28 mei 2010

De Hollandse Berg

We waren met z’n vijven, vijf Hollanders die de Hollandse berg op wilden, Alpe d’Huez. Ieder had zo z’n eigen verwachting. Drie van ons wisten niet zo goed waaraan ze begonnen, ze hoopten boven te komen en ze hoopten een aardige tijd te scoren, zonder precies te weten wat voor hen een aardige tijd was. De mate van getraindheid wisselde. Twee van hen hadden zich goed voorbereid, de derde had een voorbereiding gehad die bestond roken en drinken en nog nooit op een racefiets gezeten tot nu. Ging hij het halen? Niemand die het wist.
Twee van ons wisten wat klimmen is (vorig jaar Mont Ventoux). Eén van hen is de Pantani van onze gezelschap, de man die na 100 meter al ongeveer uit het zicht is. De ander ben ik. Ik ben geen klimmer. Ik ben er te lang voor en mijn luchtwegen zitten te structureel verstopt om bij een hartslag van boven de 160 nog fatsoenlijk zuurstof te krijgen. Als een klim erg steil is, raak ik buiten adem.  Maar ik heb wel geleerd wat ik ongeveer aan kan en ik heb geleerd wat ik goed kan, en dat is snel herstellen op de lichtere stukken en daar een flink ritme rijden. En ik vind klimmen heerlijk om te doen, dus nee, ik voelde vrees noch onzekerheid toen we op het bruggetje stonden en een bocht linksaf voor ons zagen die steil omhoog ging. Kom maar op met die rotberg. Ik dacht nog wel even terug aan vorig jaar, Mont Ventoux in zicht op het onzedige tijdstip van kwart over 8 ’s ochtends. Toen keek ik op naar de berg en hoopte ik dat ik hem kon bedwingen, maar er was ergens een licht knagende onzekerheid dat het niet zou lukken. Nu keek ik om of iedereen er klaar voor was, en zag die onzekerheid van een jaar geleden terug in de ogen van de mensen die nog niet wisten tot waartoe hun benen hen kunnen voortmalen.

Zoals het profiel ook al aangeeft, laat Alpe d’Huez er geen gras over groeien. Het is meteen stoempen met zwalkend bovenlijf in plaats van omhoog dansen als een ballerina. Ik lig voorop en denk waar blijft Pantani en op dat moment stuift er iemand langs, maar het is niet Pantani, het is onze rokende, drinkende en opdebankhangende beginneling, wel met Pantani achter hem aan. Dit kan niet anders dan iets te overmoedig zijn, die kom ik over een paar bochten echt wel weer tegen. Als ik na het ronden van de waar-blijft-ie-nou bocht, bocht 21, voor het eerst ingehaald wordt door iemand die niet bij ons groepje hoort, zeg ik “bonjour” en krijg “hallo” terug. Hé en wie staat daar aan de kant van de weg uit te blazen, is dat niet onze bankhangende beginneling?
“Ik ben helemaal buiten adem,” zegt ie, en ik denk “Goh wat een verrassing.”

Van de mensen die Alpe d’Huez beklimmen is meer dan de helft Nederlander. Het algehele klimniveau ligt niet heel erg hoog, want ik haal veel meer mensen in dan dat ik ingehaald wordt. Ik zeg nu “hallo”. Of ik zeg niks, want je kunt tijdens klimmen beter adem sparen.
Tot en met bocht 17 (Joaquim Agostinho en Carlos Sastre) is het erg zwaar, maar daarna rijd je naar een eerste dorpje toe en is het een tijdje makkelijker. Peter Winnen komt langs (bocht 15 en bocht 13), mijn held van vroeger, uit een tijd dat wielrennen nog door helden beoefend werd in plaats van door mensen die moeten liegen dat ze nooit wat nemen, want anders gaat hun kop eraf. Overal stroomt water. Het komt van de hellingen af en belandt in gootjes langs de weg. Op sommige plekken gaat het in gootjes onder het asfalt door. Ik raak helemaal in mijn element, want ik rij een lekker ritme, zie de zon de hellingen beschijnen en luister naar al dat water om me heen. Dit is waarom ik klim. Dit is waarom het zo’n fijne bezigheid is. Het gaat me minder om de tijd, al is dat altijd het enige wat gevraagd wordt als twee mensen elkaar ontmoeten die een berg beklommen hebben: “Wat was je tijd?” Vooral vanwege die vraag die ik nog ga krijgen, gaat het me stiekem toch wel een beetje om de tijd, al weet ik heel goed dat mijn tijd op echt goede klimmers geen enkele indruk maakt, terwijl ik voor de mensen die zo’n berg nooit zouden aandurven, best een half uurtje langzamer kan rijden. Voor de positie binnen ons gezelschap maakt het ook weinig uit wat ik doe, want Pantani zit een onbestemd aantal minuten voor me en van de anderen zie ik geen glimp als ik drie bochten naar beneden kijk.
Toch stap ik minder dan normaal af om foto’s te nemen. Ik wil binnen anderhalf uur, denk ik, want dat was de tijd waarop ik uitkom als ik die van Mont Ventoux neem en extrapoleer naar Alpe d’Huez. Plotseling lijkt die vermaledijde tijd toch belangrijk.

