29 april 2009

De 10 lelijkste plaatsen van Nederland

Misschien nog steeds een beetje als ode aan Martin Bril - volgens Frommel kon hij jou doen verlangen naar een plein in Tiel - een Top 10 van de lelijkste plaatsen van Nederland.


En wat staat er op 10? Nou? Tiel!

Er is één ding mooi aan Tiel en dat is de rivier de Waal. Maar wat doet het dorp? Het steekt parmantig haar neusje in de lucht en keert de dijk en het water haar rug toe. Liever ziet ze het Amsterdam-Rijnkanaal, de Betuwelijn en de snelweg. Drie gedrochten, waarvan het laatste een nadeel is dat ook z'n voordeel hep, want dankzij die snelweg kun je ten minste snel weg uit Tiel.


Op 9 Hoofddorp. Of eigenlijk de hele Haarlemmermeerpolder. Zo'n gebied dat graag opgestuwd wil worden in de vaart der volkeren en daarom volgeplempt wordt met Vinexwijken en bedrijventerreinen. Een sneak preview van hoe heel Nederland er in 2040 uit zal zien.


Op 8 Capelle a/d IJssel. Een voorstad van, het eerste minpunt. De plaats met de meest monstrueuze flats van Nederland, kronkelend als pissenbedden. Onze premier woont er, ook al geen aanbeveling. Ten slotte ligt het hele zaakje minstens 5 meter beneden NAP. Wat ook weer één troost biedt, straks als de ijskappen van Groenland en Antarctica gesmolten zijn, is dit troosteloze oord de eerste plek waar we van af zijn.


Op 7 Breda. Want Breda is niet alleen maar onverschillig voor fietsers, het haat fietsers. Naar het centrum toe rijden in een stad is nooit moeilijk, maar aan de juiste kant het centrum verlaten is een stuk lastiger. Breda weet dat niet. De rand van het centrum staat tjokvol met verkeersborden, maar al die aanwijzingen blijken uitsluitend bestemd voor automobilisten. Dat besef je wanneer je beland bent op een ringweg vol stinkende auto's, met één smal fietspaden erlangs. Eerst mag je 100 meter aan de rechterkant, dan mag je wachten voor 2 stoplichten, want nu ligt het fietspad aan de linkerkant. Weer voor 100 meter. Want na opnieuw wachten voor 2 stoplichten, vervolgt het fietspad aan de rechterkant. Geen enkel zicht op linksaf of rechtsaf of het eind van deze stad. Ik stel voor dat we als vriendschapsgebaar richting onze zuiderburen, deze stad weggeven aan Vlaanderen. De bewegwijzering hoeft niet veranderd, die voldoet al aan de Belgische norm.


Op 6 Musselkanaal. Eén van de Groningse veenkolonieplaatsen, die twee huizenrijen in de breedte is en een heleboel kilometer in de lengte, met een vaart tussenin. Het lijkt op Stadskanaal, maar die plaats is nog veel ellenlanger, zo ellenlang dat je moe bent als je in de lengterichting van de ene naar de andere kant rijdt, wat dan wel weer iets stoers heeft. Het lijkt ook op de trits Boven Pekela, Oude Pekela, Nieuwe Pekela, maar die plaatsen hebben iets meer karakter en iets minder aardappelmeelfabriek.


Op 5 Huizen. Zo'n plaats zonder ziel, niet de enige in deze top 10. Een centrumpje zo klein dat je kunt zien dat er vroeger slechts een handjevol mensen woonden, die leefden van visserij, vrezen en bidden. Als je het kunt vinden, want dat centrumpje is verwurgd door Vinexwijken, de ene nog onoverzichtelijker en ondoordringbaarder dan de andere. Waar wegen ellenlang en winderig zijn en nergens naartoe gaan. Ik durf te wedden dat zelfs Tom Tom hier hopeloos verdwaalt. Alleen door te vrezen en bidden heb je een kans het dorp ooit uit te komen.


Op 4 Barneveld. Ook allemaal Vinexwijken. Net als zo veel plaatsen in of langs de Randstad is dit dorp uit zijn krachten gegroeid door de toestroom van mensen die graag een huis met tuintje hebben. Alleen is er hier ballotage. Hier wordt je alleen toegelaten als je Christen bent. En dan niet zo'n softe protestant, het mag gerust ietsje meer zijn. Elke uit de laatste 4 eeuwen aan kerkscheuringen ontstane splintergroep heeft hier een kerk. En nog geen kleintje ook. Kerken hier zijn groot en nieuw en ze stromen nog steeds elke Zondag vol. Maar karakter? Er is een boek van Geert Mak met de titel "Hoe God verdween uit Jorwerd". Een mooi boek. Alleen zijn research klopt niet. Hij had het dorp verkeerd.


Op 3 Hengelo. Ook omdat het vlakbij Almelo en Enschede liggen, plaatsen die het allebei net niet gered hebben. Er is oneindig treurigs aan Twentestad, waarvan Hengelo het zielloze middenstuk is. Er is veel moderne bouw, die trouwens niet allemaal lelijk is, maar rondom de oudere gebouwen en panden hangt een sfeer van bederf en verval. En de gebouwen van middelbare leeftijd ademen spruitjeslucht en oliecrisis. In het centrum van Hengelo is het altijd bewolkt. Een anagram van Hengelo is Ogenhel.


Op 2 Doetinchem. Ook vanwege de Vinexwijken (voor het geval het nog niet helemaal duidelijk was, ik haat Vinexwijken), maar hier hebben ze ervoor gekozen allemaal vaag braakliggend terrein tussen de huizenblokken open te laten. De functie van die lege ruimte is onduidelijk. Het enige wat ik kan bedenken is dat het gemeentebestuur zich ten doel heeft gesteld de stad te ontvolken door bebouwing neer te zetten die de lust tot zelfmoord maximaliseert, en die lege ruimte is dan bedoeld om je gang te gaan zonder iemand tot last te zijn. Zelfs het wegrotten merkt niemand. Uiteindelijk heeft de stad geen inwoners meer en dan wordt met een zucht van verlichting de zaak platgebulldozerd. Het laatste deel van het plan bevalt me trouwens prima.


