05 november 2011

Iets warmer


Iets warmer


Nu de dagen steeds korter worden in plaats van langer, verlang ik weer terug naar mijn blog. Schrijven is het leukst op ochtenden waarop het maar niet licht wil worden, aan de keukentafel met de lamp aan. Koffie bij de hand, en iets lekkers voor erbij. Zitten en de hersens ertoe aanzetten om woorden te vormen. Het gaat goed als gedachten binnenin iets laten stromen. Woorden hebben iets nodig om op meegevoerd te worden. Ze moeten omlaag wapperen zoals een geel blad op het moment dat het afscheid neemt van haar boom, of ze moeten klateren als een bergstroompje, samen met andere bergstroompjes een compleet waterorkest vormen. Als je welgekozen woorden achter elkaar plaatst, krijg je een melodie, maar als het van binnen niet wil stromen, krijg je verkeerslawaai.
Soms lijkt het leven alleen maar verkeerslawaai. Kleuren willen niet opvallen, geuren willen mijn neus niet bereiken. De schoonheid van hoe mensen lopen of trippelen of schuifelen wil niet opvallen. Er zijn wel vogels die fluiten, maar de geluiden van de stad zijn de enige geluiden die opvallen. Bijvoorbeeld de geluiden van parkeerders. Ik woon in een rustig straatje, maar op zaterdagmiddag wordt er voortdurend geparkeerd en weggereden. Dus word dit stukje begeleid door geluiden van portieren die dichtgeklapt worden. Geluiden van motoren die starten, geluiden van gas geven, slippende koppelingen, abrupt remmen, want de wielen zijn nog niet schuin genoeg gedraaid om de plek te kunnen verlaten.
Terwijl iemand probeert weg te komen, staat degene die haar plek innemen al te wachten. Stationair draaiende motor. Alsmaar gebrom onder mijn raam, soms minutenlang. Als je wil beseffen hoe veel lawaai een benzinemotor eigenlijk maakt, ga dan in een rustig straatje waar wel betaald parkeren is, bij een raam een blogstukje zitten tikken.
Soms is het leven vooral grijs. Soms vlot het gewoon niet. Een doelloze bezigheid is het dan, dat leven. Ik voel me nutteloos. Hallo, ik ben hier een leven aan het leiden, roep ik dan in gedachten, maar er is niemand die het interesseert. Mensen lopen door. Een enkeling houdt heel even in, kijkt heel even om, maar bedenkt zich en loopt ook verder.
Op dit soort dagen met dit soort gedachten verlang ik nog het meest naar mijn blog. De eerste gedachte over een stukje op het blog zetten, is dat het nutteloos is, net als het leven waaraan ik nu even lijdt, in plaats van dat ik het leid. Dit blog is haar lezers allang kwijt geraakt. Er zijn geen bezoekers meer. De enkeling die  dankzij een verdwaalde zoekterm op Google naar hier verdwaalt, zal misschien even een paar regels scannen, maar bedenkt zich en surft verder.
Ondanks die wetenschap, geeft een stukje tikken en voltooien toch een goed gevoel. Want aan het eind van een stukje is het altijd ietsje warmer dan aan het begin.

15 april 2011

Terug

“Heej,” zei Roelien, met een blik en stem vol verrassing.
“Lang niet gezien,” liet ze erop volgen. Een kort moment nam ze Folkert van top tot teen op, waarna ze opschrok, zich omdraaide en van de hoogste plank de jeneverfles nam. Vanwege het verre reiken lieten haar schouderbladen lieten een afdruk achter in haar gesteven witte bloes.
“Ik neem tenminste aan dat dit nog steeds jouw drankje is?” zei ze. Folkert knikte. Roelien pakte een klein glaasje, zette het voor Folkert neer en vulde het tot de rand. Folkert keek ingespannen toe.
“Je ziet er goed uit,” zei Roelien. “Dunner,” liet ze er schalks op volgen.
Folkert leek verrast. Toen hij haar aankeek, dacht ze bij nader inzien dat hij er ook moe uitzag. Zijn lachende ogen maskeerden een triestheid, maar verborgen haar niet helemaal.
“Het is een tijdje wel goed met me gegaan,” zei Folkert. Hij nam zijn glas. Hij bekeek het. Hij leegde het in één teug.
“Maar nu niet meer?”
Folkert keek naar zijn glas. Het was wel tien seconden stil voor hij naar Roelien opkeek.
“Mag ik er nog één?” vroeg hij. Roelien haastte zich de fles te grijpen. Opnieuw vulde ze zijn glas tot de rand en opnieuw keek Folkert ingespannen toe. Zodra Roelien klaar was met schenken, nam hij onmiddellijk zijn glas.
“Het voornaamste is dat je terug bent,” zei ze. Folkert keek aan.
“Ja,” zei hij. “Ik ben terug”.
“Daar drinken we op,” zei hij vervolgens, waarna hij wederom in één teug zijn glas leegde.