Tot het dorpje Huez gaat het gestaag, maar daarna wordt het vechten. De berg is nu ook weer erg zwaar geworden, te zwaar om een goed ritme te houden. Ergens tussen bocht 5 en 4 krijg ik een inzinking, ik voel dat mijn hartslag te hoog is en ik hou het nu ook niet meer vol om minstens 9 kilometer per uur op de teller te laten prijken. Maar dan kom ik binnen bereik van een cameralens, een fotograaf die van het fotograferen van bezwete Nederlanders zijn beroep heeft gemaakt. Even lachen naar de camera. Even aanzetten. Maar nee, het gaat echt niet lekker meer, dus besluit ik tussen bocht 4 en 3 even stil te staan en even te drinken. Even een minuutje rust. Even omhoog kijken naar hoe ver ik nog moet en dit doen met een begin van holle ogen. Nee niet fijn. Maar ik herinner me de man die ik net inhaalde, twee keer zo bezweet als ik en slingerend, waarschijnlijk niet meer in staat om 7 kilometer per uur op de teller te laten prijken. Ik kijk om waar hij nu is en zie dat het nog zeker een minuut gaat duren voordat hij bij me is, terwijl het amper 3 minuten geleden is dat ik hem inhaalde. Op de flanken van een berg is alles relatief. Iedereen zijn eigen tempo. Pantani (de echte) rijdt deze berg in 37 minuten en maakt daarmee een clown van de mensen die het in een uur doen, maar de gedachte dat ik deze berg in een uur zou kunnen doen, is zo onrealistisch dat hij me niet eens afgunstig maakt. Ik ga weer op weg en zie even later 9,5 op de teller staan, Pantani zou er van janken, maar die slingerende vent waar het zweet van af gutste, zou er een moord voor doen. Nog weer even later kom ik iemand tegen die aan het lopen is. Tja, zo kom je ook boven. Het uitzicht is prachtig, dus ik besluit, na op mijn horloge gekeken te hebben, om toch maar even een foto te maken, want dat anderhalf uur ga ik halen.




De lopende man vraagt of hij een foto van mij moet nemen. Ja doe maar, denk ik, en ik hoop dat het even lachen niet op even grimassen lijkt:

Na bocht 1 vecht ik mezelf het skidorp in. Het tourparkoers blijkt te worden aangegeven, da’s mooi, want op Google Earth was het niet zo goed te zien geweest waar de renners in het dorp nou precies langs gestuurd worden.
Bij een barretje aangekomen, is het opeens stampvol. Het lijkt wel alsof de Nederlanders hier allemaal stoppen, maar op de Tourbordjes staat arrivée 1,5 km. Hilbert je moet nog een rondje, denk ik, en ik ga dus door, linksaf een tunneltje in, waarachter het eigenlijk nog steeds niet echt licht klimt, maar wel lichter dan daarnet buiten het dorp. Een eindje verderop is er een bocht naar rechts en dan gaat het opeens naar beneden. Na een zo lange tijd 9 à 10 kilometer per uur gereden te hebben, lijkt 28 opeens op vliegen. De Zoetemelkbocht komt eraan, die bocht waar Mart Smeets nu nog steeds zegt “Kijk uit,” maar de bocht is niet meer wat het geweest is, tegenwoordig ligt er een rotonde. Onze groeps-Pantani staat er om me toe te juichen. Arrivée 300 meter, lees ik. Ik duik linksaf en voel de weg vals plat omhoog lopen. Aanzetten slaat in de benen. Dit is de plek waar Winnen in 1983 tegen Bernaudeau aanhing en de sprint won die eigenlijk een beetje een parodie op een sprint was. Ik voel nu in mijn eigen benen waarom, want sprinten na zoveel kilometer klimmen is echt geen doen. Ik ben er. 1 uur 25, dat bleek mijn tijd te zijn. Twee dagen later deden we de klim nog een keer en toen was mijn tijd 1 uur 27.
Onze groeps-Pantani deed het net binnen 1 uur 10. Onze nicotineademende metgezel bleek de grote verrassing, op de eerste klim was hij zoals vermeld wat al te woest begonnen en presteerde hij het bovendien om verkeerd te rijden (wat hij overigens later op Col d’Ornon nog een keer presteerde, zodat hij op een landweggetje tussen de schapen terecht kwam), zodat zijn tijd onduidelijk was, maar op de tweede klim ontpopte hij zich als klimgeit en scoorde hij 1 uur 35. Hoezo moet je trainen voor Alpe d’Huez? De andere twee mensen uit ons gezelschap zaten boven de 2 uur en waren vooral erg blij dat ze boven zijn gekomen. Zij vonden het na één klim ook wel welletjes, de vlakke weg had ook zo z’n charmes. Maar wel zitten ze vol goede voornemens voor volgend jaar, dus wie weet wat 2011 gaat brengen.