Op 1 Lelystad. Lelystad is een project en het project Lelystad is mislukt. Hoe langer het bestaat, hoe naargeestiger het wordt. Het allerergste van Lelystad is de wirwar van straten en in elkaar geneste woonerven. Als je in een normale plaats drie keer rechtsaf gaat, kom je weer op hetzelfde punt uit, maar in Lelystad ben je dan op een punt dat weliswaar hetzelfde lijkt maar toch anders heet. Botter in plaats van Tjalk. En na Tjalk komt Giek maar na Giek blijk je opeens in de waterhoentjesbuurt te zijn, waar voor alle 137 soorten zwarte vogeltjes met een wit kuifje die inheems in Nederland zijn, een kronkelstraat met halfhoge flatjes uit de grond gestampt is. In Lelystad heb je binnen 500 meter elk besef van Noord of Zuid, West of Oost verloren. De rattenvanger van Hamelen zal hier ratten noch kinderen lokken, want hoewel ze proberen zijn lieflijke fluitspel te volgen, ze raken hopeloos het spoor bijster.


Aan lelijke plaatsen is trouwens nooit alles lelijk. Eén ding wat bijvoorbeeld heel mooi is aan deze plaatsen is de zucht van verlichting die je slaakt als je ze verlaat.

23 april 2009

Martin Bril

Een held is dood. De held waarmee mijn dag begon. Althans, nadat handelingen op de automatische piloot hadden geleid tot een staat van gewassen en aangekleed, en nadat een volgende serie handelingen op de automatische piloot leidden tot een ontbijtbordje en een kop koffie, ging ik zitten met de krant. Dan duurde het niet lang meer voordat zijn column tot mij kwam. En dan begon de dag echt.


Ik heb hem mateloos bewonderd en een beetje vervloekt. Mateloos bewonderd omdat hij plaatsen waarover niks te melden was, die er niet toe deden, tot leven bracht. Snackbars in onooglijke dorpjes, een kruispunt in Flevoland, een berm met een blikje cola erin. Hij beschreef mensen die hij zelf ook niet kende en fantaseerde hen in een paar rake zinnen tot vrienden. Vrienden voor even.

Toen ik net met loggen begonnen was, bestudeerde ik zijn columns. Bedrieglijk, want ze zagen er uit alsof ze gemakkelijk na te doen waren. Zijn stijl en woorden leken te vangen. Maar dat was toch niet zo. Als ik zelf een stukje gebrouwen had, dan moest ik er niet daarna één van hem lezen, want dan kwam het moment dat ik hem vervloekte. Want hij schreef op een niveau dat voor mij niet haalbaar was. En vervang "was" maar door "is".


Eén van de redenen dat ik hem bewonderde, is dat ik zelf ook in die plaatsjes kom waar hij voor zijn observaties kwam. Van die plaatsjes waar niemand komt die er niet woont. Harkstede of zo. Waar ik zo'n plek met een door tegenwind gebogen rug voorbij fiets zonder dat er ook maar één woord in mijn hoofd opkomt, vond hij er genoeg om die plek tot leven te toveren. Martin Bril maakte van niets iets. Hij maakte van een dag nog zonder perspectief een mooi begin.


Vanochtend fietste ik in het park. Een beetje treurig, want ik besefte dat ik zijn woorden zal gaan missen. Die simpele maar mooie zinnen met het "tja" of "goed" als afscheiding. Stopwoordjes. Clichés, maar toch altijd goed getroffen.

Vanochtend fietste ik in het park en dacht na over mijn ultieme Martin Bril moment. Het moment waarop ik een stukje als hij had kunnen schrijven als ik er maar aan zou hebben gedacht dat ook te doen.


Ik dacht terug aan een minifietsvakantie van een dag of vier in Zeeland. In oktober, met weersvoorspellingen die te mooi waren om waar te zijn. Dat bleek, want de dag begon erg mistig. Vanuit Roosendaal westwaarts. Even werd het wat helderder en zag ik blauw door het grijs komen. Valse hoop, zo bleek, want toen ik uiteindelijk Zuid-Beveland binnenreed, werd het pas echt kil. De wereld werd klein, de bomen langs de weg spookachtig. Het was dat ik de bordjes van een fietsroute volgde, anders zou ik zijn verdwaald. Huizen langs de weg waren niet meer dan schaduwen, zo mistig was het. Ik verloor besef waar ik precies was. Ik begon honger te krijgen, maar het land om me heen leek zich aan te passen aan mijn maag. Alsmaar leger.

Toen doemden er huizen op. Ik moest draaien en keren, turend naar de weg. Langs een sluis en over een sluis heen, en voorbij die sluis waren meer huizen en een kerkje. Hansweert dacht ik, zonder dit zeker te weten.


Op goed geluk reed ik de straat in die leek op Dorpsstraat, Ons Dorp. En inderdaad was een eindje verderop een café. Ik stapte naar binnen in mijn fietskleren, mijn haren kletsnat van de mist. Ik werd door de kroegbaas en zijn twee gasten aangestaard als een geestverschijning. Maar toen ik vroeg of hij me een omelet kon serveren met iets te drinken erbij, knikte de man en wees me op een tafeltje. Rode kleedjes met peper- en zoutstelletjes erop. Boven de bar spreuken aan de wand in het Engels, Nederlands en Zeeuws en naast de bar, op het prikbord, aankondigingen van dansavonden en rock 'n' roll bandjes. Inderdaad, ik bevond mij in Hansweert. De barman stommelde een keukentje in.


De gasten vroegen waar ik vandaan kwam en waar ik heen moest. Ze knikten vol ontzag. Ze stelden als diagnose gek maar vermoedelijk ongevaarlijk. Hun enthousiasme voor vragen stellen verflauwde. Ze staarden afwisselend in hun bijna lege glas bier en naar buiten. Ik keek ook naar buiten en kon nog net zien dat aan de overkant van de straat boten in het water lagen. De masten en tuigage waren schimmen.


