou. We zouden ook nooit vrienden worden. Je rekte je uit zodat ik jouw borsten in jouw zwarte topje goed kon zien, en ook kon zien dat je er een paars behaatje onder droeg. In stilte werd ik knettergek. Ook deze winter was niet lang genoeg geweest om van jou te genezen, dacht ik.


Ik zag jou naar de lucht kijken en inderdaad was de zon weg en de schemer aanstaande. Je trok je schouders op en rilde. Ik greep deze kans aan om te opperen dat het tijd werd om te gaan. Je knikte en zette jouw zonnebril af, borg hem weg in jouw grote tas. Ik had jouw jas al gepakt en zag jouw hand erom vragen. Ik bedacht me. Met een grijns duwde ik stoeltjes weg tot ik achter jou stond zodat ik jouw jas over jouw smalle schouders kon draperen. Ik zorgde dat de zachte antracietgrijze stof jouw armen goed bedekte. Je keek om toen ik klaar was. Een diepblauwe glans, een glans die alles en niets zei. Je was en bleef voor mij een mysterie op twee benen.

"Vergeet je tas niet," zei ik en jij bedankte me met een vriendschappelijke aai toen je met tas en al naast me liep.


We slenterden en zeiden af en toe een paar woorden, maar zwijgen was nu ook goed. Ik luisterde naar het geluid van jouw laarzen op de steentjes en keek een beetje rond. Jij keek ook een beetje rond, zonder dat ik kon raden waar jij naar luisterde. De gracht kwam in zicht. Het water weerkaatste de kleuren die nog in de lucht zaten, blauw, oranje, rose en paars. Ik wees je de kleuren aan die ik zag en jij knikte. Aan het eind van de brug was een bolvormige verbreding waar een paar bankjes stonden. Ik zei dat hier de toeristen altijd hun foto´s maakten. Jij zei dat hier de verliefde stelletjes altijd zoenden. Ik keek je aan en voordat ik weer knettergek zou worden, wees ik jou de kant die jij op moest, wat de andere kant was dan de kant die ik op moest.

"Het was een fijne avond," zei je en die blauwe ogen van jou gaven licht in jouw donker geworden gezicht. Nog steeds zette je geen stap, draaide je je niet om, maakte je geen aanstalten. Ik telde in stilte: Drie, Twee, Eén. Een half. Een kwart.

Toen kon het niet anders meer dan een goed idee zijn jou vol op jouw mond te zoenen. Ik greep jouw schouders toen je terugweek. Even later hapte mijn mond naar lucht en had ik jouw jas in mijn handen. Op twee passen afstand lachte je me uit. Vervolgens kwam je terug tegenover me. Jouw ogen flonkerden. Je pakte me vast en zoende me terug.

"Weet je waarom verliefde mensen hier zo graag zoenen," vroeg je en met flonkerende ogen troonde je me mee. Je leidde me naar de leuning en duwde me ertegenaan. Zelf beklom je het verhoginkje waar de bankjes op stonden, wat jou een kop groter maakte. We bogen naar elkaar toe. Nu kon je er prima bij.

"Het is er voor gemaakt," zei je en we gingen onze gang met alle hartstocht die in ons was.


Even later maakte je jouw lippen met moeite los van de mijne en zei tegen me dat je het nog wel iets spannender wilde maken.

"Nog spannender?" hijgde ik. Jij zocht jouw tas en ik keek hoe jouw zwarte topje aan een kant van jouw schouder gevallen was, zodat ik een flink stuk van jouw boezem kon zien en hoe die verpakt werd door die paarse beha. Met een triomfantelijk "tara" hield je in de lucht wat je gezocht had. Een paar handboeien. Ze glinsterden in de lichten van de auto's en lantaarns. Ik keek angstvallig om me heen.

"Ja, we kunnen gezien worden," zei je stralend, alsof je dat spannend in plaats van beangstigend vond. Je drong op. Ik week terug tot ik de brugleuning in mijn rug had. Ik keek omlaag naar mijn pols en zag hoe jouw boei hem omsloot en ving. Je zette jouw eigen pols naast die van mij en ik vond het opeens een fantastisch idee dat we aan elkaar verklonken zouden zijn bij het zoenen.

Je kwam heel erg dichtbij me. Ik rook de geur van jouw shampoo vermengd met de geur van bier, de geur van jou na een zoenpartij. Tijdens een zoenpartij, want ik voelde jouw lippen. Ik voelde jouw tong en voelde mijn hand tegen de leuning getrokken worden. Ik hoorde het metaal op metaal rinkelen van handboeien en brugleuning. Ik voelde jouw hand mijn vrije pols omsluiten. Ik voelde het metaal van de boei hetzelfde doen. Pas toen hield ik abrupt op met mijn tong te laten rondzoeken in jouw mond. Ik rukte met mijn armen om te merken dat ze door jou vastgemaakt waren met de handboeien aan de brugleuning.