Die tweede klim die we deden,, was op zaterdag en dan is het druk op de Hollandse berg. De Nederlanders gaan in groepen omhoog, hele pakken overbevolking gehuld in identieke shirtjes. Het zijn de Nederlanders die het druk maken op deze berg, want later op de zaterdag hebben we ook nog Les Deux Alpes gedaan en daar kwamen we op de klim 5 mensen tegen en in de afdaling nog eens 5. Als je bovenkomt in Les Deux Alpes, rijd je een verlaten skidorp binnen, maar bovenkomen in l’Alpe d’Huez, ook een skidorp, bleek iets totaal anders. Bij het barretje, waar je eigenlijk nog anderhalve kilometer moet, maar Hollanders vinden dat hier de Arrivée ligt, stond een grote auto met een klok erop en tientallen mensen met blauwe shirts eromheen. Verder waren er allerlei mensen in oranje shirt.
Wij klommen wel door naar de Tourarrivée maar doken daarna neer op het terrasje om rustig bij te komen van onze tweede vlucht naar de top. De rust bleek helaas relatief, want de groep Hollanders in de oranje shirts was druk doende ons café te versieren met rood-wit-blauw en oranje vlaggetjes, terwijl de groep Hollanders in blauwe shirts elkaar midden op straat aan het fotograferen was, waarna ze luid juichend op de groepsfoto gingen. Vervolgens deden ze iets wat wel mijn instemming had. Ze pakten hun fiets en gingen afdalen.

De oranje shirts ondertussen, omhelsden elkaar en ze klopten op elkaars schouders  en in ogen blonk alom ontroering. We waren toch nog geen wereldkampioen geworden? Uit een plastic zakje kwamen medailles met rood-wit-blauwe bandjes voor de om van vroegprepensioen genietende gebruinde nekken. Dikke gouden plakken waren het die blonken in de jubelende zon.
“Iedereen verdient vandaag de gouden medaille,” hoorde ik zeggen. Even later kregen we te horen waarom. Een mevrouw had 2 jaar geleden haar been verbrijzeld. Haar man en zijzelf hadden vervolgens gezworen ooit nog eens samen bovenop Alpe d’Huez te staan. Vandaag was die dag. Een dag waar iedereen van mocht meegenieten, want er werd gejuicht en de mevrouw die het middelpunt van het gezelschap was, zat met een kind op schoot en plengde traantjes. Om ons heen keken Denen en Zweden toe en vroegen zich af waarom een stelletje Hollanders zo geëmotioneerd konden raken van een bergje op toeren. Plastic bekertjes werden uitgedeeld en flessen champagne aangerukt. Ik keek om te kijken waar het allemaal vandaan kwam, toch niet uit de achterzakjes van wielershirts, maar nee er stond een grote auto met een nog grotere oranje vlag erop gedrapeerd, met daarop in gouden letters geborduurd de naam van de familie en Alpe d’Huez 2010. De plastic bekertjes werden geheven en vervolgens vertelde manlief in zijn mooiste woorden, uitgesproken in zijn lelijkste Haags, dat hij nooit gedacht had dat hij hier samen met zijn vrouw nog weer eens zou staan. Het was niet gemakkelijk geweest, maar na een lange weg was het dan vandaag toch gelukt. Ik bekeek mevrouw die dringend een nieuw zakdoekje nodig had, maar na het volsnotteren knuffelde ze haar kindje dat in een bak achter haar fiets mee omhoog gekomen was, en ze oogde de gelukkigste mens van de wereld. Een oom dook de auto in met de oranje vlag erop. Even later schalde Abba met Dancing Queen bovenop de Hollandse berg.
Een heel lange vent parkeerde zijn fiets, stoof het terras op, keek naar de auto, de vlaggen en de champagne en vertolkte met de volgende binnensmondse woorden beslist ook mijn gevoelens:
“Wat een stomme proleten die Hollanders”.

Waarna het de hoogste tijd geworden was voor de afdaling.