Ik zakte onderuit en trommelde op de maat van de muziek. 3 FM. Een zanger met een stem die tegen beter weten in hoopte. Ik vroeg me af of er kans was dat het na het eten buiten wat lichter zou worden. Ik keek opnieuw uit het raam en moest 5 seconden door het melkwit turen om de masten en tuigage waarvan ik wist dat ze er moesten zijn, opnieuw te kunnen zien.

"Zie je wel," zei de stamgast tegen zijn metgezel, "het trekt op."

Zijn stem had veel weg van die van de zanger op de radio.

21 april 2009

Ontmoeting

Als je wat langer meeloopt in logland, ga je sommige mensen als vrienden beschouwen. Mensen die je graag leest en die jou ook graag lezen. Echte vriendschap kun je dat niet noemen, want de verbondenheid blijft beperkt tot het gedeelte van hen dat je ziet, en dat is het gedeelte dat gaat zitten en schrijft. Van de rest weet je hooguit iets als de persoon erover schrijft, maar schrijfsels kunnen bedrieglijk zijn. Je weet niet hoeveel procent aangedikt of verzonnen is. Je weet niet hoe veel dingen er spelen waarover de persoon niet schrijft. Je weet niet wat een schrijver verbergt of wat hij wil laten zien zonder dat het er in het echt is.


Het is leuk om die logvrienden na jaren eens te ontmoeten. Afgelopen weekend ontmoette ik haar. Een vrouw met een kind en een familie. Ik had me niet allerlei gedetailleerde voorstellingen zitten maken over haar, haar kind of de rest van haar familie, maar een beeld vormen doe je automatisch en dus is de werkelijkheid altijd een vergelijking met dat beeld.


Wat klopte er niet? Zijzelf. Mijn beeld leek wel een beetje op haar, maar ergens toch ook weer helemaal niet. Je zou het gevoel kunnen simuleren door in een logje iemand in detail te beschrijven, waarna een lezer deze persoon vervolgens uittekende. Dan zou je als je die tekening zag waarschijnlijk zeggen: "Het klopt met de beschrijving, maar toch is het haar helemaal niet."

Wat klopte er wel? Ik had altijd het gevoel dat haar huishouden een drukte zou zijn, maar wel op een gezellige, ongedwongen manier. En dat was ook zo.

19 april 2009

Meisjes wier stem piept als ze lief zeggen

"Weet je waar ik nou een hekel aan heb?" vroeg Rutger. Tijdens het stellen van zijn vraag tikte gewoon door, met zijn neus bijna op het scherm.

"Als ik zeg dat je aan de bril moet," dacht Eva. Ze zei afwezig "Nee?"

"Aan meisjes wier stem piept als ze lief zeggen."

Het bleef even stil.

"Is dat een boek of zo?"

Rutger keek op van het scherm van zijn laptop: "Niet dat ik weet," zei hij. "Het is geen boek. Het is iets waaraan ik een hekel heb."

Eva keek Rutger aan op een manier die verried dat zijn probleem haar tot nu toe ontging.


"Ik heb het over meisjes die op zich gewoon praten, met een gewone stem," zei Rutger. Hij maakte zijn stem wat hoger en babbelde wat onzin over kleren en schoenen, zodat Eva moest lachen. "Maar dan hebben ze het over iets wat ze lief vinden, en dan gaat hun stem piepen." Rutger zei met de stem van het kleren- en schoenenmeisje dat hij laatst een konijntje gekregen had. "Oh wat een schatje," zei hij eerst en hij vertelde dat zijn konijntje een bruine vacht had en groenige kraaloogjes.

"Oh hij is zo lief," zei Rutger en bij het uitspreken van het laatste woord piepte zijn stem. Ook trok hij zijn schouders op, ging zijn hoofd schuin de lucht in en kneep hij zijn ogen dicht, alsof meisjes bij wie hun stem piepte als ze lief zeiden, dit altijd deden.

"Het hoeft geen konijntje te zijn," verduidelijkte hij, want Eva zat hem nog steeds aan te kijken alsof ze niet begreep waar hij het over had. "Het kan ook hun hondje zijn. Of hun sponsorkindje."

"Sponsorkindje," herhaalde Eva.

"Of zelfs hun vriendje…" Rutger trok zijn schouders op en begon dat hij zo knap was, zo attent, zo lief gewoon, en zijn stem piepte bij "lief".

"Dus het is altijd iets met een verkleinwoord?" vroeg Eva. Nu was het Rutgers beurt om verbaasd te kijken.

"Konijntje, hondje, sponsorkindje, vriendje," reproduceerde ze. "Allemaal heel erg lief." Maar Eva's stem piepte niet toen ze lief zei, zelfs al probeerde ze het nu wel. Rutger zei dat haar stem niet had gepiept en dat hij haar daarom zo lief vond. Waarbij hij opnieuw het meisje imiteerde wier stem piepte als ze lief zei, zo verdienstelijk dat Eva moest giechelen.


Rutger grijnsde nog wat na en begon weer te tikken. Eva rekte zich uitgebreid uit op de bank, voor ze opstond.

"Wil jij ook wat fris?" vroeg ze terwijl ze langs de tafel liep waar Rutger aan zat te werken. "Hmm," was Rutgers antwoord.

Ze maakte zich echt een beetje zorgen om Rutgers ogen, zoals hij nu toch weer zat te turen. Maar bij nader inzien begon ze er maar niet weer over. Ze had geen zin in een herhaling van het kribbige gesprek van gisteren.

"Heb je zin in seks?" vroeg ze. "Hmm," zei Rutger opnieuw, voor hij gehaast opkeek en zei dat een bitter lemon goed was. Eva lachte breed. Ze liep naar de keuken.


Even later stond ze weer bij de tafel. Er was iets in haar houding waardoor Rutger opkeek. Hij zag een schoonmaakdoekje in Eva's hand.