05 februari 2011

Verlatingsangst

“Jouw beurt, Sjaak,” spreekt de docente.
Net als de vorige tien sprekers uit de kring sta ik op, vouw mijn handen voor mijn buik en schraap mijn keel. Ik laat mijn rechtervoetje vrijen met het kille laminaat van het zaaltje.
“Toe maar, Sjaak,” moedigt de docente met zachte dwang aan.
“Ik ben Sjaak Kempe, en ik heb verlatingsangst,” zeg ik vervolgens tegen tien paar niet onwelwillende maar ook niet bijster geïnteresseerde ogen.

Wat is verlatingsangst? Heel simpel, het woord zegt het al, elke keer wanneer iemand zich aan mij dreigt te gaan binden, voel ik de vrees, sterker nog, de overtuiging, dat deze persoon mij zal verlaten. Vroeg of laat, ze laat me in de steek. Ik zeg “ze” want je raadt het al, verlatingsangst speelt met vrouwen en niet of nauwelijks met mannen.  
Ik geloof ook niet dat ze me leuk vindt. Niet echt. Niet tot in het diepst van mijn hart. Als ze in woord, blik of gebaar laat merken dat ze me aardig, lief of begerenswaardig vindt, denk ik dat ze toneel speelt. Als ze zegt dat ze zo weer terug is, denk ik, ja dat zal wel weer. Als ze zegt dat ik bijzonder ben en dat ze onze relatie kostbaar vindt, dan denk ik ja maar voor hoe lang nog? En als ze onder of boven op me ligt en een orgasme krijgt, denk ik dat ze faket, of aan de buurman denkt.
Is het vervelend? Dat is een understatement. Is het belemmerend? In alle opzichten.

Ik wist al wel dat ik het had, verlatingsangst. Ik voelde het al langer. Maar het gaat zoals in het liedje van Boudewijn de Groot (Tip van de Sluier)
Achter iedere deur die ik open doe
doe jij een andere deur weer dicht
en zo blijf je verborgen,
nooit wordt er meer dan een tip
van de sluier opgelicht
Ik moest eerst mijn ziekelijke verlegenheid overwinnen voor ik ontdekte dat ik belemmerd werd door een minderwaardigheidsgevoel, en pas nu dit gevoel me geen parten meer speelt, heb ik een nieuwe stank ontdekt. Ik sluip nog weer verder de donkere gang in en ontdek een nieuw hol. Zwavelachtige dampen van de bewoner van dit hol kringelen mijn neus in en maken me onpasselijk. De draak is thuis.
Ik voelde altijd al wel dat hij er was, maar tot nu zag ik hem niet. Als je de vijand niet ziet, weet je ook niet hoe je tegen hem moet vechten. Tot nu toe had ik al verloren voordat er überhaupt een gevecht begonnen was. Ik wist niet dat ik langs de draak moest, dus was ik de verkeerde weg al ingeslagen voordat ik het zwavel rook en voordat het vuur uit zijn neusgaten mijn huid schroeide.

