23 juli 2010

Op doel


Plotseling dacht Menno aan de jongens, rook hij het zweet en hoorde hij hun stemmen. Uitgelaten, want ze hadden gewonnen.

"Drieëntwintig vijfentachtig," was een vreemde tekst voor zijn jongens. Vreemde stem ook voor zo'n jongen.

"Mag ik dat pinnen?" vroeg hij aan de kassajuffrouw, die knikte en verveeld zijn spullen van zich af schoof, verder naar de rand. Dichter bij de deur. Zijn handen trilden toen hij dacht aan wat hem overkomen was. Hoe durfden ze, na achtend…

"Hoeveel zei u ook weer? Achtendertig?"

"Drieëntwintig vijfentachtig," herhaalde de caissière. Scherpe toon. Meer als wanneer ze verloren hadden en elkaar verwijten maakten. Ze dacht natuurlijk dat ze het niet zag als ze dan naar de wachtende klanten keek, en zo'n bek trok van nou moe kijk die ouwe nou toch weer… Maar hij zag het wel. Hij hanneste met zijn pinpas, kreeg hem maar niet goed evenwijdig met de gleuf waar hij in moest.

"Zal ik het even doen?" vroeg ze. Ze pakte de pas. Ze draaide hem een halve slag. Ze haalde hem bruusk door de gleuf.

Vijftien jaar geleden al weer. Dat van het bedrijf dan hè, want dat van de kleedkamer was nog langer geleden. Wanneer was hij nou ook alweer gestopt met trainen? Op een gegeven moment noemden ze hem een oude lul. De B's, te groot voor jochie, te klein voor puber, maar de grote bek die daarbij hoorde, hadden ze al wel. Niet leuk. En ook niet leuk dat hij probeerde een beetje positiespel te trainen, een beetje zoals die Spanjaarden het deden, maar dat dan in de wedstrijd erna de spits in de verdediging ging lopen en de rechtshalf op links en het een enorm zootje werd.

"Klaar maar weer," zei de caissière. En die jongens maar lachen.

"Ze wilden niks meer van me aannemen," antwoordde hij terwijl hij zijn bon aannam en al zijn spullen in één keer in zijn handen probeerde te pakken. Het kuipje boter viel bijna. Hij schoot omlaag en naar de grond, ondanks dat hij wist dat hij laatst thuis toen hij dat niet deed, niet meer omhoog had kunnen komen. Hij keek op, maar de caissière was met de volgende klant bezig. Hulp bieden deden ze tegenwoordig niet meer. Ze hadden geen tijd, zeiden ze. Ze haalden hun targets anders niet, zeiden ze. De man van middelbare leeftijd die aan de beurt was, keek weg. Want hij was nog in de kracht van zijn leven. Hij kon nog snel als hij haast had.



Een tijdje later, die man van middelbare leeftijd was al weer weg, lag toch alles op de rollator. Waarom had hij nou geen tas meegenomen? Omdat hij toen hij buiten stond, ontdekt had dat hij zijn portemonnee vergeten was. Hij was weer naar binnen gelopen, maar had blijkbaar toen zijn tas weggelegd om zijn portemonnee te zoeken. Nou ja, beter geen tas dan geen portemonnee. Hij zag zichzelf al staan zonder pinpas en zonder geld. Dan zou die man van middelbare leeftijd niet hebben weggekeken. Dan had hij hem zo vuil mogelijk bekeken, want hij had haast en dus geen geduld met zo'n overbodig oudje dat het tempo van de moderne tijd niet meer aankon.

Hij zette zijn rollator in beweging. De koekjes schoven half van het vlees voor vanavond af. Hij schrok, maar het ging net goed. Toen hij zijn rollator opnieuw in beweging zette, viel wel zijn meloen van het onderste treetje af. Hij rolde weg. Menno keek hem na. Hij hoorde de jongens. Ze renden er achteraan. Ze schoten zo hard ze konden op doel.