"Wil je niet weer het schone schoonmaakdoekje gebruiken voor de pastapan?" vroeg ze. Ze rolde het doekje in haar handen om de rode vegen tomatensaus te laten zien. Rutger bekeek ze uitdrukkingsloos.

"Daar is het toch het oude schoonmaakdoekje voor?" vroeg Eva, met iets van wanhoop. Rutger reageerde nog steeds niet.

"Oh, ik vind het zo vies," zei Eva, met haar hoofd in haar nek en haar ogen bijna dicht. Ze hoorde zelf ook dat zij een meisje was wier stem piepte als ze vies zei.

17 april 2009

Boosheid

Het is een emotie waar ik nooit goed mee overweg heb gekund, boosheid. Ik ben het niet vaak, bijna nooit zelfs. Daar kunnen twee verklaringen voor zijn. De eerste is dat boosheid niet erg in mijn aard zit, de tweede is dat het een emotie die ik niet kan uiten. Nadat deze alinea op papier staat, weet ik niet zeker wat de juiste verklaring is. Misschien dat ik het aan het eind van het stukje wel weet.


Thuis waren wij nooit boos op elkaar. Mijn ouders sloegen niet met deuren en schreeuwden niet naar elkaar. Wel beoefenden ze de kunst van het eromheen draaien, van inslikken, vergoelijken. Waar Eskimo's tientallen woorden voor sneeuw hebben, hadden mijn ouders tientallen manier van zwijgen op een veelzeggende manier. Met andere woorden, mijn ouders geloofden niet dat er zoiets bestond als functioneel boos worden op elkaar.

Ik herinner me nog dat ik als jochie van ongeveer 10 op de plaatselijke damclub zat, waar ik op een zekere damavond twee gevallen van boosheid meemaakte die ik me nu nog kan herinneren. Die me misschien zelfs gevormd hebben.

Het was een cluppie van een man of 20, bestaande uit een plukje kinderen, een plukje tieners en verder volwassenen. We speelden bij mensen thuis, en op deze bewuste avond speelden we thuis bij één van kinderen. Een meisje. Het eerste meisje in mijn leven dat ik wel leuk vond en dat was wederzijds, want een tijdje eerder hadden we op school op de een of andere knutsel- en fröbelmiddag vlak voor een Christelijke feestdag al eens verkering gehad. Wel een uur lang. Blikken. Kushandjes. Maar ik dwaal af.


De clubleden druppelden één voor één binnen in de keuken, waar ze van moeder de vrouw koffie of limonade kregen met een plak koek. Het was rustig en gezellig. Maar op een gegeven moment klonk er plotseling geschreeuw in de gang. Ik weet nog goed dat iedereen reikhalzend in de richting van de serredeur keek, met ogen die eigenlijk wilden lachen maar het goede fatsoen schreef ernst voor. Ik weet ook nog goed dat ik onrustig, zelfs bang werd van het aanzwellende lawaai.

Even later knerste de keukendeur open. Eerst kwam het meisje, mijn meisje, binnen. Deze keer was het niks met de kushandjes. Ze stampvoette en schold. Ze werd achtervolgd door haar vader, die de deur woest dichtgooide, om vervolgens naar zijn dochter te wijzen en met een luide stem zijn verwijten te spuien. Ik heb echt geen flauw benul meer waar die ruzie over ging, maar ik weet nog wel dat ik ineendook onder het geschreeuw, het temperament, het lawaai. Ik had het gevoel dat die man ook naar mij zat te schreeuwen. Toen het gezelschap zag hoe ik erbij zat, moest iedereen lachen, inclusief de ruziemakers. Ik lachte maar wat mee, want opeens was de sfeer goed en blijkbaar had ik een goede daad gedaan. Maar ik voelde me oprecht ellendig en in verwarring. Ik begreep namelijk niet wat er gebeurd was. Ik begreep niet hoe die rare man met dat rooie gezicht de ene seconde kon schreeuwen en dreigen alsof hij zijn dochter zou kunnen vermoorden, terwijl hij de volgende seconde stond te lachen en haar een knuffel en een kus gaf. Ik had ontdekt dat er in de Grote Boze Buitenwereld mensen bestonden die een stuk sneller en radicaler van stemming konden veranderen, dan ik, of mijn vader, moeder, zusje, opa, oma etc.


Later die avond maakte ik een andere boosheid mee. Ik moest namelijk tegen de nummer 1 spelen, een jongen van een jaar of 16 met een stoer leren jack. Hij begon met heel aardig tegen me te doen, want ik was nog maar kort bij de club en natuurlijk ging hij op zijn sloffen van dat angstige kind winnen. We gingen spelen. Na een zet of wat werd hij chagrijnig en ik keek nog eens naar de stukken en kwam tot de ontdekking dat hij stom speelde en ik er goed voor stond. Ik merkte dat hij fanatieker werd, waarop ik dat ook werd, want ik begon de overwinning te ruiken. Het eindspel was verbeten. Mijn tegenstander ging steeds sneller schuiven in de hoop dat ik een blunder zou maken, maar het was te laat, dat gebeurde niet meer. Deze stoere jongen moest de vernedering slikken dat hij verloor van een angstig kind. Hij slikte letterlijk. Ik had heel even, een seconde lang, het gevoel dat hij zijn woede op mij ging koelen. Maar hij keerde zich van mij af. Hij ging verdero onderuit zitten, nonchalant, nonchalanter, nonchalantst. Hij lachte. Terwijl hij tussen zijn vingers een paar damstenen vergruisde, maakte hij grapjes. De clubleider kwam langs met een vel papier en vroeg wat de uitslag was, en hij vertelde het nonchalant.

"Wat?" zei de clubleider.

"0-2!" herhaalde de clubkampioen met enige ergernis.


