27 juni 2009

Er was eens…

… Een verhaal dat er niet was. Te druk met andere dingen. Als je gaat verhuizen, denk je aan verven en huisinrichting en 1000 andere dingen en niet aan mooie verhalen. De beginnetjes zijn er nog wel. De flarden. De rafelrandjes. De opzetjes. Maar om die stukjes en beetjes wat te laten worden, is tijd nodig. Tijd om wat te lummelen en tijd om een beetje te broeden. Tijd om een stroming op gang te laten komen, zodat woorden een richting en een tempo krijgen. Als het hoofd vol zit met dingen die gedaan moeten worden, aankopen, mensen die gevraagd moeten worden, zaken die geregeld moeten worden, dan lukt lummelen niet en is die stroom een wildwaterbaan. Als er in die woeste rivier ergens nog een mooi woord watertrapt, wordt het aan de benen onder water getrokken door praktische gedachten. Bijvoorbeeld wat ik allemaal dubbel moet hebben nu ik straks voor onbepaalde tijd twee huizen heb en nog steeds nul auto's. Een stofzuiger, want ik wil echt niet steeds met zo'n ding heen en weer rijden. Maar ook een opstalverzekering en een afwasteiltje. Van prullenbak via keukentrap omhoog naar gas, water en licht en dan weer afdalen naar schoonmaakmiddelen.


Daarnet liep ik verloren door de Gamma, een winkel waar ik me eigenlijk nooit raad weet. Dingen kopen lukt me wel, maar het probleem is dat ik zelden weet hoe ik al die spullen moet aan- of opbrengen, monteren of afwerken. Ik wil eigenlijk een deur kopen, maar hoe veel kans is er dat zo'n ding dan ook nog past? En wat moet ik doen als hij niet past? Gewoon even op maat maken met de vlakschuurmachine, hoor ik al roepen, en vertel er vooral ook bij dat dit reuze handig en zo gebeurd is. Maar lieve mensen, ik weet me geen raad met dat soort machines. Ik hou waarschijnlijk twee deuren over, of geen deur of een deur die in plaats van niet dicht wil nu niet meer open wil. En hoe zat dat nu ook al weer met de scharnieren, waren die nou aanwezig of waren die maar half aanwezig en moet ik dus nog een of ander metalen plaatje op de kop tikken? Wat natuurlijk ook weer niet zal blijken te passen maar ook dat is een kwestie van even bijschuren, reuze handig en zo gepiept. Kind kan de was doen.


Als ik met een mengeling van verlangen en afgrijzen kijk naar die deur schuin rechtop in de schap bij de Gamma zie ik haar al naar me grijnzen.

"Geen klusser hè," klinkt het vanuit het mooie gladde blanke hout, het diepst van haar poriën, waarna uit die van mij het angstzweet gutst.

"Nee, dat kun je wel zeggen," zeg ik. Ik kijk schichtig om me heen en weet niet hoe snel ik zonder deur de aftocht moet blazen.


Kortom de mooie verhaaltjes zouden er de komende weken wel eens een beetje bij in kunnen schieten, door de verhuisbeslommeringen. Want halverwege mijn vorige volzin bedacht ik dat ik niet dik gezaaid zit in de theedoeken en die ook nog moet bijkopen.

25 juni 2009

De beklimming

De beklimming begon middenin de nacht met beklemming. Na wakker geworden te zijn, wakker geschrokken te zijn, uit een warrige droom vol obstakels. Pedalen die niet rond wilden. Een band die lek sloeg. De top zien en wel trappen, maar nooit dichterbij komen. En dan opeens een afdaling die even later eindigde met een gemiste bocht. Ik lag wakker en dacht aan de klim en voelde me zenuwachtig. Ik dacht aan de afdaling en werd ook daarvan zenuwachtig.


De beklimming van de Mont Ventoux vanuit Bedoin is de zwaarste kant. De wedstrijdkant. De kant waarlangs straks op 25 juli ook de Tour de France zal komen.