12 juli 2010

Focus leek het toverwoord…


Voordat dit WK begon was focus een klotewoord, jargon dat alleen een manager of een "mental coach" met droge ogen zou durven gebruiken. Zes overwinningen en een finaleplaats later was alles anders. Omdat de spelersgroep gefocust was, kregen ze zo weinig doelpunten tegen. Omdat de spelersgroep de focus had, bleven ze geduldig, ook als het balletje niet lekker rond ging en de openingen niet gevonden werd. Want men vertrouwde erop dat er uiteindelijk altijd kansen kwamen en altijd goals.
 

Focus leek het toverwoord. Als Nederland ook in de finale gefocust zou zijn, dan zouden ze iets gaan doen wat uniek was in de sportgeschiedenis. De beker pakken. Wereldkampioen worden in de grootste sport ter wereld. Na twee keer tweede eindelijk eerste. Na het collectieve trauma van 1974 en het Rensenbrink-tegen-de-paal van 1978 uiteindelijk dan toch nog de overwinning.
 
Maar er ging iets mis.

Het was niet zo dat het Nederlands elftal niet gefocust was. Integendeel, Nederland was meer gefocust dan ooit. Helaas was Nederland wel iets vergeten: de vraag beantwoorden waarop nou ook alweer de focus moest liggen.

Ja, ze wilden winnen en dat wilden wij allemaal met hen. Maar om te kunnen winnen, moet je wel weten waar je goed in bent. Waar Nederland goed in is, is voetballen. Hoe verdedigend de tegenstander ook speelt en hoe destructief hij zich verder ook moge opstellen, Nederland moet proberen te blijven voetballen. Geduldig blijven proberen openingen te vinden. Niet gefrustreerd raken, je niet laten provoceren en niet opgefokt zijn. Voor 100% gefocust zijn op voetbal spelen. Mooi voetbal hoeft niet eens, als het maar voetbal is. Verdedigend de boel zo goed mogelijk dicht houden en geduld oefenen. Blijven zoeken naar de opening. Als je blijft zoeken, zul je vinden, en als de opening eenmaal gevonden is dan hebben we aanvallers van wereldklasse om de kansen te verzilveren.

Gisteravond was Nederland niet gefocust op voetbal spelen. Gisteravond was Nederland gefocust op het winnen van een beker. In de ploeg was het waanidee geslopen dat om die beker te winnen, elk middel geoorloofd was. Het idee dat men ten koste van alles voetbal moest spelen, verdween naar de achtergrond. Het idee dat men ten koste van alles geduldig moest zijn, ook. Nederland was niet geduldig, Nederland was opgefokt. Nederland was agressief. Daarom vlogen de Nederlandse spelers erin als gekken.

Het is een beetje ironisch dat we in Nederland zo kankeren op de scheidsrechter. Zeker, de man floot geen foutloze wedstrijd en dat hij die cornerbal niet zag was absurd. We lopen nu te kankeren dat sommige gele kaarten, waaronder de tweede voor Heitinga, pietluttig waren, maar dat is omdat we niet goed kijken. Verblind door de hoop dat onze jongens zouden winnen, zien wij niet wat deze man gezien heeft. Hij zag een Nederlands elftal dat er niet op uit was om te voetballen, maar hij zag een Nederlands elftal dat van de finale een schoppartij wilde maken. Hij zag onze controleurs karatetrappen uitdelen in plaats van de bal proberen te veroveren. Dus trok hij kaarten in een poging de boel te bedaren. De scheidsrechter was niet tegen ons, misschien was hij zelfs wel op onze hand, want hij heeft geprobeerd om die ordinaire schoppartij waarmee wij dachten de beker te gaan pakken, nog een klein beetje op een voetbalwedstrijd te laten lijken. Het zou volkomen normaal zijn geweest als Nederland na 20 minuten met 9 man zou hebben gestaan, van Bommel en de Jong allebei rood. Als Webb zou hebben gedaan wat terecht was, dan was het zo gelopen. Dan was de finale na 20 minuten gespeeld, een hopeloze missie. Spanje zou kunnen kiezen of het zakelijk de beker ging ophalen of volkomen over ons heen zou lopen. Scheidsrechter Webb wilde dat de finale een wedstrijd bleef en dus bespaarde hij ons minstens twee volkomen terechte rode kaarten. En op het eind nog een derde, toen Robben na een fluitsignaal de bal toch nog in het doel schoot, een vergrijp waarop standaard een gele kaart staat en dat zou de tweede zijn geweest.
Misschien had Puyol een tweede gele kaart moeten hebben, misschien was dat objectief beschouwd volgens de regels. Maar in een wedstrijd waarin je Nederland twee keer rood bespaard hebt, ga je aan de andere kant natuurlijk nooit rood uitdelen.