De clubleden waren blij verrast en trots op mij omdat ik zomaar gewonnen had van de clubkampioen. Mijn tegenstander, de verliezer, merkte dat iedereen blij voor mij was en dat niemand scheen te denken dat hij een sukkel of loser was. Dus ging hij mee in die complimenten. Hij zei dat ik mooi en goed gespeeld had. Hij overdreef en hemelde op. Hij schudde zijn boosheid af door me te bewonderen, want hoe meer hij mij bewonderde, hoe begrijpelijker zijn verlies.

Later was hij mijn grootste fan. Wat wederzijds was, want na die eerste keer beginnersgeluk heb ik nooit nog een partij van hem gewonnen.


Boosheid kent vele verschijningsvormen, maar is altijd een teken van machteloosheid. Je bent boos omdat je dom bent, kortzichtig, omdat je niet nadacht en niet oplette. Je bent boos omdat je faalt en tekort schiet. Je bent boos omdat je vernederd of genaaid wordt, miskend. Je bent boos omdat jou ruimte ontnomen wordt. Je bent boos omdat je niet krijgt wat anderen wel krijgen, terwijl jij er ook recht op hebt. Je bent boos omdat je niet krijgt wat anderen wel krijgen, terwijl zij dat ook absoluut niet verdienen. De bonussen, laten we met z'n allen eens lekker boos zijn vanwege de bonussen.

De kneep zit hem niet in de emotie zelf, want die overkomt je. De kneep zit hem in de vraag wat je met de emotie doet. Mag je boos worden?


Mag ik boos worden als ik dom ben? Mag ik dan damstenen pakken en ze mishandelen. Mag ik het bord pakken en tegen de muur gooien? Mag ik van mezelf aan anderen laten zien dat ik mezelf dom vindt?

Mag ik boos worden als ik het gevoel heb dat ik faal? Het gevoel dat in mijn buik ontstaat terwijl ik deze vraag tikt, geeft het antwoord. Opeens zit mijn buik vol en niet met eten of koffie. Of vlinders van geluk. Want één ding staat vast. Eén rotsvaste overtuiging. Het Eerste Gebod:


Ik mag niet falen.


Met de nadruk op het eerste woord. En op het Eerste Gebod volgt direct daarna het Tweede Gebod: Als ik toch faal, mag niemand dat weten.

Dus mag ik niet boos worden, want dan merken ze dat ik gefaald heb. Dan merken ze dat ik me machteloos voel. Daarom begrijp ik de temperamentvolle boosheid niet. Het primair regeren. Het oppompen en loos gaan, met alle emotie die erin zit. Ik kan dat niet. Ik wil dat niet. Ik sta mezelf dat niet toe. Het oppompgevoel ken ik wel. Heus wel. Maar ik zet mijn duim dan zo stevig mogelijk op mijn ventiel en hoop dat hij het houdt. Gelukkig heb ik een heel sterk ventiel.

Want lekker schreeuwen en mijn machteloosheid de vrije loop laten, dat durf ik echt niet hoor. Dat kunnen we niet hebben. Want dan weten ze het namelijk. Dan weten ze namelijk dat ik ook maar een mens ben. Dan weten ze dat ik slecht ben.

12 april 2009

Hallelujah

"Laat ik weer eens opletten," dacht Evert.

Van het afgelopen uur van zijn leven had hij niets meegekregen. Hij herinnerde zich dat hij flessen in de glasbak had gedaan, maar hij herinnerde zich niet hoe het geluid van het brekende glas had geklonken. Hij was naar de supermarkt geweest, als een zombie tussen de schappen. Daarna was hij de stad ingelopen, maar hij herinnerde zich niet waarom hij die impuls kreeg, waarom hem het leuk leek met een volle plastic tas door de stad rond te sjouwen. Hij wist in welke straten hij had gelopen, maar kon niet reproduceren wat of wie hij had gezien.


"Ik moet beter opletten," dacht Evert. Wat langzamer, het hoofd enigszins gebogen, liep hij vanaf het zonovergoten centrale plein van zijn stad een lommerrijk steegje in. Tijdens het naderen bekeek hij de eeuwenoude gevel en het enorme raam van een café.

"Niet een café," dacht hij geërgerd, "Nee, café de Vrolijcke Kastelein". Hij nam het beige van de tamelijk verse verf op het kozijn in zich op.

"Dingen bij de naam noemen, niet zo naamloos," dacht hij, maar van het denken aan het woord naamloos vielen zijn schouders in. Zijn hart dreigde weer te verschrompelen in plaats van open te gaan.

"Geen gevoelens," dacht Evert. "Registreer de feiten. Objectieve waarneming."

Hij nam nota van de prijs van een meter bier op donderdagavond, studentenavond, tussen 10 en 11. Tien Euro leek hem helemaal niks, maar wist hij veel, misschien dat studenten het wel een belachelijk hoge prijs vonden. Thuis googlen wat de normale prijs is van een meter bier, gaf hij zichzelf als opdracht.


Het midden houdend tussen slenteren en schrijden passeerde hij een boetiekje en benoemde en telde de kleuren in het zomerjurkje dat in de etalage hing. Hij fantaseerde een draagster voor het jurkje maar miste in die overpeinzingen de ingang van de parkeergarage. Hoofdschuddend keerde hij op zijn schreden terug.

"Welke kant van de slagboom begint met wit?" vroeg hij zich af. Hij keek goed en ontdekte dat beide kanten van de slagboom met wit begonnen. "Wit begint en wint," dacht hij en bekeek het volgende pand, met vierkante steentjes in twee kleuren, als een schaakbord, alleen was het geen wit en zwart, maar wit en grijs.

"Is wit misschien goedkoper?" verzon hij als verklaring voor de vraag waarom de slagboom 1 stukje meer witte dan rode stukjes had. Hij lachte omdat het zo plausibel klonk in deze tijden van crisis, tot hij bedacht dat de slagboom er niet nagelnieuw uitzag en dus geplaatst was voor de crisis, toen het geld niet op kon.

"Wit is dus duurder," dacht hij. Een mooie deductie die hem tevreden stemde.