Het moment van het begin van de beklimming werd even na achten op een zonovergoten ochtend uitgesteld door beraadslaging. Met de organisatie was iets mis gegaan. Het was de bedoeling dat er bagageservice zou zijn, een rugzakje op de top, gevuld met warme kleren en extra drinken. Alleen had de Mont Ventoux besloten om zijn naam eer aan te doen. Op de top stond wind. Niet zo'n beetje ook. Te veel wind om de rugzakken uit te laden en dus had de vrachtwagen besloten om terug te keren. De rugzakken zouden arriveren bij de start, de plek waar we nu stonden, alleen zou dit vermoedelijk nog wel een uurtje of anderhalf duren. We hadden de keus. Anderhalf uur wachten op onze rugzak en dan met warme kleren achterin het shirt naar boven. Of nu naar boven en straks op de top geen warme kleren hebben, want al het warms wat ik had zat natuurlijk in dat rugzakje. Vijf graden vertelden ze dat het was, daar op de top. Wilde ik straks kou lijden? Of wilde ik nu wachten en zenuwen blijven voelen, voelen dat de spieren stram en niet goed wakker waren. Wilde ik de klim aanvangen, elke pedaalslag dichter naar de top, of wilde ik stil blijven staan op een druk parkeerterrein en kijken maar niet voelen hoe prachtig deze ochtend was. Gaan, zei ik en mijn kameraad knikte. De kou was van later zorg. Eerst maar eens die top halen. Sowieso had de Mont Ventoux nog zeker 2 uur tijd om wat warmer te worden voordat wij er waren.


Net begonnen met de beklimming, nog niet eens op een echt steil stuk, een moment van berusting. Mijn maatje ging er vandoor. Niet dat dit onverwachts was, want hij is 10 jaar jonger, 15 centimeter kleiner en 10 kilo lichter dan ik en dus klimt hij natuurlijk beter dan ik. Ook is hij meer gebrand dan ik op een goede tijd. Maar nu al weg? Niet dat ik alleen achterbleef, want er waren inmiddels al heel wat mensen onderweg. Terwijl mijn kameraad uit het zicht verdween, haalde ik iemand in en nog iemand. Ik vatte moed. Ik keek op, bestudeerde de top die nog heel ver weg in de zon blakerde, en voelde de zin in het avontuur het overnemen van de zenuwen.

Ik kwam een beetje in een ritme. Even later, nog steeds niet echt begonnen aan de klim, want dat was in St. Esteve na een bocht linksaf, zo had ik op Internet gelezen, ontdekte dat ik al op mijn lichtste verzet zat. De zenuwen keerden weer terug. Mijn lichtste verzet leek te zwaar voor deze berg. Waarom kom je daar pas achter wanneer je al onderweg bent en fietsenmakers ver uit de buurt zijn? Ik keek op en zag op de kruising een jonge jongen rechtsaf slaan. Hij deed zijn benen buitenboord en liet zijn fiets stoppen. Hij boog zijn lichaam over zijn fiets, pakte zijn stuur en boog zijn hoofd. Desillusie. Nog voor het echt begonnen was, had iemand ondervonden dat hij te licht was voor dit werk. De gedachte dat er in ieder geval één iemand is die het eerder opgeeft dan ik, gaf moed. Even later, in het dorpje St. Colombe klonk vanaf de kant van de weg een eerste "allez" en ook dat gaf moed.


De bocht linksaf in St. Esteve voelde precies zoals ik het op Internet beschreven heb gezien. De weg schoot omhoog en het was zoeken naar een ritme wat de komende kilometers vol te houden was. Mijn tempo, dat rond de 12 kilometer per uur lag, zakte omlaag naar iets in de 9. Herstel, iets in de 8. Ik was niet de enige. Ruggen kromden zich. Met souplesse malend werd zwoegend harkend. Sommige mensen kregen nu al een neiging naar slingeren. Toen mijn tempo niet meer met het cijfer 8 maar met het cijfer 7 begon, haalde ik toch nog steeds iemand in. Ondanks dat het zwaar was, had ik mijn tred gevonden en had ik er lol in die tred vol te houden. Hoe dit verder ging, wist ik niet zeker, maar het volhouden ging nog wel even lukken. Ik werd gepasseerd door echte klimmers, fietsers die op dit steile stuk nog steeds 12 kilometer per uur kunnen fietsen, en misschien gingen ze nog wel iets harder. Bewondering. Hors categorie, dacht ik, maar ik bedacht dat hier een week of wat geleden een paar profrenners 20 reden en dat Robert Gesink toen van hen wegdemarreerde. Ik kijk op mijn teller en zie 8 komma 4 en moest een beetje lachen. Alles is relatief, want ik reed hard af op iemand die nu al bijna omviel, zo langzaam ging hij. En dat met nog wel 13 of 14 kilometer te gaan.


