31 augustus 2009

Eindelijk dan toch het stukje over de poes

Het cliché over bloggen luidt dat als je echt niet meer weet waarover je moet schrijven, je dan maar een stukje over de poes doet. Waarbij voor poes naargelang jouw bestiale voorkeuren ook hond, fretje of cavia gelezen mag worden. Toch is gebrek aan inspiratie is niet de reden voor dit stukje, mijn eerste stukje ooit over een huisdier, want ik ben net terug van vakantie en in mijn schriftje staan zeker 2 en mogelijk 4 nog niet gepubliceerde logjes.


Ze is dan ook niet mijn huisdier, meer dan een one night stand hebben we niet gehad. Sterker nog, ik wist helemaal niet dat zij naast me lag. Zoiets als ik heb stiekem met je gedanst, ik hoop dat je het leuk vond. Wel wilde het geval, dat toen ik mij net in mijn bed begeven had, net lekker lag, ik een ruiserig geluid hoorde en vervolgens zat ik recht overeind van een luide bons. Duidelijk het geluid van iets dat viel. Ik deed het licht aan, maar zag niks dat stuk was of niet meer op zijn plek zat of stond. Ik piekerde nog wel even over wat er nu toch voor geheimzinnigs stuk gegaan was, en of ik misschien een muis had. Wel een luide bons voor een muis die iets omstoot. Bovendien heb je een muis toch altijd beneden en nooit boven? Affijn, ik wist het allemaal niet, ik wist alleen dat het nu weer stil was, dat ik moe was en dat er morgen weer een dag was, dus ik ging liggen en ik sliep.

Rond 6 uur werd ik uit een droom vandaan getrokken en moest ik naar de WC. Slaapdronken stapte ik uit bed. Op weg naar de WC-deur kwam er in het schemerdonker een schim tevoorschijn die op vrij korte afstand mijn been passeerde. Wat ik nu schrijf, klinkt eng, maar dat was helemaal niet wat ik voelde. Ik herkende de schim namelijk als een poes en van poezen ben ik niet bang, dus ik schrok niet. Mijn eerste en volkomen kalme gedachte was: "Goh er loopt een poes over mijn bovenverdieping". Gevolgd door enige verwondering over hoe het beest binnengekomen kon zijn. Er waren twee mogelijkheden, via de tuin door de achterdeur, die gistermiddag een paar uur openstond of via de tuin door een van de dakramen (die ik, zo zag ik nu, nogal ver had opengezet). In ieder geval via de tuin, want de voordeur had niet opengestaan. Reden voor verwondering, want het grappige is dat ik nog niet zo lang in mijn nieuwe huis woon en de vorige bewoners, met name de bewoonster, was nogal fel op het weren van katten uit de tuin. Op de schuttingen staan allemaal gaasjes gespannen om te voorkomen dat er katten in tuin komen pissen en schijten. Dus mijn derde gedachte was: "Haar strijd is verloren en meteen goed ook."


Terwijl ik stond te plassen, was mijn vierde gedachte: "Hoe vind ik waar dat beest zit en hoe krijg ik haar weer weg uit mijn huis," want de gedachte straks op te staan, naar mijn werk te gaan en die poes lekker te laten zitten, vond ik op zich niet afschrikwekkend, maar ik vermoedde in dat geval bij thuiskomst toch een penetrante pis- en poepgeur. Bovendien zou mevrouw het na een hele nacht vervolgens ook nog een hele dag zonder Kitekat moeten stellen, wat ik best zielig vond. Als je mij zoiets aan zou doen, zouden we in ieder geval nooit meer vriendjes zijn.


Ik maakte vervolgens een fout. Ik had nu eerst naar beneden moeten lopen om een deur open te zetten, een vrijgeleide creëren voor mijn logeetje. Maar ja, zoals ik al zei, het was 6 uur en dat is niet mijn allerhelderste periode. Dus ik knipte het licht aan om het visuele voordeel van poezenbeest teniet te doen en ging maar eens op zoek. Na het losmaken van wat gordijntjes die het ingerichte deel van de bovenverdieping scheiden van de rommel, schitterde mij een ogenpaar tegemoet, een beetje nieuwsgierig en zeer op haar hoede. Een gevoel dat wederzijds was, want hoewel het een jonge poes leek, een pubertje zeg maar, kon ik niet meteen goed inschatten hoe bang of agressief ze was. Het leek een beetje alsof Noord-Korea voor het eerst sinds jaren om de tafel ging met Zuid-Korea. Zodra ik wat rotzooi verschoof, schrok poezenbeest daar zo van, dat ze met een ruime boog om mij heen vanachter de gordijntjes sprintte, het bed over, naar de trap, richting beneden en richting de deur.