Je deed twee stappen terug. Je trok jouw topje goed recht en omlaag zodat jouw buik weer bedekt was. Je deed jouw broek weer goed dicht. Je pakte jouw jas en drapeerde hem zorgzaam om jouw schouders. Al die tijd zag je me staren naar jou met ogen die langzaam maar zeker doorkregen wat me overkwam.

Je lachte jouw sympathieke lach en zei dat je hoopte dat mijn broek niet van mijn kont zou zakken nu de knoop en rits los zaten. Ik kermde, maar kon met mijn handen niet bij mijn broek. Door de bewegingen die ik maakte, zakte mijn broek een stukje verder van mijn kont. Ik dwong mezelf om weer stil te staan, maar voelde de broek nog een stukje verder omlaag glijden.

"Nogmaals, het was een fijne avond," zei je en je draaide je om. Je achterste heupwiegde terwijl die zich van mij verwijderde.

07 maart 2009

Waterkou

Ondanks mijn winterjas wilde ik het maar niet warm krijgen. Ik overzag de straat en zag dezelfde schril gekleurde regenjacks als de vorige week en de week daarvoor. Hoe komt het dat je aan kou ook na maanden niet went, terwijl straks als ooit de warmte komt, die meteen vanzelfsprekend zal zijn? Waterkou. In de eredivisie van soorten weer staat waterkou stijf op de laatste plaats, maar degraderen kun je helaas pas als de hele competitie gespeeld is.


Ondanks de miezerige regen was de straat gevuld met een verwachtingsvol geroezemoes. Ik leek de enige die zich op straat waagde omdat het moest, omdat de koelkast leeg was. De rest leek het fijn te vinden, leek zich in de waterkou te kunnen laven aan de gedachte van een filiaal vol blinkende spullen. Kinderen trokken aan de armen van ouders bij het passeren van een speelgoedwinkel. Ik herinnerde me dat ooit mijn grootste verlangen het verlangen naar een brandweerauto was. Het verlangen was ongecompliceerd en allesvervullend.


Nu verlangde ik een tijdmachine, om de rest van de winter over te kunnen slaan. Ik maakte mezelf wijs dat ik het over het weer had, maar wist, voelde in mijn buikstreek, aan mijn maag die al een week van streek was, dat het die andere winter was waar ik genoeg van had. Waterkou is veel erger dan 10 graden vorst, kwestie van gevoelstemperatuur. Blijven beweren dat het ruim boven nul is, maar terwijl je praat zie je witte wolkjes. Als ik praat, is het met de stem van de rede. Ik praat met de stem die nooit wil zwijgen, vooral niet als je zo moe van hem geworden bent dat je over straat zou willen schreeuwen dat hij zijn kop eens even moet houden. Het is niet netjes, schreeuwen op straat, hoewel ik dit verderop nu twee mensen zag doen, maar dit waren mensen die een geldig excuus hadden. Een kind.


Nee, ze kreeg nu geen snoepje. Toen ze bleef jengelen, pakte mama haar hand en trok er nogal nijdig aan. "Wat hadden we nou afgesproken?" klonk het luid door de miezerige regen.

Ik dacht na over het verlangen naar een snoepje, in conflict met het verlangen om braaf te zijn. Terwijl ik het kind hoor blèren, krijsen zelfs, wist ik dat ik in haar situatie stil geweest zou zijn, want bij mij zou het verlangen om braaf te zijn wel gewonnen hebben. In de eredivisie van verlangens staat braaf zijn inmiddels 16 punten los, maar ik hoop op een vormcrisis en dat er nog genoeg wedstrijden over zijn voor de concurrentie.

Ik herinnerde me dat het verlangen naar de brandweerauto mijn hele hart kon vullen. Ik stond stil en voelde mijn hart aarzelend wat voller stromen met verlangen. Niet lang, want ik voelde dat ik het al weer koud kreeg. Ik liep snel verder, alsof ik de waterkou zou kunnen lossen.

02 maart 2009

Bitterballen

Dit stukje ontstond nadat ik vanochtend in de krant las dat dankzij de crisis de verkoop van kroketten en bitterballen fors is gestegen.


Terwijl ik wachtte op mijn patatje stoofvlees, trad een man binnen in een maatkostuum. Ondanks dat hij een halve kop groter was dan de mensen voor hem, monsterde hij reikhalzend de afstand tussen de wachtenden en de toonbank. Hij stampvoette, keek op zijn horloge, keek de zaak rond en keek op zijn horloge. Toen keerde hij op zijn schreden terug, opende de voordeur en boven het luid rinkelende belletje uit schreeuwde hij richting de straat "Het kan even duren". Ik keek uit het raam en zag voor de ramen van de snackbar met stationair draaiende motor een bijna in de donkerte opgaande Bentley staan, met een interieur zo rood dat het de straat in een gloed zette. De man achter het stuur, gekleed in een blauw uniform, maakte gebaren en de man in de deuropening riep tot drie keer toe "Toch maar wachten hoor."


