05 februari 2011

Verlatingsangst

“Jouw beurt, Sjaak,” spreekt de docente.
Net als de vorige tien sprekers uit de kring sta ik op, vouw mijn handen voor mijn buik en schraap mijn keel. Ik laat mijn rechtervoetje vrijen met het kille laminaat van het zaaltje.
“Toe maar, Sjaak,” moedigt de docente met zachte dwang aan.
“Ik ben Sjaak Kempe, en ik heb verlatingsangst,” zeg ik vervolgens tegen tien paar niet onwelwillende maar ook niet bijster geïnteresseerde ogen.

Wat is verlatingsangst? Heel simpel, het woord zegt het al, elke keer wanneer iemand zich aan mij dreigt te gaan binden, voel ik de vrees, sterker nog, de overtuiging, dat deze persoon mij zal verlaten. Vroeg of laat, ze laat me in de steek. Ik zeg “ze” want je raadt het al, verlatingsangst speelt met vrouwen en niet of nauwelijks met mannen.  
Ik geloof ook niet dat ze me leuk vindt. Niet echt. Niet tot in het diepst van mijn hart. Als ze in woord, blik of gebaar laat merken dat ze me aardig, lief of begerenswaardig vindt, denk ik dat ze toneel speelt. Als ze zegt dat ze zo weer terug is, denk ik, ja dat zal wel weer. Als ze zegt dat ik bijzonder ben en dat ze onze relatie kostbaar vindt, dan denk ik ja maar voor hoe lang nog? En als ze onder of boven op me ligt en een orgasme krijgt, denk ik dat ze faket, of aan de buurman denkt.
Is het vervelend? Dat is een understatement. Is het belemmerend? In alle opzichten.

Ik wist al wel dat ik het had, verlatingsangst. Ik voelde het al langer. Maar het gaat zoals in het liedje van Boudewijn de Groot (Tip van de Sluier)
Achter iedere deur die ik open doe
doe jij een andere deur weer dicht
en zo blijf je verborgen,
nooit wordt er meer dan een tip
van de sluier opgelicht
Ik moest eerst mijn ziekelijke verlegenheid overwinnen voor ik ontdekte dat ik belemmerd werd door een minderwaardigheidsgevoel, en pas nu dit gevoel me geen parten meer speelt, heb ik een nieuwe stank ontdekt. Ik sluip nog weer verder de donkere gang in en ontdek een nieuw hol. Zwavelachtige dampen van de bewoner van dit hol kringelen mijn neus in en maken me onpasselijk. De draak is thuis.
Ik voelde altijd al wel dat hij er was, maar tot nu zag ik hem niet. Als je de vijand niet ziet, weet je ook niet hoe je tegen hem moet vechten. Tot nu toe had ik al verloren voordat er überhaupt een gevecht begonnen was. Ik wist niet dat ik langs de draak moest, dus was ik de verkeerde weg al ingeslagen voordat ik het zwavel rook en voordat het vuur uit zijn neusgaten mijn huid schroeide.

Er is iemand. Er is weer eens een “ze”. Het is een contact op afstand. Heel veel mailen en nog niet zo vaak elkaar zien. Er is chemie en er is aantrekkingskracht. Steeds dichterbij is ze gekomen. Ze is al op de plek waar het warm is, waar het schemerlicht flakkert op haar mooie gezicht, schittert in haar mooie blauwe ogen. Er is warmte. Er is vriendschap. Er is een taart en de belofte van slagroom. Zij rent net als ik nog voor het ontbijt naar de computer en drukt als laatste actie voor het slapengaan op de “verzenden”-knop van haar mailprogramma.
Als je met elkaar mailt, als de dans verzorgd wordt door woorden, dan weet je niet altijd alles. Je ziet wat er staat, maar je voelt niet altijd wat er achter zit. Soms lees je woorden die getikt zijn toen de ander scherp en fit en vrolijk was, maar jij bent moe als je ze leest, en interpreteert ze daarom anders. Je ziet de ander niet, ziet niet de ogen bij de woorden. Zit er een twinkeling in of kijken ze ernstig? Plagen ze of voelen ze zich aangevallen?
Met andere woorden, talloze kansen voor verlatingsangst om de kop op te steken. Bijvoorbeeld elke keer nadat ik op de “verzenden” knop gedrukt heb. Mailt ze nog wel terug? Elke 10 minuten even kijken. Alweer niet. Ze is er niet. Een normale stem zegt dat ze even boodschappen aan het doen is. Ze is even met iets bezig. Ze heeft telefoon of bezoek of weet-ik-veel gekregen en haar antwoord komt heus nog wel. Maar een schrille stem zegt dat ze op vakantie is gegaan zonder het jou te melden, dat ze onder een bus is gekomen en dat je nooit meer van haar zult horen, dat ze naar een andere man is gelopen om daarmee het pikante fantasietje te beleven wat jij haar zojuist gemaild hebt.