"Dat gaat goed," dacht ik en ik zei het ook. "Goed zo poessie," want als je dieren kalm wil stemmen, ga je er tegen praten, hoewel dat vermoedelijk geen zier helpt. Vervolgens kwam ik het beest rustig achterna en ze deed wat ik hoopte dat ze zou doen, de trap nemen naar beneden ("Gelukkig, het beest durft trap te lopen"). Maar omdat daar niks openstond, was er beneden geen vervolg voor onze voortvluchtige viervoetster. Ze kroop onder de fietsen en toen ik zelf naar beneden liep, zo van ik zal de deur even voor je opendoen, schoot ze als een schicht langs mijn benen terug naar boven. Naar ergens.


Godverdegodver. Inmiddels was ik in ieder geval wakker. Eerst dan maar eens de voor- en achterdeur openzetten. Ik bedacht de truc om haar met een schoteltje melk te lokken, maar na het opengooien van de koelkast sneuvelde dit cunning plan bij gebrek aan melk. Kattenbrokjes heb ik als huisdierloze alleenstaande helaas niet op voorraad. Ik probeerde nog wel even om poes te foppen door onderaan de trap met een pak macaroni het geluid van kattenbrokjes na te bootsen, maar ik hoorde vanuit het donkere gat bij wijze van spreken een homerisch hoongemiauw opklinken.


Dus ik ging weer naar boven om te zoeken en vond na enig puzzelen mijn logeetje terug in het dode hoekje achter de verwarmingsketel en de badkamer. Daar had ze dus ook gezeten toen ze mij passeerde bij het naar de WC gaan. Daar had ze waarschijnlijk de hele nacht gezeten om ongestoord rond te snuffelen terwijl ik mijn schoonheidsslaapje sliep. Maar nu vond ze het in haar hotel niet zo leuk meer.

"Miauw," zei ze klaaglijk. Ze had honger. Ze wilde naar huis. Nou dan wilden we dus precies hetzelfde, alleen moest ik dat mevrouw nog even aan het verstand zien te peuteren. Dat lukte niet zo, want zodra ik zachtjes tegen de verwarmingsbuizen tikte, kwam mevrouw weliswaar uit haar donkere schuilplaats tevoorschijn, maar niet om naar beneden te rennen. Ze sprintte naar de overkant, naar achter dat andere gordijn, waar dat andere mooie donkere plekje was waar ik haar voor het eerst gevonden had.


Ik snapte haar wel, want daarnet was ze namelijk al naar beneden gerend, om te ondervinden dat daar geen ontsnapping was en ook geen veiligheid. Boven had ze de hierboven de hele nacht ongestoord gezeten, dus daar voelde ze zich veilig. Ik begon me ernstig af te vragen hoe ik poezenbeest beneden ging krijgen, in haar optiek de onveilige kant op. Waarschijnlijk zou ik haar moeten grijpen, maar ze was klein en watervlug, en bovendien ging ik dan vast kennismaken met haar scherpe nageltjes. Noord-Korea was echt nog niet genoeg ontdooid voor geknuffel.

Weer stonden we oog in oog. Weer een zielige miauw die duidelijk klonk als "Ik vind het niet leuk meer hier, ik wil naar huis."

"Ja lieverd, dat wil ik ook dat jij naar huis gaat," zei ik. Zo praatten we heel wat af. Ik nam haar eens op. Oranje lapjes en lief spits koppie. Ze deed me een beetje denken aan de lapjeskat die vroeger op mijn tweede studentenflat regelmatig om een aai of een kopje kwam vragen. Dat was mijn slechtste tijd. De tijd dat ik me stuurloos, doelloos en volkomen overbodig voelde en die poes van toen leek haast het enige wezen te zijn dat snapte hoe ik me voelde. Ja, ik hou eigenlijk erg van katten. Maar helaas ben ik ook erg allergisch voor ze.