Ik klom gestaag steeds hoger en hoorde vogels fluiten, de wind ruisen en versnellingen tikken. Ik ervoer het bos, waar het nu lekker warm was en vanmiddag waarschijnlijk heet zou zijn. Zowel bij het gepasseerd worden als het passeren klonk zacht gehijg. Soms keken we elkaar aan en zeiden we bonjour of gewoon hallo, want de organisator van deze klim is Vlaams, dus waren bijna alle mensen om me heen Vlaamstalige Belgen. Adem voor een goed gesprek hadden we niet. Want nu was het pas echt zwaar geworden. Een stuk van een paar kilometer lang waar de berg me nooit meer dan 7 komma nog wat kilometer gunde, en soms zelfs dat niet eens. Afzien. Vrij onverhoeds stond ik stil, want ik moest echt even uitrusten. Drinken en de hartslag wat laten afzakken. Nog één steile bocht later werd het stijgingspercentage weer iets milder en keerde het gevoel terug dat ik het wel volhield. Voor het eerst voelde ik de wind tussen de allengs tengerder boompjes. De wind die erg fris was.


Het bord Chalet Reynard – 800 meter, diende zich aan zonder dat ik al naar Chalet Reynard had verlangd. Even later gingen we het bos uit. Voorbij het Chalet de kale grijswitte rotsen en de toren van het Observatoire op de top. Ja de wind was inderdaad hard. En ja, het was inderdaad merkbaar frisser geworden, maar terwijl ik klom had ik daar weinig last van en ik mocht nog 6 kilometer. Ja, mocht, want ik voelde me nu echt in mijn element. Het was ook even wat minder steil, maar wat een uitzicht. Vanwege dit soort vergezichten, het dal inkijken en half Frankrijk zien liggen, daarvoor hield ik van klimmen. Uit puur plezier ging ik harder.

Het bleek dat ik me op het kale stuk van de Mont Ventoux echt in mijn element voelde. Het ging lekker. Ik haalde nu meer mensen in dan dat ik ingehaald werd en dat was daarnet in het bos andersom. De diesel was op stoom gekomen. Ik ga het halen, dacht ik, maar sloeg vervolgens rechtsaf, recht tegen de wind in, zodat ik moest zwoegen en stoempen. Vreemd genoeg demoraliseerde het enigszins toen ik kon zien hoe ver ik nog moest, toen ik elke meter slingerende weg zag die mij nog scheidde van de top, toen ik zag hoe veel hoger die weg nog klom. Ik zag de stipjes van alle mensen op die weg, al die mensen die net als ik op weg waren naar de top. Een fantastisch gezicht. Okee, winderig en koud was het hier wel, maar het uitzicht vergoedde veel. Ik keek naar beneden terwijl ik opnieuw een bocht nam, en de pedalen veel lichter voelde worden nu ik voortgeblazen in plaats van tegengewerkt werd door de wind. Oh vast, ik ga het halen.


Tussen 1500 en 500 meter onder de top was het nog loodzwaar, zeker toen het recht de wind in ging. Daarna was het de rug rechten en nog even aanzetten, want de finish was in zicht. Ik voelde me gelukkig toen ik de banen van de tijdmeting overschreed. Ik had het gekund. Ik had het gedaan. 2 uur 18 nog wat erover gedaan, wat net iets sneller dan de gemiddelde tijd van de deelnemers die de top bereikten. Niet slecht voor een niet-klimmer.