Er is iemand. Er is weer eens een “ze”. Het is een contact op afstand. Heel veel mailen en nog niet zo vaak elkaar zien. Er is chemie en er is aantrekkingskracht. Steeds dichterbij is ze gekomen. Ze is al op de plek waar het warm is, waar het schemerlicht flakkert op haar mooie gezicht, schittert in haar mooie blauwe ogen. Er is warmte. Er is vriendschap. Er is een taart en de belofte van slagroom. Zij rent net als ik nog voor het ontbijt naar de computer en drukt als laatste actie voor het slapengaan op de “verzenden”-knop van haar mailprogramma.
Als je met elkaar mailt, als de dans verzorgd wordt door woorden, dan weet je niet altijd alles. Je ziet wat er staat, maar je voelt niet altijd wat er achter zit. Soms lees je woorden die getikt zijn toen de ander scherp en fit en vrolijk was, maar jij bent moe als je ze leest, en interpreteert ze daarom anders. Je ziet de ander niet, ziet niet de ogen bij de woorden. Zit er een twinkeling in of kijken ze ernstig? Plagen ze of voelen ze zich aangevallen?
Met andere woorden, talloze kansen voor verlatingsangst om de kop op te steken. Bijvoorbeeld elke keer nadat ik op de “verzenden” knop gedrukt heb. Mailt ze nog wel terug? Elke 10 minuten even kijken. Alweer niet. Ze is er niet. Een normale stem zegt dat ze even boodschappen aan het doen is. Ze is even met iets bezig. Ze heeft telefoon of bezoek of weet-ik-veel gekregen en haar antwoord komt heus nog wel. Maar een schrille stem zegt dat ze op vakantie is gegaan zonder het jou te melden, dat ze onder een bus is gekomen en dat je nooit meer van haar zult horen, dat ze naar een andere man is gelopen om daarmee het pikante fantasietje te beleven wat jij haar zojuist gemaild hebt.

Er komt een moment dat ze iets mailt wat pijn doet. Het doet pijn omdat het uit de lucht komt vallen, of omdat je de context niet kent of omdat je haar woorden verkeerd opvat. En op zo’n moment is de verlatingsangst er als de kippen bij.
“ZIE JE WEL!” schreeuwt het schrille stemmetje triomfantelijk. “Zie je wel dat ze je verlaten heeft?”
En vervolgens steekt de pijn de kop op. De machteloze woede. Het gelaten schroeiende vuur van het is ook altijd hetzelfde.
“Reageer furieus,” hitst het schrille stemmetje. “Leer haar eens en vooral altijd af om jou zoveel pijn te doen. Wees haar voor. Haal de trekker over voordat zij het doet. Doe haar pijn, kwets haar, maak haar af, slinger de akeligste woorden die je kunt verzinnen recht in haar mooie gezicht. Ruïneer haar mooie blauwe ogen met zwavelzuur.”

Jouw verstand probeert de zaak nog te sussen. Er is een basis, heus. De warmte en vriendschap waren echt. Echte vriendschap kun je niet in één mailtje om zeep helpen. Maar dat schrille stemmetje pakt draadjes op en bestuurt jouw vingers terwijl ze tikken. En hij pakt een pook en stuwt dat gelaten schroeiende vuur nog wat hoger op.
Je drukt op “verzenden” en denkt nu ga ik wat anders doen. Nu ga ik verder met de rest van mijn leven. Klaar. Ik ben helemaal klaar met haar. Maar 2 minuten later kijk je voor het eerst of er al een antwoord is. Je beseft dat je jezelf nog net zo verbonden met haar voelt als voordat je die pijn voelde, maar het schrille stemmetje probeert om de verbondenheid die je voelt, aan alle kanten te bagatelliseren, te ontkrachten, zwart te maken. Het was allemaal één grote leugen, zie je dat nou echt niet?

Je wacht en je wacht en je wacht en je houdt jezelf opgefokt, en eindelijk, daar is het mailtje terug. Ja, heel goed, jouw woorden hebben hun effect niet gemist. Er is verbazing en ergernis en een duidelijk begin van woede, van wegkijken, van deuren dicht slaan. Mooi zo. Goed zo.
“EN NU NOG ZO’N MAILTJE” schreeuwt het schrille stemmetje.

Gisteren kwam ik oog in oog met de draak te staan. Verlatingsangst. Voor het eerst zag ik wat hij was en in welk hol hij zich schuilhield. Hij was er half uitgekropen. Ik zag hoe de draak eruit ziet. Al zijn zeven koppen zwiepten, terwijl zijn neusgaten zwavel uitbraakten en de opengesperde monden vuur spuwden.
Min of meer in blinde paniek besloot ik om met de draak te vechten. Ik weet niet precies hoe ik het deed, maar het lukte me om één van zijn koppen eraf te hakken en vervolgens bleek ik net genoeg ruimte te hebben om langs de draak te glippen en buiten bereik van zijn verzengend vuur te blijven.
Ik tikte een mailtje vanuit mijn ware gevoel en niet vanuit het gevoel dat door het schrille stemmetje ingegeven werd. Wachten-wachten-wachten en een diepe zucht, want ik kreeg van haar ook een mailtje vanuit haar ware gevoel. Ook zij was langs haar draak gekomen. Tijd voor reparatiewerkzaamheden.
Het brandje is geblust. Het contact is in stand gebleven. Het is nog goed tussen ons.