Goed, ter zake. Ik probeerde het maar weer eens met geluid maken, ik schoof aan een doos waar mevrouw poes half onder zat. Ze keek angstig omhoog. Aha, ze had de schrik nog in de poten van die bons van toen ik net ging slapen. Nog wat schuiven en ze had het niet meer. Dit keer schoot ze onder het bed. Vervolgens maakten we een rondje. Het bleek dat er boven drie plekjes waren waar ze zich veilig voelde, maar nu ik haar steeds opnieuw achterna kwam en geluiden ging maken, verdween haar veilige gevoel. Ik zag haar onrust groeien. Ik kreeg met haar te doen, want ze voelde zich in het nauw gedreven, dus probeerde ze op een gegeven moment met een gekke sprong te ontsnappen waarna dat lieve koppie met een welluidende "kloenk" tegen de radiator botste. Au.

"Het is voor je bestwil," zei ik, "Want jij wil hier ook niet de hele dag zonder Kitekat zitten." Ik bleef haar achtervolgen, totdat ze het boven zo onveilig vond dat de trap een veiliger optie leek. Drie treden. Waarna ze ineengedoken naar me loerde.

"Toe maar," zei ik op mijn allergeruststellendste toon, maar ja, in Noord-Korea is het wantrouwen groot en diepgeworteld. Ik kwam haar voorzichtig achterna en weer schoot ze drie treden omlaag.

"Kijk dan om, sufferd," dacht ik geërgerd, "want dan zie je een open deur". Ik sprak mijn gedachte natuurlijk niet uit op mijn geërgerde maar op mijn behaagzieke toontje, met het poelekiepoelekie-stemmetje. Maar het beest deed niet wat ik zei. Natuurlijk keek ze niet om. Ze had alleen maar oog voor haar belager, van wie ze inmiddels vermoedde dat ze weinig te vrezen had, maar zeker weten was weer een hele stap verder in de vertrouwensopbouw.


En toen roetste ze opeens de trap af en zag ze de open deur en flits, weg was ze. Ik liep snel naar de deuropening en zag haar oranje lapjes midden op de nog lege straat met verbaasde opluchting de wijde wereld in schieten. Ik dacht dat ze misschien nog even om zou kijken, maar besefte dat een kat zoiets niet doet. Zij dacht nu trouwens niet meer aan mij. Zij dacht aan Kitekat.


Ik dacht aan de toekomst van mijn log. Nu het stukje over de poes geschreven was, zijn er nog maar twee toekomstscenario's. Het ene is dat dit log over 3 maanden niet meer geupdate wordt. Het andere is dat de achtergrond straks roze is, met in de kantlijn snoezige en poezelige fotootjes.

30 augustus 2009

Speicherstadt

Opgetrokken uit twee kleuren. Roodbruin voor de stenen van de hoge gevels. Groen voor de kleur van de lijnen in de gevels, de kozijnen, de omhulsels van de takels in de nokken van de daken. Rijen hoge gevels, strak in het gelid, met water ertussen en bruggen. Zowel de klank van de naam als de aanblik van Speicherstadt is zo Duits als Duits maar kan zijn. Al die strakke lijnen. Al die orde. Al die regelmaat.

Waarschijnlijk ben je bedacht. Vermoedelijk ben je een concept. Toen de Oude Haven moest plaatsmaken voor een moderne containerterminal, bleef een probleemgebied achter, maar er werden architecten ingehuurd die met jou op de proppen kwamen. Toch lijk je niet nieuw. Als ik langs jouw gevels tuur, lijkt het alsof je er al eeuwen bent. Dat gevoel zal te maken hebben met de relatieve rust die tussen jouw gevels heerst, alsof ik hier kan gaan zitten en alleen een klok zal horen tikken. Niet meer al die auto's. Hamburg is van auto's vergeven, maar hier is het rustig. Op één of twee van jouw bruggetjes is het geraas niet meer dan achtergrondruis.