Lang boven bleef ik niet, want te koud. Toen ik aan de afdaling begonnen was, voelde ik mijn lijf rillen. Ik verlangde nu toch wel naar mijn jack dat in mijn rugzakje zat, maar dat rugzakje was dus beneden en niet hier. Bovenop was het oppassen voor de windvlagen. Oppassen ook voor het andere verkeer dat naar boven of beneden wilde. Motoren, auto's, campers. Daarnet om acht uur, half negen was het zo lekker rustig. Het was trouwens ook oppassen voor de fietsers die niet goed durfden dalen, de fietsers die met de rem vol dichtgeknepen naar beneden gingen. Ook nog omdat ze vanwege de windvlagen het liefst middenop de weg bleven en niet aan de kant. Zelf ging ik ook niet voluit, maar een kilometer of 50 durf ik wel en dan is iemand inhalen die middenop de weg een kilometer of 15 rijdt en als een sidderaal op haar fiets zit, niet gemakkelijk. Haar gemoedsrust werd er niet beter op toen na mij nog een paar Belgen op volle snelheid langs haar heen flitsten, die haar bovendien op rauwe toon toevoegden dat ze rechts moest houden. Rechts waar het ravijn was en waar de windvlagen naartoe woeien.

Medelijden voelde ik trouwens niet echt, want waar heb je dan getraind als je zo hartgrondig niet durft te dalen? Alleen op het vlakke vermoedelijk, want als je gaat fietsen in Limburg of in de Ardennen, zit je in een afdaling ook zo maar op 50.


Later op de dag deden we een tweede klim, opnieuw vanuit Bedoin. Op de steilste stukken bleek de eerste klim duidelijk in de benen te zitten. In het bos was het nu pas echt afzien, ook omdat het nu inderdaad echt warm was. Wat ook niet meehielp, was dat het nu rustiger was en dat vooral de betere klimmers overgebleven waren, met andere woorden, de klimmers die mij inhaalden. Nu verlangde ik wel hevig naar Chalet Reynard, al lang voordat ik die houten keet dan eindelijk te zien kreeg. Weer was het laatste stuk makkelijker, hoewel de stukken tegen in de wind ontzettend zwoegen waren. Twee keer Bedoin op één dag valt niet mee, maar ik haalde het wel. 2 uur 33, een klein stukje langzamer dan het overall gemiddelde. Ik behoorde bij de 22% van de deelnemers die het gelukt is om meer dan één klim te doen. Maar ik was nu wel aardig door mijn rug heen, vooral vanwege mijn iets te zware verzet, en dus was het voor vandaag mooi geweest. Morgen nog een klimmetje? Pffft, eerst maar even lekker eten en slapen, dan zien we nog wel eens verder.


Maar op zondag deden we nog een klim, nu vanaf Malaucène, wat de iets minder zware kant heet te zijn. Enigszins relatief, want ja, op deze kant heb je in tegenstelling tot de Bedoin-kant, inderdaad stukken waarop je echt even kunt uitrusten. Er is zelfs een klein stukje bij wat naar beneden loopt in plaats van boven. Maar in het midden van de klim, als je ongeveer de halve hoogte overwonnen hebt, zit een verschrikkelijk stuk, 2 helse kilometers, zeker als je al twee beklimmingen van gisteren in de benen hebt zitten. Iedereen die ik op dat stuk in het zicht had, slingerde, stoempte, zwoegde.

Het uitzicht aan de Malaucène kant is trouwens fantastisch. Aan de Bedoin-kant heb je in het bos nauwelijks uitzicht, maar hier heb je doorkijkjes door de bomen en af en toe een stukje dat je naar beneden kunt kijken, waar zich een heuvellandschap ontvouwt waar je eerst min of meer tegenaan kijkt, maar later, al aardig hoog op de Mont Ventoux, steeds meer op neerkijkt.