Het is ook al zo ironisch dat we verbaasd zijn, nu buitenlandse kranten schrijven dat het Nederlands Elftal agressief opereerde, te hard speelde en te opgefokt. Als we ons zouden proberen te verplaatsen in de neutrale toeschouwer, dan hadden we het wel gesnapt. Stel dat we onze focus zouden afleggen, stel dat we in plaats daarvan zouden kijken met een weidse blik, wat zouden we dan zien? Dan zouden we één ploeg zien die voornamelijk probeerde te voetballen en één ploeg die voornamelijk overtredingen maakte, die charges uitvoerde met als doel voetballen onmogelijk maken. Een schoppartij, dat is wat de neutrale toeschouwer gisteravond zag. En hij zal blij geweest zijn, dat de ploeg die probeerde te voetballen, uiteindelijk won.

Nederland mag blij zijn met zes overwinningen en trots zijn op een tweede plek, maar Nederland moet zich schamen voor de finale. Het is niet te zeggen wat de uitkomst van de finale zou zijn geweest als Nederland op weg naar de wereldtitel niet verstrikt was geraakt in dat gefocus. Als Nederland gefocust gebleven was op voetbal spelen boven alles, dan was de finale misschien ook verloren gegaan, maar wel hadden we dan een positieve indruk achtergelaten op 700 miljoen neutrale toeschouwers. Dat is een hoop waard.

Het is een doodlopende weg, de spelopvatting dat je zou moeten willen winnen door schoppen in plaats van te proberen voetballend de beste zijn. Nederland moet doen waar ze goed in is en dat is willen voetballen. Dat is ons karakter en daar ligt ons hart. Daarom hangen wij onze gevels vol met Oranje vlaggetjes en daarom trekken we met z'n allen Oranje shirts aan. Daarom schilderen we vlaggetjes op onze wang en doen beesies om ons nek. Daarom juichen we voor onze jongens. Daarom houden we van ze, en blijven we dat doen, ook al verliezen we die klotefinale nog acht keer.  

Vergeet die klotefinale. Vergeet dat klotewoord. Voortaan weer gewoon lekker voetballen.

07 juli 2010

Naar de finale!

En als we die finale ook nog winnen, wat zullen er dan volgend jaar april een hoop Wesley'tjes geboren worden. Of Yolanthe dan maar als het onverhoopt een meisje wordt.

Ambtenaren van burgerlijke standen zullen nee moeten verkopen aan vaders die hun zoons Maarten Nigel Giovanni Johnny Mark Rafael Robin Wesley Arjen Eljero Dirk Joris Gregory Khalid willen noemen. Vervolgens gaan ze naar huis om een flesje te geven aan Martina Robijntje Rafaella Gio.

02 juli 2010

De Goddelijke Oranje Kanaries


Ik heb Nederland nog nooit van Brazilië zien winnen op een wereldkampioenschap. In 1974 was ik te jong. Van dat toernooi heb ik alleen een stukje van de finale gezien. Ik kan me nog herinneren dat mijn papa het wel spannend vond, maar ik was te jong om te snappen wat het leuke aan dit spelletje was en ook wat "mijn land" inhield en hoe het voelde om daar trots op te zijn.
Vervolgens kwamen de jaren '80 waarin Nederland op wereldkampioenschappen weinig potten wist te breken en nooit tegen Brazilië speelde, wat maar goed was ook, want men zou hebben verloren.