Het is ook vanwege het water. Beroerd door de wind tot kleine golfjes kabbelt het langs jouw gevels. Verdraagzaam maar hooghartig kijk je erop neer. Je schijnt niet door te hebben dat je het water nodig hebt. Zonder dat water zou je een tang op een varken zijn, een schaap met 5 poten. Zonder dat water zou je de schijn dat je bedacht bent voor toeristen, altijd tegen je blijven hebben.

Maar de zon, het licht, heb je nog het meest nodig van alles. Het is de zon die jou tot leven wekt. Jij staat daar wel zo mooi strak en eeuwig bewegingloos rechtop, maar als dat alles was, was je een dooie diender. Maar dan komt de zon om je over jouw bol te aaien en onder jouw luifeltjes te kietelen. Ze maakt jou los. Ze geeft jou iets frivools. Ze geeft jou kleur op je wangen. Het is de zon die verraadt dat jouw bruine stenen mat zijn maar dat jouw groene lijnen glimmen. Als de zon met jou speelt, een loopje met jou neemt, gekke snorretjes op jou tekent, dan blijk je opeens te kunnen lachen. Dan verdwijnt dat strakke en wordt al die orde en regelmaat gerelativeerd.

Als ik langs jouw gevels tuur zoals ik een mooie vrouw zou willen bekijken zonder het te durven, wil ik jou voor mij alleen hebben. Mijn privé-spookhuis zou je moeten wezen. Allemaal panden vol met gangen, deuren en wenteltrappen, die toegang geven tot steeds maar weer nieuwe, grillig gevormde ruimtes. Met nieuwe geluiden. Met hier en daar een verrassing. Ik wil jou voor mij alleen om eindeloos in rond te dwalen, met als enige geluid mijn eigen voetstappen. Of nog beter, mijn voetstappen samen met de voetstappen van iemand waar ik van hou.

Maar het is goed zo. Je bent niet van mij. Je bent van niemand. Je bent een plek waar het fijn is om rond te wandelen, naar die lijnen te turen, naar de spelletjes te kijken die het licht speelt met jouw gevels en het water ertussen. Kijken en rust ervaren. Wat een fijne plek ben jij.

07 augustus 2009

Hahahahahahahahaha

En toen las ik dit.

Bullshit. De werkelijke reden dat de man van het scherm moet is natuurlijk dit.

Radhakishun dus

Dennis wist zo even één twee drie niet wat te schrijven. Dat overkwam hem zelden. Normaal gesproken had hij last van een luxeprobleem. Zijn leven was zo dynamisch en intens dat hij er eenvoudig niet aan toe kwam erover te schrijven. Maar nu was zijn hoofd gewoon even helemaal leeg.

Helemaal leeg? Het bonkte en klopte en zeurde in zijn hoofd. Te veel gedronken. Het was er niet eentje te veel, en ook geen twee. Op het muurtje bij de kroeg die sinds kort in zijn eigen buurtje lag, was het erg gezellig geweest. Nu betaalde hij de prijs. Een houten kop in plaats van een frisse kop vol ideeën. En hij moest vandaag wat schrijven, want morgen ging hij op vakantie en dan zou zijn lezerspubliek voor drie volle weken verstoken blijven van zijn altijd weer oorspronkelijke kijk op het leven in het algemeen en zijn eigen leven in het bijzonder. Altijd weer verfrissend, maar nu helaas even niet. Nu waren zijn oprispingen zuur.


"Ik zal in ieder geval niet de fout maken om op Internet te gaan vertellen dat ik op vakantie ben," dacht hij. "Want dan komen ze op hun dooie gemakkie mijn huis leeghalen."


Dennis lachte hardop. Nee zo stom was hij niet. Meetellend op zijn vingers liet hij de onderwerpen de revue passeren.

"Op één, de Mexicaanse griep." Hmm. Hij had al ongeveer 20 jaar geen griep gehad, dus hij geloofde eerlijk gezegd dat hij deze griep ook niet ging krijgen. Jammer, want hij had een leuker verhaal gehad als hij bibberend voor de televisie naar dokter Coutinho zou kijken. Maar dat deed hij niet. De associatie met de Zangeres Zonder Naam was stukken dichterbij dan de associatie met de dood.