Ook aan deze kant was 6 kilometer onder de top een Chalet, Chalet Liotard. Hier bleef het bos wat langer, pas de laatste 3 kilometer is de berg kaal. Zwaar was het laatste stuk aan deze kant wel. De tweede helft van de Malaucène klim is zeker niet lichter dan de tweede helft van de Bedoin klim. En op een gegeven moment, een bocht voorbij, ontdekte ik dat deze berg zelfs eind juni toch niet helemaal sneeuwvrij was:

Ik kwam boven in ongeveer 2 uur 20 minuten (handgeklokt). Ik zat deze keer redelijk dicht achter mijn kameraad. Op de eerste klim moest ik bijna een half uur op hem inleveren, nu een krap kwartiertje. Ik wilde eigenlijk nog wel een klim, maar hij niet. Echt lang drong ik niet aan, want ook ik voelde her en der wel wat pijntjes. De helden van de Mont Ventoux waren eindelijk vermoeid.


12 juni 2009

Volgende week

Als je zegt dat je de Mont Ventoux gaat beklimmen, dan zeggen sommige mensen enthousiast dat ze daar ook wel eens zijn geweest. Als vervolgens blijkt dat die beklimming met de fiets wilt gaan doen, verdwijnt de herkenning, want dan blijkt dat zij het met de auto of motor deden. Met de auto of motor is het een mooi ritje, maar een prestatie is het niet.


De mensen die de Mont Ventoux wel op de fiets beklommen hebben, noemen meestal, en zelden zonder trots, hun tijd.

"2 uur 15, maar met een mountainbike", klinkt het.

"Ik weet het niet meer helemaal precies, maar het was minder dan 2 uur."

"1 uur 48," op verveelde toon, alsof hij als hij zin had gehad, ook een half uur sneller zou hebben gekund.

De jongen waarmee ik samen ga heeft 1 uur 35. Tim Krabbé heeft 1 uur 21. Mijn spinninginstructeur heeft 1 uur 20, maar die kwam boven op de top een autochtone oudere jongere tegen die vanuit zijn jeugd 1 uur 14 mee had genomen. Iban Mayo heeft het record, in een klimtijdrit in 2004, scoorde hij 55 minuten en 51 seconden.


Ik heb nog geen tijd. Ik weet nog niet wat ik kan. Ik vermoed dat het record er niet aan zal gaan, maar ik heb geen idee of ik in staat ben tot iets in de buurt van 1 uur 35. Ik verwacht het trouwens niet. Ik ben veel te lang voor een klimmer. Ik ben meer een stoemper op de vlakke weg. In het hooggebergte is mijn plek de bus. Het zal wel 2 uur 15 worden, maar met een racefiets.

Hoewel ik lees net op een site dat de gemiddelde klimtijd 2 uur 25 minuten is, dus dan zou ik met 2 uur 15 nog steeds bovengemiddeld presteren. Kan ik dat wel?


Weet ik waar ik aan begin? Ja en nee. Ja omdat ik de afgelopen jaren toch heel wat klimkilometers in de benen heb vergaard. Nee omdat ik alleen heuvelland ken. Klimmen waar de top meestal in zicht is. Al zijn de klimmen soms verbazend steil en nijdig, wanneer je je even kwaad maakt ben je ook zo boven.

Een echte berg heb ik nog nooit beklommen. Een weg die meer dan 20 kilometer alleen maar omhoog gaat, is nieuw voor mij. Soms denk ik dat ik het heerlijk zal gaan vinden, mijn eigen tempo zoeken en dan gestaag hoger. Steeds maar hoger. Maar de laatste paar weken overheerst de pessimist en denk ik dat zal blijken dat mijn benen na 10 kilometer domweg niet meer willen malen.


Overigens, de Mont Ventoux kun je van drie kanten beklimmen, maar als het over de legendarische klim gaat, over "de tijd", dan betreft het altijd de klim vanuit Bedoin. Dat is de zwaarste kant, de "klassieke" kant, de kant ook waar ooit Tommy Simpson zwalkend over de weg bezweek. Misschien dat we de andere kanten ook gaan beklimmen. Als we nog adem hebben tenminste, na de eerste klim. En dan eerst ook nog even een afdaling, met ravijnen en bochten en stuurfouten op de loer.