Teruggekeerd in de rij kwam hij niet veel later aan de beurt. Bladerend langs de blote tieten in de leesmap hoorde ik de bestelling. "Voor 4 Euro patat, een Kwekkeboom kroket en voor het wachten een portie bitterballen."

"Patat met of patat pinda," vroeg het meisje achter de balie, maar de man maakte bezwerende gebaren.

"Nee hoor, patat zonder," zei hij haastig. Zijn opvallend blauwe ogen zochten een plekje en zagen dat aan mijn tafeltje nog een stoel vrij was. Hij nam zuchtend plaats en legde een paar gewatteerde handschoenen voor zich neer op het tafeltje. Nadat ik voor een tweede keer van mijn topless tijdverdrijf opkeek en de man voor de tweede keer mijn blik beantwoordde, besloot ik hem te vragen of hij hier vaker kwam. Hij knikte.


"Vroeger niet hoor," zei hij even later. "Vroeger zag je mij hier niet."

Ik vroeg hem waar hij vroeger dan afhaalde, maar hij zei dat hij toen natuurlijk naar een restaurant ging als hij geen zin had om te koken. Met zijn hand voor zijn mond zodat hij vanachter de toonbank niet afgeluisterd kon worden, vertrouwde hij me toe dat hij toch echt liever kreeftcocktail in de Librije at. "Maar ja," zei hij erbij met een weemoedige zucht, "Die tijden lijken voorlopig even voorbij." Ik was zo brutaal om hem te vragen of hij slachtoffer van de beurscrisis was. Hij keek me nog een slagje weemoediger aan.

"Vroeger deed ik gewoon een dagje putopties als ik in het weekend eens een beetje was uitgeschoten met de champagne. Maar nu…"

Plotseling keek hij me verwachtingsvol aan. Hij draaide zijn pols en schoof doelbewust zijn arm over de tafel zodat de mouw van zijn jasje opschoof en zijn horloge me blinkend in het TL-licht verblindde.

"Kopen?" vroeg hij. "Het is een echte hoor, een echte Rolex."

Hij zei 2500 Euro en ik zei voorzichtig dat een echte Rolex buiten mijn budget lag. Hij zei "vette pech". Hij keek voor zich heen, maar vervolgens keek hij me opnieuw verwachtingsvol aan. Hij pakte zijn stropdas, boog hem naar voren en liet me zijn dasspeld zien.

"200 Euro?" vroeg hij, maar ik schudde nee.

"Aan jou heb ik ook niks," zei hij. Achter hem zette het meisje op de toonbank een kartonnetje met bitterballen neer en riep "Klaar voor u, meneer".


Hij vroeg er een satéprikker bij en toen hij was gaan zitten met het kartonnetje voor zijn neus, glansden zijn ogen met zowaar iets van gelukzaligheid. Om te beginnen besprenkelde hij zijn lekkernij met de inhoud van het zakje mosterd. Hij snoof boven het bakje en koos zorgvuldig zijn eerste prooi uit. Met de prikker sondeerde hij het korstje minutieus.

"Aah," zei hij vol voorpret, toen de bitterbal bovenop zijn prikker vlak voor zijn lippen en verwachtingsvolle ogen zweefde. Hij slokte de bal in één keer op, maar toen werden zijn wangen bol en zijn ogen keken me achtereenvolgens verwilderd en smartelijk aan.

"Mmmmmm," zei hij en hij begon verwoed te blazen.

"Heet?" vroeg ik en de man zei "Mmmmheelmmm-mmm-mmmheet"


Nadat hij zijn te hete bal weggeslikt had, besloot hij maar even te wachten met de volgende. Hij besloot me te vertellen over de tijden dat het nog leuk was op de Beurs. Hij vertelde me op welke dagen hij hoeveel ton gewonnen had. Hij pochte over zijn deals, ooit 100.000 stuks World Online gekocht voor 3,40.

"Drie-ie-ie-ie veertig," herhaalde hij. "Ongelooflijk toch?" Ik knikte.

"En verkocht op 2 maart 2000, 2 weken voor de beursgang en de daaropvolgende koersval," zei hij trots. "Precies 9 jaar geleden vandaag," zei hij terwijl zijn ogen wat vochtig in de verte staarden. Maar hij herinnerde zich zijn bitterballen en besloot een nieuwe prooi te prikken. Deze keer bleken zijn tong en verhemelte de temperatuur te kunnen verdragen.

"Tja toen kon je tenminste nog een beetje fatsoenlijk zaken doen," zei hij, "Maar tegenwoordig…" Ik besloot hem niet te vertellen dat hij in het vuur van zijn betoog een sliertje ragout gemorst had op zijn hagelwitte overhemd.

Het meisje achter de toonbank riep "Patatje stoofvlees," en ik zei dat dit mijn bestelling was. De man knikte begrijpend. Ik stond op en nog een keer werd me de Rolex aan de pols van de man voorgehouden.

"Echt niet?" vroeg hij en ik zei "Echt niet."

Clicky

Clicky Web Analytics