"Op twee, Jan en Yolanthe." Oh nee, dat was onderhand wel heel oud nieuws, de Breuk. Bovendien waren daar Michael Jackson, Ria Brieffies en Michael Zeeman overheen gekomen. Van geen van alleen had hij een necrologie gedaan, bedacht hij. Hij kreeg een onbehaaglijk gevoel. Hij voelde zich onbeleefd. Al die sterren maar doodgaan, en hij maar zwijgen als het graf. Hij nam zich voor bij de volgende dooie eens goed uit te pakken. Een passend eerbetoon zou hij hem geven, of haar natuurlijk.

"Op drie, Prem Radakishin bij Zomergasten." Dan moest hij om te beginnen de spelling van zijn achternaam googlen, want fouten duldde hij niet. Als hij achteraf een stukje van hemzelf overlas en een fout ontdekte, dan werd hij razend. Dan ging er huisraad aan. Mannen met zo'n achternaam moesten gedwongen worden om te trouwen met vrouwen die Smit heetten en vervolgens verplicht worden de achternaam van hun vrouw aan te nemen. Zo, dat vond hij een mooie recalcitrante stelling. Van Premachtige allure, dacht hij, en opeens was hij verbaasd ingenomen met zichzelf. Hè, heerlijk, nu hoefde hij lekker ook niet meer te googlen. Of zou hij nog gaan googlen of de Zomergastpresentatrice, die hij eigenlijk wel een lekker ding vond, inderdaad lesbisch was? Eigenlijk best seksistisch, dat hij niet op haar naam kon komen maar wel haar mond en mooie lippen voor zich zag.


Hij schudde zijn hoofd. Hij balde zijn vuisten.

"Nee hoor," zei hij hardop. "Dat praten jullie me niet aan, dat ik seksistisch ben."

Dennis bedacht dat het feit dat hij een beetje op lesbische vrouwen viel, onomstotelijk bewees dat hij geen seksist was. Hij lachte, weer hardop. Weer voelde hij zich behoorlijk in zijn nopjes met zichzelf. Zijn metroseksuele zelf, dacht hij hardop en nu moest hij zo luid lachen dat iemand die hem passeerde, een bejaarde man met een boodschappentas, opkeek.


Toen schaamde hij zich een beetje voor zichzelf. Hij ging beter rechtop lopen. Hij ging overdreven netjes schrijden. Niet opvallen, dacht hij.

"Op vier…," dacht hij.

"Zou ze ooit nog wat van me willen," dacht hij.

En hij liep door, mooi rechtop.

03 augustus 2009

Gisterochtend in mijn tuin

"Zoiets heb ik nou nog nooit gehoord," sprak Afke Afstel lijzig tot Lydia Langzaam.

"Inderdaad, ongehoord," stemde Lydia Langzaam in.

"Hij zegt dat hij toe is aan een nieuwe omgeving," zei Titus Traag en kauwde verder op zijn passiebloem.

"Tegen mij zei hij dat hij eruit gegroeid was," beweerde Elven Dertigst die even pauzeerde, halverwege op weg naar een nieuw, sappig hostaatje.

"Hij had toch zijn droomhuis gevonden?" kwam Rutger Rijpberaad tussenbeide. "Dat heb ik tenminste begrepen. Het lag zomaar in het hoekje van zijn tuin. Een prachtig gaaf exemplaar: mooi bruin koepeldak, twee slaapkamers en een riante woonkeuken. Hij was er meteen verliefd op."

"Wat was de vraagprijs?" wilde Morgan Isrwerendag weten. In de hele tuin klonk gejoel op.

"Wat een opmerking," giechelde Lydia kronkelend.

"Duidelijk een starter op de woningmarkt," vond Titus.

"Jij hebt er dus echt niks van gesnapt," smaalde Elvira Einde-Loos, zoals altijd onafscheidelijk van haar man Gebedzonder. Ze kauwden samen op het laatste restje kruiskruid.

"Maar dat is toch ook gebeurd bij ons baasje?" vroeg Morgan wat hulpeloos. "Die heeft toch ook zijn huis verkocht, zodat we nu een ander baasje hebben? Zo hebben we toch maat 47 op ons dak gekregen?"