Eerst maar eens die eerste klim. Eerst maar eens één keer boven zien te komen.


Volgende week zaterdag om half 8 's ochtends zullen we daar met ongeveer 200 man voor de een of andere krijtstreep op de weg staan. De één zwijgzaam en met een gegroefd gezicht en de ander spraakzaam en lacherig en de derde op het laatste moment nog sleutelend aan de fiets. Ik ben zelf vaak van de eerste categorie, maar soms ook opeens de tweede.

Het lijkt nu het moment nog niet aangebroken is, een onwerkelijk tafereel. Een klein dorpje, bij het dorpspleintje bijvoorbeeld, dat op al die gedempt keuvelende fietsers na nog doodstil is. Misschien dat de zon nu al brandt, maar waarschijnlijk zal het nog koel zijn. Mogelijk zelfs kil. Gapen omdat het zo vroeg is, maar vervolgens de zenuwen voelen borrelen. Ik zal vast niet de enige zijn die zenuwachtig is, die het gevoel heeft van een sprong in het duister.

Dit is het profiel van de klim. Een schematische weergave van de opdracht die mij en 200 anderen wacht. Hoe zal het gaan?

De eerste vijf kilometer zijn een opwarmertje, meer vals plat dan klimmen. Lekker in het ritme komen. Soepel warm draaien. Er zullen wel mensen met grootse plannen zijn die nu al vaart maken, maar ik zal ze nakijken zonder de lust te voelen mee te gaan.

In het dorpje St. Estève begint het echt, meteen buiten het dorp verdwijnt de weg in het bos met een stijgingspercentage dat varieert tussen de 9% en 11%. Opeens lopen de benen vol. De jongen met wie ik samen doe, die wel gebouwd is als een klimmer, verdwijnt nu razendsnel uit het zicht. 1 uur 35 is echt niet voor mij weggelegd.

De anderen verdwijnen uit mijn gedachten, want ik heb voorlopig even aan mezelf genoeg. Sommigen zullen me passeren met zo ongeveer de dubbele snelheid als de 10 of 9 of 8 kilometer per uur die ik nu op de teller heb staan. Maar als het goed is, vind ik op een gegeven moment een ritme terug en vind ik het gevoel terug dat het best gaat en dat het best vol te houden is. Dan rij ik op mijn beurt ook af en toe iemand voorbij. De mensen op toerfietsen en de mensen met buiken en de mensen die nooit fietsen behalve vandaag voor de prestatie, voor de stoere verhalen op feestjes, die mensen zal ik toch wel achter me houden? Of zal ik langzaam maar zeker iedereen voor me uit zien fietsen en uit het zicht zien verdwijnen?

De klim door het bos is negen kilometer lang. De gedachte waar ik aan begonnen ben, zal daar voor de eerst komen en misschien komt die gedachte al heel snel. Vervolgens is het blik op oneindig en proberen te blijven malen en verlangen naar Chalet Reynard, ernaar verlangen alsof daar het einde is van elke ontbering. En hopen dat er mensen in mijn buurt zwoegen, hopen dat hun pedaaltred ook zwaar is, hun gezicht ook rood en bezweet. Adem om een praatje te beginnen, zullen we vast niet hebben. Maar misschien dat we elkaar even aankijken, de ogen van de ander een spiegel van het eigen afzien. Een blik van verbroedering.


Bij Chalet Reynard eindigt het bos en komt er een stuk dat minder steil is. Misschien een klein beetje herstellen. Boven het Chalet blikkert de kale top, tenminste, als hij niet in wolken of mist gehuld is, wat ook heel goed kan. Het zal nog maar half 9 zijn of misschien is het al 9 uur. Bovenop kan het steenkoud zijn. Bovenop kan een fikse wind staan en soms zelfs een echte storm. Als dat zo is, lijkt me dat laatste stuk verschrikkelijk. Er zal dan geen eind aan lijken te komen, terwijl dit voor de kracht in de benen niet geldt.