In 1994 holde Nederland in principe de hele wedstrijd achter de feiten aan, maar toch kwamen we nog gelijk. Toen kwam Branco die van een afzichtelijke afstand een vrije trap toch ineens op doel schoot. Dit toernooi bleef Christiano Ronaldo zoiets tot het bittere eind doen en er was geeneen bal bij die ook maar in de buurt van een doelpunt kwam, maar Branco kegelde destijds die vrije trap er snoeihard in en Nederland lag eruit.

In 1998 scheelde het niks, Brazilië en Nederland. Er was een fase in de wedstrijd dat Brazilië beter had en er was een fase dat Nederland bovenlag, maar je kon niet zeggen dat één van de twee ploegen het verdiende om te winnen. Pierre van Hooijdonk werd kort voor het eind van de wedstrijd omver getrokken, maar er kwam geen penalty. Er kwam wel een verlenging, en er kwamen strafschoppen. Philip Cocu miste en Ronald de Boer miste en we lagen eruit. In 1998 had Nederland een geweldig elftal, maar zoals wel vaker was Brazilië toch net een maatje te groot.

Na deze voorgeschiedenis verwachtte ik niet dat Nederland in 2010 zou winnen, want ik ben van de generatie voor wie Brazilië altijd een maatje te groot is geweest. Wat betreft de voorgeschiedenis kon je over Brazilië en Nederland eigenlijk hetzelfde verhaal vertellen. Tot nu alles gewonnen, nog nooit op achterstand gekomen, achterin stug en degelijk, voorin af en toe een briljant moment, maar niet sprankelend. Van zowel Brazilië als Nederland had je het gevoel dat het beste nog moest komen. Misschien dat er een geweldige wedstrijd zou volgen.

Een geweldige wedstrijd werd het niet. Wel een bizarre. In de eerste helft werd Nederland gewogen en te licht bevonden. Eén organisatiefout leverde voor het eerst dit toernooi een achterstand op, en het leek alsof Nederland er niet mee om kom gaan. Iedereen was overal steeds een stap te laat. Het spel was te bleek en het leek alsof het team wachtte op de knock out, en het was aan Stekelenburg te danken dat de 2-0 niet kwam. Toch zal het stil geweest zijn in Nederland toen het fluitsignaal klonk en de koppies hingen terwijl onze jongens naar de kleedkamer sjokten.

De tweede helft besloten onze jongens om te vechten voor hun laatste kans. Omdat we nog wat te goed hadden van dat omver trekken van Pierre van Hooijdonk, destijds in 1998, kregen we nu een kapitale fout van de keeper en daarmee een goal in de schoot geworpen. Plotseling hadden we steeds de bal en we voetbalden weer, speelden zoals ons eigen was. We kregen een corner en kopten die schitterend ingestudeerd binnen. In 10 minuten tijd waren we getransformeerd van het land voor wie Brazilië altijd een maatje te groot was geweest in het land dat van ze kon winnen. En Brazilië zelf?

Brazilië stond voor het eerst dit toernooi op achterstand, maar kon er niet mee omgaan. Felipe Melo trapte na tegen Robben en kreeg rood. De achtergebleven 10 spelers wekte de indruk de kluts kwijt te zijn. Het was Brazilië die gewogen werd en te licht bevonden. Een paar kansjes kregen ze nog wel, maar recht op de 2-2 hadden ze niet. Er kwam geen 2-2. Integendeel, Brazilië mocht van geluk spreken dat het geen 3-1 en 4-1 werd.

Fluitsignaal. Armen de lucht in, maar even geen gebrul. Even stilte. Want voor de eerste keer in mijn leven had ik Nederland zien winnen van Brazilië op een wereldkampioenschap.

Clicky

Clicky Web Analytics