"Mijn dak misschien," zei Lydia vol venijn. "Maar naaktslakken moeten maar beter niet spreken over daken."

"Of over huizen," zei Elven minzaam, waarna Morgan zijn voelhoorntjes beledigd in de lucht stak en opzichtig heupwiegend de tegels begon over te steken in de richting van zijn vochtige nis. De slakken besteedden er geen aandacht aan. Ze hadden toch al niet zo veel op met Morgan. Altijd dat geslijm van hem.


"Maar hoe ziet hij dat dan voor zich?" wilde Afke weten. Haar huisje schudde van verbaasde agitatie. Rutger zei dat hij geen idee had, maar Leo zelf blijkbaar wel, want hij had zelfs een voorlopig koopcontract getekend. Er werd verbaasd omgekeken. Er waren zelfs kaken die ophielden met malen.

"Wat is dat nou weer?"

"Een afspraak dat je een huis wilt kopen. Met de prijs erin en ontbindende voorwaarden."

"Ontbindende voorwaarden?"
"Dat is zoiets dat je halverwege het terras bent, maar dan breekt de zon door en ga je dus haastje repje terug."

"Maar wie is dan de verkoper?"

"Hoe veel betaalt hij dan?"

"Moet hij nu dan soms een hypotheek nemen?"

"Is de rente van een tweede huis wel aftrekbaar?"

Rutger hief bezwerend zijn voelhoorns op. "Niet allemaal tegelijk, jongens. Rustig aan, dan breekt het lijntje niet."


In het uur dat volgde wist Rutger te vertellen dat Leo eerst dacht dat hij gewoon in het huis kon gaan wonen als hij dat zou willen, maar zodra hij bij de voordeur rondsnuffelde kreeg hij een berichtje via het slakkenmeldingssysteem…

"Oh SMSje," zei Titus, die zes jaargetijden jonger was.

"… Dat het huis eigendom was van de erven Melker. De vraag van Morgan was helemaal niet zo stom als jullie dachten, want inderdaad, er is een vraagprijs. Er zijn zelfs kosten koper. Maar Leo heeft goede hoop dat de hypotheekrente ook voor slakken aftrekbaar zal blijken te zijn. Dat is namelijk een heilig huisje. Hij denkt dat hij de financiën rond krijgt."

"Dat hij de financiën rond krijgt, dat geloof ik nog wel," zei Lydia driftig en als ze dat was, kroop ze altijd verbazend snel heen en weer, achternagezeten door vochtig kronkelende sporen. "Maar wat doet hij met zijn oude huis? Hoe komt hij daar van af?"

"Dat is een goede vraag," zei Rutger. In de tuin was het op het ruisen van de wind door de bladeren na, stil geworden.

"Misschien verkoopt hij het aan zo'n starter?" probeerde Elvira. "Had Morgan het laatst niet over settelen?"

"Ja hij had het over huisje boompje beestje," giechelde Afke. "Het is toch eigenlijk wel een schat."

"Het verkopen lijkt me niet eens het grootste probleem," zei Rutger. Hij stak een wijs voelhoorntje de lucht in. "Een slak die zijn huis aflegt, legt het zelf af."

"Een waarheid als een koe," vond Gebedzonder.

"Wat is een koe nou weer?" snibde Elvira.

"Jij bent duidelijk nooit in een vuilniszak gestopt en met de wagen meegenomen," viel Gebedzonder uit. "Ga toch eens een keer wat van de wereld zien."

"Een vuilniszak lijkt me nou helemaal niks," griezelde Elvira. "Nee hoor geef mij mijn oude vertrouwde tuintje maar. Lekker vochtig." Vergenoegd bekeek ze de grassprietjes waar voor de zesde keer deze ochtend druppels op neerdaalden.

"Het lijkt wel of die zomers steeds beter worden," zuchtte ze verlekkerd.


"Maar Leo gaat dus proberen zijn huis af te leggen?" zei Lydia vol ontzag.

"Ik vrees van wel," zei Rutger.

"Als dat maar goed afloopt," somberde Tinus.

"De huizenmarkt zit zo vast, ik wed dat hij er over een jaar nog steeds mee zit," voorspelde Lydia en Lydia had wel vaker gelijk.

Clicky

Clicky Web Analytics