Een brommertje passeerde hem. Van het geluid trokken zijn schouders op. Het geluid vulde zijn oren, zijn hersenpan, zijn hele wezen. Het verdrong zijn gedachten en het gevoel van tevredenheid.

"Ben ik de enige of heeft iedereen dat?" dacht hij boos, terwijl hij het brommertje naluisterde. "Waarom worden die zintuigoverbelastende krengen niet verboden?" dacht hij. Was er voor deze misstand nou maar eens een politieke partij die op 30 zetels in de peiling stond.

Hij herademde en luisterde naar het geluid van schoenen op de trottoirs en het geroezemoes van de mensen in zijn buurt. Er passeerden nog een brommertje maar deze keer had hij niet zo'n last van het geluid.

"Als ze opgevoerd zijn, maken ze me gek," dacht hij en hij bedacht dat driekwart van die krengen opgevoerd waren. Hij bedacht draconische wetten die het leven van tieners zou vergallen. Tot hij zich zijn opdracht herinnerde.

"Voornemen," corrigeerde hij zichzelf hardop.

Hij passeerde een makelaarskantoor en prentte zich huizenprijzen in het hoofd, maar hij werd afgeleid door de muziek die vanaf de overkant aan een open raam met afgebladderde kozijnen kwam. Het was zachte muziek die flink hard stond, een gekabbel. Hij kende het. Hij kon niet meteen op uitvoerende en titel komen. Hij balde zijn vuisten. Hij stampvoette. Oh, hij wist zeker dat hij dit kende.

"Hallelujah," dacht hij triomfantelijk en hoorde hij vervolgens hartverscheurend. "Jeff Buckley," dacht hij. Te vroeg gestorven, dacht hij.

Hij stond stil en beleefde een gewijd moment terwijl hij keek naar de man die middenin zijn kamer, die op hoge boxen na zo ongeveer leeg was, een soortgelijk moment beleefde.

"Hallelujah," galmde het over straat. Evert voelde zich ontroerd. Een zweem van uit het lood geslagen. Misschien kon hij toch nog bekeerd worden, dacht hij zelfs. Uitstekend moment, de dag voor Pasen. Was Andries Knevel gisteren op televisie misschien ook een teken?

Nogmaals galmde er een "Hallelujah" over straat, zo hard dat twee fietsers bij het passeren opkeken en ophielden met trappen zodat het geluid van hun kettingkasten niet langer door de muziek heen klonk. Ze rolden door met geheven hoofd, alsof ze dezelfde sensatie als Evert voelden. Bijna gebeurde er een wonder. Maar toen haakten bijna hun fietssturen in elkaar en slaakten ze kreten naar elkaar, kreten die net als het Hallelujah van Jeff Buckley galmden tussen de hoge huizen.


"Hou je bij de feiten," dacht Evert en met een glimlach riep hij verder. Hij stak de drukke winkelstraat dwars over en hield in voor een jonge vrouw in iets roods met een zonnebril.

"Niet iets roods, maar een rood bloesje," corrigeerde hij. "met V-hals," voegde hij toe. De vrouw passeerde te snel om het merk van haar zonnebril te kunnen zien. Ze keek niet naar hem. Maar hij keek haar toch na terwijl hij nadacht over een beschrijving van de vorm van de glazen.

"Fijne billen," dacht hij toen en vergat de brillenglazen. Hij schrok op. Hij moest de ronding van haar billen onthouden. Hij probeerde de boog van haar billen in vectorrekening te vangen, in de hoop haar billen naderhand exact te kunnen reproduceren.

"Ik zou er wel een ander hoofd op zetten," dacht hij, misschien uit wraak dat ze niet naar hem had gekeken. Dat bracht hem op het idee haar het zomerjurkje uit de boetiek aan te meten, maar tot zijn schaamte kon hij de kleuren die het jurkje had, niet meer reproduceren.

"Wat voor broek had die vrouw nou aan," dacht Evert vervolgens. Een donkere spijkerbroek, herinnerde hij zich, maar de kleuren van de stiksels op de naden en kontzak herinnerde hij zich niet. Hij voelde frustratie. Hij voelde onvermogen. Om het woord mislukking niet in zijn hersenpan toe te laten, richtte hij zijn ogen op de gevel van een hotel. Hij speurde de ramen en de stenen van de muren af. Rode stenen en rechthoekige ramen, een groot onderraam met twee kleine bovenraampjes. Hij keek weer voor zich. Boven de ramen zat wit boogvormig pleisterwerk dat een reliëf van schelpachtige vormen maakte. Een soort bloemblaadjes. Toen Evert de hoek om was, besefte hij dat er ook nog ventilatieroosters waren geweest, maar hoe breed?

"Wat was de kleur van het cement?" dacht hij wanhopig.

"Hoe weerspiegelde het gebouw tegenover het hotel in de ramen?" kreunde hij.

Wat was de kleur van het welkomstbord? Wat waren de namen van de credit cards en betaalkaarten die binnen geaccepteerd werden? Hoe diep waren de putjes in de stenen?


Waarnemingen duizelden hem. Datgene wat hem ontgaan was, frustreerde hem bovenmatig. Hij besefte dat 99% van al zijn observaties in een vloek en zucht weer verloren gingen. De gedachte bezorgde hem een moedeloos gevoel, want het leek alsof hij een groot percentage van zijn leven wegpiste. Hij was nu bij de Grote Kerk, bij de zijbeuk, daar waar de studenten van de Vereniging 's nachts een groot percentage van hun bierconsumptie wegpisten. En overdag zaten op de bankjes nietsvermoedend de toeristen. De gedachte dat hij niet de enige sukkel was, beurde Evert weer wat op.

"Misschien moet ik maar niet meer opletten," dacht hij. "Niks meer waarnemen." Hij sukkelde in de richting van de lege bankjes.

Hij keek toch nog maar eens goed. De bankjes glansden groen in de zon, want ze waren net schoongemaakt. De straat was kort geleden geplaveid en schoongespoeld.