Er komt een moment dat ze iets mailt wat pijn doet. Het doet pijn omdat het uit de lucht komt vallen, of omdat je de context niet kent of omdat je haar woorden verkeerd opvat. En op zo’n moment is de verlatingsangst er als de kippen bij.
“ZIE JE WEL!” schreeuwt het schrille stemmetje triomfantelijk. “Zie je wel dat ze je verlaten heeft?”
En vervolgens steekt de pijn de kop op. De machteloze woede. Het gelaten schroeiende vuur van het is ook altijd hetzelfde.
“Reageer furieus,” hitst het schrille stemmetje. “Leer haar eens en vooral altijd af om jou zoveel pijn te doen. Wees haar voor. Haal de trekker over voordat zij het doet. Doe haar pijn, kwets haar, maak haar af, slinger de akeligste woorden die je kunt verzinnen recht in haar mooie gezicht. Ruïneer haar mooie blauwe ogen met zwavelzuur.”

Jouw verstand probeert de zaak nog te sussen. Er is een basis, heus. De warmte en vriendschap waren echt. Echte vriendschap kun je niet in één mailtje om zeep helpen. Maar dat schrille stemmetje pakt draadjes op en bestuurt jouw vingers terwijl ze tikken. En hij pakt een pook en stuwt dat gelaten schroeiende vuur nog wat hoger op.
Je drukt op “verzenden” en denkt nu ga ik wat anders doen. Nu ga ik verder met de rest van mijn leven. Klaar. Ik ben helemaal klaar met haar. Maar 2 minuten later kijk je voor het eerst of er al een antwoord is. Je beseft dat je jezelf nog net zo verbonden met haar voelt als voordat je die pijn voelde, maar het schrille stemmetje probeert om de verbondenheid die je voelt, aan alle kanten te bagatelliseren, te ontkrachten, zwart te maken. Het was allemaal één grote leugen, zie je dat nou echt niet?

Je wacht en je wacht en je wacht en je houdt jezelf opgefokt, en eindelijk, daar is het mailtje terug. Ja, heel goed, jouw woorden hebben hun effect niet gemist. Er is verbazing en ergernis en een duidelijk begin van woede, van wegkijken, van deuren dicht slaan. Mooi zo. Goed zo.
“EN NU NOG ZO’N MAILTJE” schreeuwt het schrille stemmetje.

Gisteren kwam ik oog in oog met de draak te staan. Verlatingsangst. Voor het eerst zag ik wat hij was en in welk hol hij zich schuilhield. Hij was er half uitgekropen. Ik zag hoe de draak eruit ziet. Al zijn zeven koppen zwiepten, terwijl zijn neusgaten zwavel uitbraakten en de opengesperde monden vuur spuwden.
Min of meer in blinde paniek besloot ik om met de draak te vechten. Ik weet niet precies hoe ik het deed, maar het lukte me om één van zijn koppen eraf te hakken en vervolgens bleek ik net genoeg ruimte te hebben om langs de draak te glippen en buiten bereik van zijn verzengend vuur te blijven.
Ik tikte een mailtje vanuit mijn ware gevoel en niet vanuit het gevoel dat door het schrille stemmetje ingegeven werd. Wachten-wachten-wachten en een diepe zucht, want ik kreeg van haar ook een mailtje vanuit haar ware gevoel. Ook zij was langs haar draak gekomen. Tijd voor reparatiewerkzaamheden.
Het brandje is geblust. Het contact is in stand gebleven. Het is nog goed tussen ons.

De draak is een slag toegebracht. Maar verslagen is de draak nog lang niet.

Clicky

Clicky Web Analytics