En dan? Stel dat ik het haal, het Observatoire. Stel dat het me lukt die hele lange weg af te leggen, het maanlandschap door, alsmaar omhoog tot een krijtstreep, tot een punt tussen de kale rotsen waar de weg weer omlaag begint te lopen. Wat gebeurt er als ik boven ben? Is er dan vreugde of is er alleen maar het gevoel dat alles kapot en verrot is? Is er het gevoel dat dit de langste lijdensweg die ik ooit meemaakte of is er het gevoel dat het best te doen was?

Is er dan een gevoel dat ik mijn grens verlegd heb? Is er dan een gevoel dat ik echt iets gepresteerd heb? Zelfs misschien het gevoel voor een seconde of twee dat de dood overwonnen is?


Volgende week, vermoedelijk buiten adem, het antwoord.

Zomaar een vrijdagochtend

Het was de manier waarop je liep die mijn aandacht trok. Trots slenterend. Hoofd omhoog. De zon in jouw gezicht, dat zich ergens op leek te verheugen.

Ik zag de vele kleuren van het jurkje dat je droeg. De manier waarop het rond jouw lichaam wapperde. Oh jouw lichaam. De vormen en rondingen. Wapperende in de zon stralende haren. Alles wat vrouw was aan jou. Alles waarnaar ik als bij toverslag verlangde.

Vlak voor het passeren sloeg je tersluiks jouw ogen naar me op. Valse wimpers, dacht ik. Aanspreken, dacht ik vervolgens. Mijn pas vertraagde. Dit is het moment. Jij wil dit net zo graag als dat ik dit wil. Dit moet dan toch eindelijk het moment zijn. Want nog steeds keken we elkaar aan. Nog steeds draalden we allebei.

Toen passeerde jij mij en ik jou en was het moment weg.

05 juni 2009

Terug

Frits ontdekte een grasveldje met een schommel en een klimrek. En ook een bankje. Daarop plofte hij neer. Hij bekeek het rood, geel en blauw van het klimrek. De verf was fris en nergens afgebladderd. Verderop stond een rijtje huizen, typisch hoge voorgevels die schuin op de straat stonden zodat het rijtje samen een zaagtand vormden. De huizen oogden alsof ze van bordkarton of plastic konden zijn, misschien vanwege het wat onnatuurlijke bruin van de stenen. Ze blonken nagelnieuw in de fletse zon. De wolken die op de wind van links kwamen, waren al flink grijs en groot aan het worden.


Het veldje waar hij vroeger voetbalde, was iets verderop, ongeveer waar het grote hoekhuis stond met de nog grotere auto voor de carport. Voor elke inkomensgroep was hier wat neergezet, dacht hij. Hoewel de armen een beetje vergeten waren, want zelfs voor die zaagtandhuizen vroegen ze al een kwart miljoen. Frits telde de tekoopbordjes en kwam tot drie. Welk huis had er gestaan op de plek van dit bankje waarop hij steeds gemelijker onderuitzakte? Dat van Ralph misschien, dat joch dat zo arrogant was omdat hij zo goed kon voetballen, maar als ze met de polsstok het land in gingen, wilde Ralph nooit mee. Hij had namelijk ooit een nat pak gehaald. Frits deed zijn ogen dicht. Laura natuurlijk, dacht hij enige tijd later. Een klein en chocoladebruin meisje. Was hij verliefd op haar geweest? Alleen omdat hij nog niet wist wat dat was, was hij het niet geweest, concludeerde hij. Hij zuchtte. In de armetierige boompjes floten de vogels net als dat ze vroeger in andere armetierige boompjes hadden gefloten. Niet alles was veranderd.


Hij stond op en wandelde de Zeeanemoon in, voorheen de Galjaardstraat. "Het is een meneer," herinnerde hij zich de verwijtende stem van papa toen hij ooit vroeg of dat een plant was. Papa had ook verteld waaraan deze meneer het verdiend had een straat naar hem genoemd te krijgen, maar dat was Frits nu vergeten. Toch eens googlen.