"Keurig," dacht hij en ging zitten. Nergens kauwgom. Zelfs geen peuken. Hij bekeek de nieuwe fiets die mooi recht in het rek stond, glimmend in de zon. Alle onderdelen erop en eraan. Toen ontdekte hij dat de koplamp scheef hing. Hij schoot in de lach.

"Hallelujah," dacht hij en kneep zijn ogen dicht om het gevoel van de zon in zijn gezicht waar te nemen.

11 april 2009

Boeken van toen

Als jongen las ik heel veel. Ik las al B-boeken toen ik mezelf ook zou mogen beperken tot strips of boeken met grote letters en veel plaatjes. Ik ontdekte een schat toen ik op zolder de doos met boeken ontdekte die mijn vader vroeger las. Of liever gezegd, het waren de boeken van mijn vader en zijn zes broers samen. Ik ging die boeken ook lezen, op zaterdag- en zondagmiddagen. In kleermakerszit las ik de boeken totdat de bodem van het doosje bereikt was.


Verloren schatten waren het. Zoals bijvoorbeeld Monus de Man op de Maan (of was het nou "van de Maan"). Ik heb moeten googlen wie ook al weer de schrijver was, ene A.D. Hildebrand. Eerste druk 1952, dus een jaar dat maanreizen nog fantasie waren en het onbekend was wat je daar zou kunnen aantreffen. Een Nederlandse professor en zijn assistent vliegen in een straaljagerachtig ruimteschip als eerste mensen naar de Maan en winnen daarmee de Space Race, of waar een klein land groot in kan zijn.

De maan blijkt niet onbewoond te zijn. Sterker nog, de maanbewoners in het algemeen en Monus in het bijzonder, blijken technologisch en vooral ook moreel superieur. Luister naar Monus en er zal geen oorlog of kredietcrisis meer zijn.

Overigens was er ook iets irritants aan de superioriteit van Monus. De man was gewoon te slim, te wijsneuzig, te pedant. Een fabelachtig IQ en EQ was niet eens genoeg superioriteit, want Monus hoefde nauwelijks te eten, kon met een paar uur slaap toe en had piano spelen binnen 5 minuten geleerd. Zelfs de professor werd het een beetje zat. Op een gegeven moment wilde hij die Monus eindelijk eens een keertje klein zien, ellendig, verloren met zichzelf. Hij besloot om eens een zeereisje met hem te maken bij windkracht 9, want zee hadden ze op de Maan niet, dus het kon niet missen dat Monus lelijk zeeziek zou worden.

Uiteraard draaide het er op uit dat eenmaal buitengaats de professor en zijn assistent boven de kotsemmer hingen, maar onze Monus had nergens last van.


Luchtiger was Boep en Joep, van de onvolprezen P.H. Fruithof. Een stel Amsterdamse rekels (met een hart van goud) verhuizen naar het Veluwse dorpje Bubbeldorp waar ze vervolgens dwaze streken uithalen, zoals de veldwachter pesten en een militaire oefening compleet in de soep laten lopen, maar als tegenwicht redden ze af en toe het leven van dieren en mensen. Hoog tijd dat P.H. Fruithof de kutmarokkanen heropvoedt door Yousouf en Bousouf te schrijven.

Achteraf moet je om zulke boeken natuurlijk wel lachen, maar Boep en Joep, een kloeke omnibus van honderden pagina's, heb ik misschien wel 10 keer gelezen. Als het geen 20 keer was. Het las heerlijk zorgeloos weg.


Mijn favoriet was Ketelbinkie, Jan van Leeuwen voor de Burgerlijke Stand. Een trilogie zeemansverhalen van de hand van Anthony van Kampen, waar heroïek en tragiek, verraad en glorie hand in hand gingen. Hollands Glorie. Jan van Leeuwen was op en top een Hollandse jongen van stavast.

In deel I moest Jan nog onderaan beginnen en was hij Ketelbinkie, maar later schopt hij het stuurman (Deel 2: Ketelbinkie's stuurmanstijd) en kapitein (Deel 3: Kapitein Jan van Leeuwen). Gebonden boeken waarvan de bindrand beschadigd geraakt was en langzaam maar zeker verder uitscheurde. Boeken met illustraties in zwart wit.

Ook deze verhalen heb ik vele malen gelezen, maar nu ik eraan terugdenk kan ik me van deel 1 en 2 eigenlijk niet eens zo veel meer herinneren. In deel 1 moet hij zich de luimen van een aartsluie brombeer van een kok laten welgevallen, maar wordt hij een held na zijn gevecht tegen een grote brand in het ruim. In deel 2 bestaat een gedeelte van de scheepsbemanning uit schurken en moet Jan een muiterij verijdelen. Tja, onze Jan doet het niet voor een luizig kantoorbaantje.

Deel 3 kan ik me het best herinneren. Het speelt in oorlogstijd. Jan is kapitein van een schip dat in konvooi naar Moermansk vaart, koopvaardijschepen geëscorteerd door oorlogsschepen. Het konvooi wordt voortdurend aangevallen door Duitse straaljagers en onderzeeboten en de koopvaardijschepen worden één voor één tot zinken gebracht. Uiteindelijk haalt ook het schip van Jan de haven van Moermansk niet, hoewel hij zich heroïsch verdedigt en voordat hij zinkt nog een mini-armada aan Duits oorlogstuig in zijn val meesleept. Hij komt met een gedeelte van zijn bemanning in een reddingsboot terecht, waar een nieuwe afvalrace begint, want nu leggen de mannen één voor één het loodje door honger en dorst. Ze stranden op Nova Zembla waar hen in de kou en sneeuw nog heel wat ontberingen wachten.

Zou Jan nog aan de dood kunnen ontsnappen?


Meeslepende verhalen. Prachtige verhalen over prachtige jongens, geplaagd door slechte mensen en schurken, maar uiteindelijk wonnen ze. Doortrokken van nationalistische ongein, denk ik nu ook, maar dat merkte ik vroeger nauwelijks. Dat boeide me ook gewoon niet.