Palmares:
Twee beklimmingen Alpe d’Huez, 1h25m, 1h27m
Klim naar Les Deux Alpes
Klim naar Villard Reculas en Huez
Klim naar Oulles, een dorpje met 9 inwoners.
Klim Col d’Ornon

16 mei 2010

Overlevende


"Hoe voelt u zich nu?" vroeg een mannenstem vrij ver, maar hij werd overschreeuwd door een vrouwenstem dichtbij:

"Wat ging er door u heen?" zei ze. Zodra Klaas zijn ogen opsloeg, keek hij naar haar microfoon, vlakbij zijn mond. Er naderden nog een paar andere microfoons zijn gezicht. Ze werden hem voorgehouden als lolly's.

Klaas bekeek de microfoons en de verslaggevers die hen vasthielden met een glazige blik.

"Wat ging er door u heen?"vroeg de mevrouw die het dichtst naast hem neergehurkt zat. Blonde haren en blauwe ogen die hem empatisch bekeken. Niet meer de jongste maar nog lang niet hopeloos oud.

"Toe nou," zei ze. "Zeg eens iets. Het is live hoor."

"Waar?" vroeg Klaas. "Hoe?"

"RTL-nieuws," zei de verslaggeefster. "Je bent live in de uitzending als overlevende van de mysterieuze explosie in de Rotterdamse metro die vanavond net voor zessen in de spits heeft plaatsgevonden. Klaas Hoogenboom was die ene gelukkige die door de kracht van de explosie uit de wagon geslingerd werd. Van de ongeveer 250 ongelukkigen die zich nu achter mij in deze wrakstukken bevinden, moet het ergste worden gevreesd.'"

Met haar duim wees de verslaggeefster een ontwricht en scheefgezakt verwrongen hoop staal aan. Klaas kon niemand zien zitten of liggen. Er liepen wel tientallen hulpverleners op het perron en op het spoor, langs en tussen de wrakstukken.

"Ik wil naar huis," zei Klaas. "Ik wil niet op televisie. Ik wil niet vertellen wat er door me heen ging."

"Wat is dit nou toch?" vroeg de verslaggeefster. Ze keek om naar haar collega's, die allemaal om Klaas heen gehurkt zaten en allemaal hun microfoons aan hem opdrongen. "Hebben we echt geen jongetje dat tussen het puin gevonden is," vroeg ze. "Of een moeder die wanhopig haar kinderen zoekt? Of desnoods een spraakzame oma?"

De verslaggevers knikten teleurgesteld. De fotografen luisterden niet meer, want ze hadden een spurt ingezet, naar een brancard van tussen de wrakstukken gedragen naar het perron gedragen werd, met daarop een wit laken met iets eronder.

"Ik wil morgen niet herkend worden bij de bakker," zei Klaas. "Ik wil geen media-aandacht. Ik wil geen ster worden."

"Er mankeert me bijna niks," zei hij direct daarna beduusd. Nog een keer bewoog hij zijn armen en benen maar ze gehoorzaamden prompt en behalve een paar geschaafde plekken voelde hij geen pijn.

"Ik wil niet gevraagd worden voor exclusieve interviews," zei hij. Hij begon zichzelf overeind te werken. Hij strekte zijn hand uit naar de verslaggeefster met de empathische blauwe ogen, maar die duwde zijn hand weg. Ze stond op. "Doe het lekker zelf," zei ze pinnig, waarna ze haar betrokken gezicht terug toverde, want de cameraman was recht tegenover haar komen staan en het lampje bovenop de camera was aan.

"De man die deze verschrikkelijke ramp heeft overleefd weigert dus een interview. Hij wil de media niet te woord staan. Omdat hij waarschijnlijk nog in shock is om datgene wat hem zojuist overkwam, moeten we niet te hard oordelen, maar deze man beseft beslist niet hoe veel geluk hij heeft gehad en hoe bevoorrecht hij is. De vraag dringt zich op waarom uitgerekend hij deze ramp moest overleven, terwijl dit voor mogelijk 250 anderen die maar wat graag op televisie hadden gewild, niet het geval zal zijn."


 

"Wat moet ik ervan zeggen?" zei Klaas toen hij eindelijk overeind stond. "Wat zou ik er van moeten vinden?"

Hij klopte zijn kleren af.

"Waarom ik zo veel geluk heb en die anderen niet? Ik heb geen flauw idee. Echt niet. Wat moet ik ervan zeggen? Wat voor verhaal zou ik moeten hebben?"

Maar niemand hoorde hem meer, want de horde journalisten was opgesprongen en er steeg een rauwe kreet op toen één van hen zijn mobiele telefoon omhoog hield en riep dat er aan de andere kant van het perron een andere overlevende uit de wrakstukken tevoorschijn gesleept was.

"Een jong jongetje?" werd er verwachtingsvol gevraagd.

"Een jonge vrouw," antwoordde de man met de mobiel. "Ook niet slecht. En ze heeft geen gevoel meer in haar benen," voegde hij er opgewonden aan toe. Vervolgens rende de horde bij Klaas vandaan.

Clicky

Clicky Web Analytics