De huizen stonden verder van de weg af dan vroeger. Deze straat was veel ruimer dan die straat van meneer Galjaard van vroeger. Het scheen hem toe dat papa's stem altijd verwijtend geklonken had. Nu, nu hij liep op grond waar hij jarenlang thuis was geweest, zonder dat hij nog kon voelen waarom. Ook de geluiden waren anders. Waren er vroeger ook al zo veel auto's? Schreeuwden de kinderen vroeger ook al zo als ze opgingen in een spelletje?


Nu stond hij op de hoek. De doorkijk richting de oude molen was er nog, maar die was nu verbouwd tot een restaurantje. De wieken waren gerestaureerd en in vrolijke kleuren geschilderd.

"Afgebladderd was je mooier," zei Frits hardop en hij bekeek het huis wat ongeveer op de plek stond van zijn eigen ouderlijk huis. Het was nieuw. Groter. Hoger. De lelijkheid maakte hem boos. Vier ton of zo iets dergelijks aan lelijkheid.

Al snel draaide hij zich weer om. Hij had hier niks meer te zoeken.


Hij versnelde zijn pas maar bleef naar de verloren lelijkheid van vroeger terugverlangen.

04 juni 2009

De verklaring

Tja, dat krijg je als Jan en Yolanthe uit elkaar zijn. 40% voor de PVV.

01 juni 2009

Matglas

De matglazen ruit naast de deur trok hun aandacht. Twee smalle ruitjes naast elkaar waarin een antracietgrijs hokjespatroon verweven was. Boven de langwerpige ruitjes zaten nog eens drie vierkante ruitjes, maar te hoog in de gevel om doorheen te kunnen kijken. Ook als je op je tenen ging staan, wat ze nu toch probeerden. "We hadden een ladder mee moeten nemen," grapte de vrouw. Door de zon beschenen waren haar kastanjebruine haren paarsig. Misschien zat in het Kruidvattasje in haar hand deze keer een kleurspoeling van betere kwaliteit.

"Er zit zo veel vuil en spinnenwebben op die ruitjes dat het ook matglas geworden is," grapt de man. Zijn overhemd hing open. Borsthaar puilde uit. Hij pakte zijn zonnebril die aan een touwtje om zijn borst hing en kauwde op een punt.

"Zou daarachter nou een kamer zijn?" vroeg de vrouw, maar de man dacht dat er alleen maar een gang zou zijn. Een gang met een trap naar boven. Hij wees naar de twee grote ramen ver boven de matglazen ruit, de deur en het bord "Te Koop" ertussen.

"Want daar wonen ze volgens mij," zei hij. Hij tuurde. Er vertoonde zich niemand achter de ruit.


De vrouw zette haar handen als rondom een schelp gevouwen tegen het matglas. Ze boog zich voorover en bracht haar neus tegen en haar ogen vlakbij het glas.

"Ik zie echt niks," zei de vrouw met een mengeling van teleurstelling en verwondering.

"Dat is ook de bedoeling," zei de man.

"Matglas is een spiegel van de ziel," overpeinsde hij, terwijl zijn vrouw achteruit liep tot ze naast haar man stond, terug in de zon.

"Hoezo de bedoeling? Je kiest toch niet voor glas als je niet gezien wilt worden?"

"Voor het licht," zei de man. "Je hebt wel licht in de gang, maar geen gegluur."

Pleit beslecht. Zwijgend tuurden ze naar boven naar de hoge ramen, waar planten in aardewerken potten voor stonden. Allebei knepen ze hun ogen toe voor de zon die fel op de ramen reflecteerde. Ze gebruikten niet hun zonnebrillen. De vingertoppen van de vrouw speelden een beetje met de ruitjes op de bloes van haar man toen ze zijn middel omhelsde. Dit hokjespatroon was groenig en gelig.


"Zullen we aanbellen?" vroeg ze, op een ondeugende toon alsof het aanvoelde als belletjetrekken.

"Als er iemand thuis was, was die vast al voor de ramen komen koekeloeren," zei de man. Hij voelde het hoofd van zijn vrouw op zijn schouders landen. Hij pakte haar stevig vast en loodste haar met zich mee, het stille straatje uit en de drukke winkelpromenade tegemoet.

Clicky

Clicky Web Analytics