Als ik in kleermakerszit met rode oortjes zat te lezen, bestond er geen vasteland meer. Dan was ik ook op dat schip en voer ik mee. Dan voelde ik de kou van de Noordelijke IJszee en hoorde ik de vliegtuigen brommend de lucht in klimmen voor ze hun glijvlucht en een nieuwe aanval inzetten. Het deed pijn in mijn buik als die mooie schepen vergingen en mijn hart juichte als zo'n akelige Stuka brandend in zee verdween. Daar hadden vast geen prachtige jongens in gezeten, in die Stuka.

Een prachtige ontsnapping, die boeken van toen.

03 april 2009

Dusty

De timer piepte zachtjes en de geel met zwarte bol die in een donker hoekje van de kamer lag, begon te zoemen.

"1 x 254 = 254".

Een paar seconden later verliet de bol zachtjes tollend zijn docking station en begon cirkels te beschrijven over de parketvloer van de grote woonkamer. Terwijl achter de hoge ramen de lentedag jubelde, begon de stofzuiger in de donkerte van de kamer een van zijn 24 geprogrammeerde liedjes te fluiten.

"2 x 254 = 508".


Toen hij net gekocht was, zat en stond het hele gezin te kijken terwijl AutoDuster bezig was. Met open mond. De kinderen slaakte gilletjes als AutoDuster op hen af kwam, maar dan zeiden papa en mama dat ze stil moesten blijven staan, waarna ze met grote ogen van opwinding zagen hoe het apparaat, gestuurd door zijn sensors, een keurige boog rondom hun voeten maakte. Voor mensen waren zijn sensoren heel gevoelig, maar voor voorwerpen was het wel eens minder. In het begin botste AutoDuster regelmatig tegen de voorpoten van de eettafel aan, die in de achterkamer stond. En best nogal hard ook.

"Het komt doordat het vloerkleed bijna dezelfde kleur heeft als de tafel," zei Elsbeth dan, maar haar man Gerrit keek haar wat smalend aan.

"Hij heeft echt geen kleursensor hoor," zei hij, "Want dan zou Dusty nog duurder zijn. Onbetaalbaar gewoon."

Hij doceerde wat de stofzuigerverkoper had gezegd, namelijk dat Dusty in het begin heel dom zou lijken. Hij wist nog niet waar alles stond en zijn sensoren waren het gevoeligst voor warmte en voor beweging. Voor mensen dus en niet voor interieur. Maar Dusty was zelflerend, dus gaandeweg zou hij steeds beter onthouden waar alle vaste voorwerpen stonden.

Hoewel de AutoDuster robuust gebouwd was en bovendien helemaal rond, zodat hij prima tegen een stootje kon, vond Lisanne de botsingen zielig. Als de stofzuiger teruggekeerd was in zijn hoekje, kwam ze aanlopen, hurkte, bekeek hem even en aaide hem voorzichtig over zijn doorzichtige bovenkant, waardoor zijn groenige standbylichtjes een beetje opgloeiden.

"Dusty lief," zei Lisanne en ze aaide zijn stugge gladde oppervlak om de plek te zoeken waar hij lelijk met de poot gebotst was. Lisanne zei dat Dusty pijn had en waar je pijn had kreeg je een kusje. Ze zocht nog even, maar uiteindelijk boog ze diep en gaf Dusty een kusje onderaan zijn omhulsel, vlak boven waar hij plat werd en waar zijn kleine wieltjes zaten.

"Maar je leert het vanzelf, Dusty" zei ze vol vertrouwen, "Je zult vanzelf leren niet meer te botsen."


"Een eigen huis, een plek onder de zon," floot Dusty terwijl hij verder nagenoeg geruisloos zijn rondjes maakte.

"7 x 254 = 1778" berekende hij gedurende een adempauze. Tussen twee kasten zoog hij kaarsrecht en rakelings langs de plint, zonder het hout te raken.

"Voor wie fluit ik die kutliedjes als er toch niemand is?" viel hem in en abrupt hield hij op met geluid maken. Hij minderde vaart. Vervolgens tolde hij rond van opwinding omdat hij het gevoel had dat hij zojuist tot een groot inzicht gekomen was. Hij zeilde naar het midden van de achterkamer en zette een pirouette in. Dusty kon niet duizelig worden, dus hij maande zichzelf tot topsnelheid.

"8 x 254 isse…."

Dusty minderde vaart om wat processorcapaciteit over te hebben.

"2032", dacht hij.

Goed.


"Wat heb ik nou aan algebra?" floot hij toen, liedje 22. Dat liedje vond hij namelijk nog wel leuk en verder was het zo op zijn eentje in de grote kamer best stil. Bedachtzaam rolde Dusty door de voorkamer.

"Tja," dacht hij. "Wat heb ik nou aan algebra?"

Zijn sensors evalueerden zijn bewegingen sinds hij het docking station verlaten hadden en projecteerden ze op de driedimensionale kaart van de benedenverdieping. Hij was klaar. Toch draalde Dusty met het terugkeren naar zijn docking station.

"Wat een donker hol," dacht hij, terwijl hij er voorbij reed en zijn sensoren ernaartoe liet kijken. Hoewel zijn homecoming module een urgent event afgaf, reed hij toch nog even terug de kamer in. Middenop glom het licht van de hoge ramen mat op het parket. Hier was het fijn. Hier was het leuk om nog even te tollen.


Pas toen zijn homecoming module een distress call afgaf schoot Dusty naar zijn docking station en tolde zijn oplaadpunt naar het elektrische contact toe. Hij dacht aan Lisanne. Hij keek naar de plek waar ze zou opduiken in zijn hoekje als ze thuis was geweest. Maar ze ging tegenwoordig naar school.

"Lisanne lief," dacht hij en toen voelde Dusty iets wat hij niet thuis kon brengen. Iets wat niet echt plezierig was om te voelen, tot hij een beetje opgewonden werd, omdat hij voor de tweede keer deze ochtend het gevoel kreeg dat hij iets belangrijks geleerd had.

Clicky

Clicky Web Analytics