De draak is een slag toegebracht. Maar verslagen is de draak nog lang niet.

16 januari 2011

Nederland is te druk

Destijds mocht Pim Fortuyn van het bestuur van Leefbaar Nederland niet zeggen dat Nederland te vol was. Dus maakte hij ervan dat Nederland te druk is. Dagen als deze bewijzen dat hij gelijk had.

Met dagen als deze bedoel ik dagen waarop half Nederland erop uittrekt om oma rond te rijden, of om ergens te wandelen of te fietsen. De eerste dag in de lente dat het zonnig en boven de 15 graden is, is zo’n dag. De eerste dag in mei dat het 20 graden is met weinig wind. En een onverwachts zonnige dag in de winter is ook zo’n dag, zeker als die komt nadat de sneeuw vele mensen meer dan een maand thuis gehouden heeft.

Ik ga regelmatig uit fietsen, ook wanneer anderen daar niet aan zouden moeten denken. Als het zwaarbewolkt is, als het koud is of als er een harde wind staat. Voordeel is dat het met dat soort weer rustig is, je kunt overal lekker je eigen tempo rijden. Nu was het zwaarbewolkt noch koud, integendeel, het was lekker zonnig, maar een harde wind stond er wel, dus het aantal mensen dat durfde te gaan fietsen, bleef beperkt. Maar wel zaten de binnenweggetjes vol met auto's die oma rondreden, en de fietspaden en kleine weggetjes zaten tjokvol met wandelaars. De voetpaden zijn erg drassig, zeker voor mensen die op hun gewone Schoenenreuzen de paden op, de lanen in gingen. En dat was vandaag iedereen. Met andere woorden, mensen liepen daar waar ik wilde fietsen.

Sommigen liepen netjes aan de kant en anderen gingen naar de kant als mijn bel klonk. Maar in één uur en drie kwartier fietsen turfde ik 12 keer moeten stoppen of inhouden voor mensen die midden op de weg liepen, 5 keer stoppen omdat rechts van de weg mensen liepen en links een omataxi aankwam, 2 keer een paar kilometer niet op volle snelheid kunnen rijden omdat ik achter een omataxi kwam te zitten die met een vaartje van 20 kilometer het binnenweggetje meende te moeten nemen, 1 keer inhouden voor een hond met een stok die niet luisterde naar baasje en bazin, en 1 keer vol op de rem omdat hond wel naar de kant ging, maar baasje en bazin liepen tijdens het roepen van het beest naar het midden van de weg. Oh ja ook nog 1 keer vol op de rem omdat een echtpaar zonder te kijken het fietspad overstak omdat ze aan de llinkerkant iets moois zagen waarvan ze een foto wilden nemen. En 3 keer inhouden voor kleine kinderen, maar dat is niet erg.

Als mensen ergens lopen, en allang vergeten of helemaal niet door hebben dat ze op een fietspad zijn, schrikken ze vaak als iemand iets doet waarvoor dat fietspad bedoeld is. Er was een mevrouw die midden op het fietspad liep en die zich wild schrok toen ik haar tegemoet kwam rijden aan de uiterste rechterkant, dus een aanrijding was echt niet aanstaande. Maar wel krijg je op zo’n moment zo’n blik van “Weer zo’n mongool die het waagt om op het fietspad te fietsen.”

Ik moet bekennen dat ik dacht aan de woorden van Pim Fortuyn, toen ik even stilstond op een mooi stukje weg, en zowaar kon ik 50 meter ver kijken zonder een wandelaar te zien. Overigens moet ik er wel bij zeggen, dat van al die mensen die mijn fietstochtje doorkruisten, er 0 mensen bij waren die op moslims leken. Allemaal zo autochtoon als wat, die mensen die me voor de wielen liepen.

En ik moet ook bekennen dat ik op dat moment dacht dat het helemaal niet zo’n gek idee zou zijn als er van die 16,6 miljoen Nederlanders er een stuk of 6,6 miljoen zouden emigreren of uitsterven. Ik vond het wel een beetje nare gedachte van mezelf, maar ook een niet geheel onbegrijpelijke.

Nee ik veracht de ecologisch achterlijk succesvolle soort “mens” niet, maar het is nou ook weer niet zo dat ik haar elk uur van de dag een warm hart toedraag.

Clicky

Clicky Web Analytics